Sportkunde
1. Welke van onderstaande beweringen is juist?
A. Als het bij psychologie over gedrag gaat, gaat het alleen over het gedrag wat je kan
waarnemen
B. Gedrag zegt altijd iets over je motivatie.
C. Waarnemen van gedrag gebeurt altijd op basis van je eigen perceptie
2. De psychologie….
A. Richt zich op het oplossen van gedragsproblemen
B. Zoekt verklaringen voor het gedrag van individuen
C. Verklaart gedrag vanuit maatschappelijke verschijnselen
3. Persoon X houdt niet van sporten. Hij beseft wel dat sporten gezond is, maar is niet lid van een
sportclub en voelt weerzin bij het zien van fanatieke sporters. Dit is een voorbeeld van:
A. Cognitieve dissonantie
B. De fundamentele attributiefout
C. Consistentie in gedrag
4. Persoon X heeft geen zin in de les en besluit om de les niet bij te wonen. Ze is ervan overtuigd dat
de docenten toch niet meekrijgen of ze wel of niet aanwezig is bij de les. Deze overtuiging is een
voorbeeld van
A. Het cognitieve aspect van attitude
B. Het emotionele aspect van attitude
C. Het gedragsaspect van attitude.
5. Persoon X is een beetje bang voor het eerste tentamen. Hij vraagt zich af hoe het tentamen eruit
zal zien en wat hij er precies voor moet leren. Ook probeert hij in te schatten hoe zijn medestudenten
erover denken. Dit zijn voorbeelden van:
A. De subjectieve component van emotie
B. De expressieve component van emotie
C. De fysiologische component van emotie
6. Welke van onderstaande beschrijvingen past het beste bij de psychologische basisbehoefte
‘autonomie’
A. Ik kan het
B. Ik voel me gezien en gewaardeerd
C. Ik kan invloed uitoefenen
7. Wat zijn de basisemoties?
A. Bang, boos, blij, bedroefd
B. Kwaad, jaloers, teleurgesteld, opgewekt
C. Energiek, emotioneel, eenzaam