EMOD 1 – farmacokinetiek
Een deel heb ik geplakt, daarna alleen extra aantekeningen erbij en aantekeningen bij de filmpjes, maar
de tekst wel nog helemaal lezen want die was zelf al heel begrijpelijk.
Leerdoelen:
• De student kan de verschillende toepassingsvormen en toedieningsroutes van
(dier)geneesmiddelen beschrijven en de voor- en nadelen ervan benoemen bij gebruik bij
verschillende diersoorten en indicaties.
• De student kan uitleggen welke processen bij absorptie, distributie, metabolisme en excretie
van (dier)geneesmiddelen een rol spelen en hoe deze processen kunnen verschillen tussen
individuen, rassen en diersoorten.
• De student kan de invloed van de absorptie, distributie en eliminatie op de plasma-concentratie-
tijd curve uitleggen.
• De student kan de klinische relevantie van de farmacokinetische eigenschappen van een
(dier)geneesmiddel voor het opstellen van een doseringsschema uitleggen
Onderwerpen:
− Absorptie
− Distributie
− Metabolisme
− Excretie
− Eliminatie (= metabolisme en excretie)
− Farmacokinetische modellen
Begrippenlijst:
− Plasma-concentratie-tijd curve = als die bij 100% begint en dan afnemend daalt, dan intraveneus
want dan begin je met 100% in bloed!
− Passief transport
− Actief transport
− Ionisatiegraad (gerelateerd aan lipofiliteit) = hoe hoger graad, hoe meer geladen moleculen
(denk aan zuren en basen die wisselen van lading afh van zuurtegraad milieu). Een geladen
molecuul is minder lipofiel en meer hydrofiel en een ongeladen dus ongeioniseerd molecuul is
juist lipofieler.
− Absorptie = opname van geneesmiddel in het lichaam in de systemische bloedbaan. Hierbij
hoort biologische beschikbaarheid. Absorption refers to the ability of a drug to cross the gut wall
into the portal vein.
− Biologische beschikbaarheid = het gedeelte van het geneesmiddel dat aankomt in de
systemische circulatie nadat het de darmen en lever is gepasseerd = Oral availability (F) = the
fraction of drug that reaches the systemic circulation after oral ingestion. It is determined by
'absorption' and 'first-pass' metabolism. Bepaal je door de hoeveelheid farmacon in lichaam na
orale inbrenging te vergelijken met intraveneus
,Na IV -> F = 1 (100%)
− First pass effect = biotransformatie in maagdarmkanaal en lever bij de eerste passage, leidend
tot inactivering van het farmacon, waardoor slechts een fractie van de toegediende dosis
(onveranderd) in de circulatie terechtkomt. Geneesmiddelen met een groot first-pass-effect
hebben dus een lagere biologische beschikbaarheid. First-pass metabolism describes
presystemic drug elimination and can occur in the gut wall, portal vein or liver. The liver is
usually the most important contributor.
Stoffen met hoge first-pass effect worden soms juist inactief aangeboden. Dat is een oplossing om tegen
te gaan dat snelle afbraak. Pro drugs = inactieve drug die wordt geactiveerd door de lever. Zo dus
omdraaien van effect.
− Distributie = verspreiding van geneesmiddel over het lichaam, vanuit de bloedbaan naar de
periferie. Hierbij hoort het (fictief) verdelingsvolume.
− (Fictief of schijnbaar) verdelingsvolume = het volume waarin het geneesmiddel lijkt te zijn
opgelost als je kijkt naar de plasmaconcentratie
− Metabolisme = het afbreken van geneesmiddelen tot wateroplosbare stoffen
− Biotransformatie = metabolisme, met enzymen farmacon aanpassen, dit kan verschillende
effecten hebben op werking farmacon: biotransformatie leidt vaak tot biologisch inactieve
producten, maar lang niet altijd. Je hebt fase I en II reacties.
− Fase I reacties = bij Fase I reacties wordt een functionele groep gevormd waarop eventueel een
Fase II enzym kan aangrijpen. Echter kunnen Fase I en Fase II reacties ook los van elkaar staan.
De belangrijkste Fase I reacties worden gekatalyseerd door microsomale heemeiwitten: de
“cytochroom P-450” enzymfamilie (CYP450, het mixed-function oxidase system). Het kunnen
oxidatie, hydrolyse of hydroxylatiereacties zijn.
− Fase II reacties = fase II reacties zijn gekenmerkt door conjugatie, waarbij met behulp van
enzymen (glucuronyl transferase, sulfotransferase, glutathion-S-transferase) lichaamseigen
verbindingen (respectievelijk glucuronzuur, sulfaat, glutathion, etc.) aan het farmacon-molecuul
gekoppeld worden. Wanneer een farmacon (of metabolieten die zijn gevormd door Fase I
reacties) wordt geconjugeerd neemt de werkzaamheid af en neemt de wateroplosbaarheid toe
− Excretie = uitscheiding van farmacon
− Enterohepatische kringloop = Na conjugatie (fase II reactie) in de lever en uitscheiding naar de
darm via galgang kan de stof weer vrijkomen en heropgenomen worden via de poortader en
dan blijft hij in deze kringloop. Vertraagt lichaamsklaring.
