Proeftentamen Infectie & Immuniteit II bestaande uit 31 vragen
(De antwoorden staan achteraan)
1. Wat is de meest voorkomende verwekker van meningitis in Nederland bij kinderen?
A. N. meningitidis
B. S. pneumoniae
C. H. influenzae
2. Door welke cel kan Staphylococcus aureus het snelste worden gefagocyteerd?
A. lymfocyten
B. eosinofiele granulocyten
C. polymorfkernige granulocyten
D. monocyten
3. Bij welke kinderziekte past het maculopapulair exantheem lijkend op slapped cheeks
of appelwangen?
A. Erythema infectiosum
B. Mazelen
C. Rode hond
4. SLE is het prototype van een auto-immuunziekte, omdat verschillende
autoantilichamen kunnen voorkomen in een enkele patiënt. Welke combinatie hieronder
zijn hiervoor het meest kenmerkend?
A. Anti-dsDNA, ANA en anti-centromeer
B. Anti-centromeer, ANA en ENA
C. ANA, anti-dsDNA en anti-fosfolipiden
D. Anti-fosfolipiden, anti-dsDNA en anti-synthetase
5. Bij welk van onderstaande aandoeningen past de combinatie van glomerulonefritis en
een positieve ANCA test het best?
A. Granulomatosis polyangiitis (GPA)
B. Arteritis temporalis
C. Periarteritis nodosa
D. Ziekte van Henoch Schönlein
6. Welke twee aandoeningen staan in je differentiaal diagnose bij dit beeld?
, 7. Wat doet een checkpoint inhibitor zoals anti-PD1?
A. Remt T-cellen
B. Activeert NK-cellen
C. Blokkeert T-celremming
D. Stimuleert B-geheugen
8. Wat is een voorbeeld van een Gram-positieve kok?
A. Escherichia coli
B. Staphylococcus aureus
C. Neisseria meningitidis
D. Haemophilus influenzae
9. Een endotoxine is typisch voor:
A. Gram-positieve bacteriën
B. Gram-negatieve bacteriën
C. Virussen
D. Schimmels
10. Een levend verzwakt vaccin wordt gebruikt bij:
A. Tetanus
B. Influenza
C. BMR
D. Hepatitis B
11. Wat is een voordeel van mRNA-vaccins?
A. Ze activeren alleen B-cellen
B. Ze veroorzaken natuurlijke infectie
C. Ze zijn snel te ontwikkelen
D. Ze bevatten adjuvanten
12. Een Type I overgevoeligheidsreactie wordt gemedieerd door:
A. IgM
B. IgG
C. IgA
D. IgE
13. Welk voorbeeld past bij een type IV overgevoeligheidsreactie?
A. Anafylaxie
B. Allergisch eczeem
C. Hemolytische anemie
D. Serumziekte
14. Wat gebeurt er tijdens ‘class switching’ van B-cellen?
A. Verandering van antigeenspecificiteit
B. Productie van geheugen T-cellen
C. Productie van andere isotypes zoals IgG
D. Activatie van complement
(De antwoorden staan achteraan)
1. Wat is de meest voorkomende verwekker van meningitis in Nederland bij kinderen?
A. N. meningitidis
B. S. pneumoniae
C. H. influenzae
2. Door welke cel kan Staphylococcus aureus het snelste worden gefagocyteerd?
A. lymfocyten
B. eosinofiele granulocyten
C. polymorfkernige granulocyten
D. monocyten
3. Bij welke kinderziekte past het maculopapulair exantheem lijkend op slapped cheeks
of appelwangen?
A. Erythema infectiosum
B. Mazelen
C. Rode hond
4. SLE is het prototype van een auto-immuunziekte, omdat verschillende
autoantilichamen kunnen voorkomen in een enkele patiënt. Welke combinatie hieronder
zijn hiervoor het meest kenmerkend?
A. Anti-dsDNA, ANA en anti-centromeer
B. Anti-centromeer, ANA en ENA
C. ANA, anti-dsDNA en anti-fosfolipiden
D. Anti-fosfolipiden, anti-dsDNA en anti-synthetase
5. Bij welk van onderstaande aandoeningen past de combinatie van glomerulonefritis en
een positieve ANCA test het best?
A. Granulomatosis polyangiitis (GPA)
B. Arteritis temporalis
C. Periarteritis nodosa
D. Ziekte van Henoch Schönlein
6. Welke twee aandoeningen staan in je differentiaal diagnose bij dit beeld?
, 7. Wat doet een checkpoint inhibitor zoals anti-PD1?
A. Remt T-cellen
B. Activeert NK-cellen
C. Blokkeert T-celremming
D. Stimuleert B-geheugen
8. Wat is een voorbeeld van een Gram-positieve kok?
A. Escherichia coli
B. Staphylococcus aureus
C. Neisseria meningitidis
D. Haemophilus influenzae
9. Een endotoxine is typisch voor:
A. Gram-positieve bacteriën
B. Gram-negatieve bacteriën
C. Virussen
D. Schimmels
10. Een levend verzwakt vaccin wordt gebruikt bij:
A. Tetanus
B. Influenza
C. BMR
D. Hepatitis B
11. Wat is een voordeel van mRNA-vaccins?
A. Ze activeren alleen B-cellen
B. Ze veroorzaken natuurlijke infectie
C. Ze zijn snel te ontwikkelen
D. Ze bevatten adjuvanten
12. Een Type I overgevoeligheidsreactie wordt gemedieerd door:
A. IgM
B. IgG
C. IgA
D. IgE
13. Welk voorbeeld past bij een type IV overgevoeligheidsreactie?
A. Anafylaxie
B. Allergisch eczeem
C. Hemolytische anemie
D. Serumziekte
14. Wat gebeurt er tijdens ‘class switching’ van B-cellen?
A. Verandering van antigeenspecificiteit
B. Productie van geheugen T-cellen
C. Productie van andere isotypes zoals IgG
D. Activatie van complement