Dit is handig voor lichaamseigen stoffen want anders ga je die lichaamseigen stoffen telkens opnieuw
moeten maken en nu blijven ze voor een deel in je lichaam. Maar farmacon kan hier ook terecht in
komen.
Toxine hierin is nadelig! Norit kan je dan gebruiken om het te binden in maagdarmkanaal en zo uit te
scheiden. ...
− Clearance/klaring = het aantal milliliters dat per minuut of per uur wordt gezuiverd
− Eliminatie = de wateroplosbare metabolieten na metabolisme van farmacon worden
uitgescheiden via gal of urine. Hierbij hoort het begrip klaring
,Eliminatie = metabolisme + excretie!!
− Eliminatiehalfwaardetijd = de tijd waarin de helft van het geneesmiddel uit het lichaam is
verdwenen. Afhankelijk van de klaring in bv L/hr en van het verdelingsvolume (L) dus in hoeveel
volume zit het farmacon.
− Steady state (Css) = de hoeveelheid stof die je geeft, is dezelfde hoeveelheid als dat weer
uitgescheiden wordt (in=uit)
− Oplaaddosis = dosis van een middel die moet worden toegediend, om een onmiddellijk effect te
krijgen of om de gewenste concentratie in het bloed te krijgen. Berekenen:
Dit doe je niet met toxische stof.
Halfwaardetijd heeft geen effect op wel of niet oplaaddosis geven. Je kan t0,5 wel gebruiken om
oplaaddosis uit te rekenen en dan moet je even kijken of de berekende oplaaddosis veilig gegeven kan
worden dus niet toxisch.
− Onderhoudsdosis = dosis van een geneesmiddel, die nodig is om het effect van dit geneesmiddel
in stand te houden. Je wilt hiermee een steady state bereiken.
− Opp onder de (concentration-time) curve (AUC) = in de farmacokinetiek staat de oppervlakte
onder plasmaconcentratie-tijdcurve voor de totale blootstelling van het lichaam aan een
werkzame stof.
Als de biol beschikbaarheid 60% is, dan is de AUC van dat farmacon bij roale toediening 60% van de opp
eronder bij IV toediening. Dit kan je gebruiken om de biol beschikbaarheid uit te rekenen
Formules:
, Leer uit hoofd!
Inleiding
Toediening van het farmacon
Toedieningsvorm: bijvoorbeeld een tablet of tot een infuus- of injectievloeistof, hiervoor zijn de fysisch-
chemische eigenschappen en de beoogde dosis van belang
Een deel heb ik geplakt, daarna alleen extra aantekeningen erbij en aantekeningen bij de filmpjes, maar
de tekst wel nog helemaal lezen want die was zelf al heel begrijpelijk.
Leerdoelen:
• De student kan de verschillende toepassingsvormen en toedieningsroutes van
(dier)geneesmiddelen beschrijven en de voor- en nadelen ervan benoemen bij gebruik bij
verschillende diersoorten en indicaties.
• De student kan uitleggen welke processen bij absorptie, distributie, metabolisme en excretie
van (dier)geneesmiddelen een rol spelen en hoe deze processen kunnen verschillen tussen
individuen, rassen en diersoorten.
• De student kan de invloed van de absorptie, distributie en eliminatie op de plasma-concentratie-
tijd curve uitleggen.
• De student kan de klinische relevantie van de farmacokinetische eigenschappen van een
(dier)geneesmiddel voor het opstellen van een doseringsschema uitleggen
Onderwerpen:
− Absorptie
− Distributie
− Metabolisme
− Excretie
− Eliminatie (= metabolisme en excretie)
− Farmacokinetische modellen
Begrippenlijst:
− Plasma-concentratie-tijd curve = als die bij 100% begint en dan afnemend daalt, dan intraveneus
want dan begin je met 100% in bloed!
− Passief transport
− Actief transport
− Ionisatiegraad (gerelateerd aan lipofiliteit) = hoe hoger graad, hoe meer geladen moleculen
(denk aan zuren en basen die wisselen van lading afh van zuurtegraad milieu). Een geladen
molecuul is minder lipofiel en meer hydrofiel en een ongeladen dus ongeioniseerd molecuul is
juist lipofieler.
− Absorptie = opname van geneesmiddel in het lichaam in de systemische bloedbaan. Hierbij
hoort biologische beschikbaarheid. Absorption refers to the ability of a drug to cross the gut wall
into the portal vein.
− Biologische beschikbaarheid = het gedeelte van het geneesmiddel dat aankomt in de
systemische circulatie nadat het de darmen en lever is gepasseerd = Oral availability (F) = the
fraction of drug that reaches the systemic circulation after oral ingestion. It is determined by
'absorption' and 'first-pass' metabolism. Bepaal je door de hoeveelheid farmacon in lichaam na
orale inbrenging te vergelijken met intraveneus
,Na IV -> F = 1 (100%)
− First pass effect = biotransformatie in maagdarmkanaal en lever bij de eerste passage, leidend
tot inactivering van het farmacon, waardoor slechts een fractie van de toegediende dosis
(onveranderd) in de circulatie terechtkomt. Geneesmiddelen met een groot first-pass-effect
hebben dus een lagere biologische beschikbaarheid. First-pass metabolism describes
presystemic drug elimination and can occur in the gut wall, portal vein or liver. The liver is
usually the most important contributor.
Stoffen met hoge first-pass effect worden soms juist inactief aangeboden. Dat is een oplossing om tegen
te gaan dat snelle afbraak. Pro drugs = inactieve drug die wordt geactiveerd door de lever. Zo dus
omdraaien van effect.
− Distributie = verspreiding van geneesmiddel over het lichaam, vanuit de bloedbaan naar de
periferie. Hierbij hoort het (fictief) verdelingsvolume.
− (Fictief of schijnbaar) verdelingsvolume = het volume waarin het geneesmiddel lijkt te zijn
opgelost als je kijkt naar de plasmaconcentratie
− Metabolisme = het afbreken van geneesmiddelen tot wateroplosbare stoffen
− Biotransformatie = metabolisme, met enzymen farmacon aanpassen, dit kan verschillende
effecten hebben op werking farmacon: biotransformatie leidt vaak tot biologisch inactieve
producten, maar lang niet altijd. Je hebt fase I en II reacties.
− Fase I reacties = bij Fase I reacties wordt een functionele groep gevormd waarop eventueel een
Fase II enzym kan aangrijpen. Echter kunnen Fase I en Fase II reacties ook los van elkaar staan.
De belangrijkste Fase I reacties worden gekatalyseerd door microsomale heemeiwitten: de
“cytochroom P-450” enzymfamilie (CYP450, het mixed-function oxidase system). Het kunnen
oxidatie, hydrolyse of hydroxylatiereacties zijn.
− Fase II reacties = fase II reacties zijn gekenmerkt door conjugatie, waarbij met behulp van
enzymen (glucuronyl transferase, sulfotransferase, glutathion-S-transferase) lichaamseigen
verbindingen (respectievelijk glucuronzuur, sulfaat, glutathion, etc.) aan het farmacon-molecuul
gekoppeld worden. Wanneer een farmacon (of metabolieten die zijn gevormd door Fase I
reacties) wordt geconjugeerd neemt de werkzaamheid af en neemt de wateroplosbaarheid toe
− Excretie = uitscheiding van farmacon
− Enterohepatische kringloop = Na conjugatie (fase II reactie) in de lever en uitscheiding naar de
darm via galgang kan de stof weer vrijkomen en heropgenomen worden via de poortader en
dan blijft hij in deze kringloop. Vertraagt lichaamsklaring.
Dit is handig voor lichaamseigen stoffen want anders ga je die lichaamseigen stoffen telkens opnieuw
moeten maken en nu blijven ze voor een deel in je lichaam. Maar farmacon kan hier ook terecht in
komen.
Toxine hierin is nadelig! Norit kan je dan gebruiken om het te binden in maagdarmkanaal en zo uit te
scheiden. ...
− Clearance/klaring = het aantal milliliters dat per minuut of per uur wordt gezuiverd
− Eliminatie = de wateroplosbare metabolieten na metabolisme van farmacon worden
uitgescheiden via gal of urine. Hierbij hoort het begrip klaring
,Eliminatie = metabolisme + excretie!!
− Eliminatiehalfwaardetijd = de tijd waarin de helft van het geneesmiddel uit het lichaam is
verdwenen. Afhankelijk van de klaring in bv L/hr en van het verdelingsvolume (L) dus in hoeveel
volume zit het farmacon.
− Steady state (Css) = de hoeveelheid stof die je geeft, is dezelfde hoeveelheid als dat weer
uitgescheiden wordt (in=uit)
− Oplaaddosis = dosis van een middel die moet worden toegediend, om een onmiddellijk effect te
krijgen of om de gewenste concentratie in het bloed te krijgen. Berekenen:
Dit doe je niet met toxische stof.
Halfwaardetijd heeft geen effect op wel of niet oplaaddosis geven. Je kan t0,5 wel gebruiken om
oplaaddosis uit te rekenen en dan moet je even kijken of de berekende oplaaddosis veilig gegeven kan
worden dus niet toxisch.
− Onderhoudsdosis = dosis van een geneesmiddel, die nodig is om het effect van dit geneesmiddel
in stand te houden. Je wilt hiermee een steady state bereiken.
− Opp onder de (concentration-time) curve (AUC) = in de farmacokinetiek staat de oppervlakte
onder plasmaconcentratie-tijdcurve voor de totale blootstelling van het lichaam aan een
werkzame stof.
Als de biol beschikbaarheid 60% is, dan is de AUC van dat farmacon bij roale toediening 60% van de opp
eronder bij IV toediening. Dit kan je gebruiken om de biol beschikbaarheid uit te rekenen
Formules:
, Leer uit hoofd!
Inleiding
Toediening van het farmacon
Toedieningsvorm: bijvoorbeeld een tablet of tot een infuus- of injectievloeistof, hiervoor zijn de fysisch-
chemische eigenschappen en de beoogde dosis van belang