Begeleiding en samenwerking in de orthopedagogiek
College 1 - inleiding en pedagogische attitude
De taak van de orthopedagoog
1. Begrip ‘Zorg van een goed pedagoog’
2. Je handelen en beslissingen beroepsethisch bepalen en verantwoorden
3. Steun wanneer er eisen of voorwaarden worden gesteld die op gespannen voet
staan met de kwaliteit die de pedagoog wil bieden
4. Norm waaraan het NVO College van Toezicht en NVO College van Beroep het
handelen van pedagogen toetst als een cliënt, een belanghebbende of een
beroepsgenoot een klacht indient
NVO beroepscode
Verantwoordelijkheid
- Zelf verantwoordelijk voor je eigen handelen
- Aanspreekbaar op professionele autonomie (ook tuchtrechtelijk)
- Ook in samenwerking met andere professionals
- Hangt samen met functie en taken
- Ondertekenen = verantwoordelijk voor de inhoud
- In opleiding → afhankelijk van ervaring
Bevoegdheid
Bevoegdheid van medische beroepsbeoefenaren om voorbehouden handelingen te
verrichten en / of daartoe opdracht te geven
- Een verwijzing opstellen
- De eindregie op een diagnostiek brief
- Afgeven instemmingsverklaring gesloten jeugdzorg
Bekwaamheid
Een professional beschikt over voldoende kennis en kunde om werkzaamheden in een
concrete situatie adequaat uit te kunnen voeren
Handel altijd binnen de grenzen van je bekwaamheid
Aantonen in kwaliteitsregisters via (her)registratie
Samenwerking en de beroepscode: Dilemma’s
1. Je hebt een intake met een cliënt van 15 die een hulpvraag heeft over mogelijk
selectief mutisme. In de ontwikkelingsanamnese blijkt dat de cliënt meerdere zeer
traumatische ervaringen heeft meegemaakt, en jij hebt zelf nog weinig cliënten met
trauma behandeld. Wat zou professioneel handelen in dit geval betekenen? (art 16)
a. Beoordelen of je zelf deskundig en bekwaam genoeg bent om deze cliënt te blijven
onderzoeken en behandelen. Zo niet dat doorverwijzen naar iemand anders in het
team of een andere organisatie.
b. De hulpvraag van de cliënt staat altijd voorop, dus je moet het trauma links laten liggen en
focussen op selectief mutisme.
c. Je hebt onvoldoende ervaring met trauma, dus je verwijst de cliënt per direct door.
d. Je vraagt het trauma goed uit, om er een beter beeld van te krijgen, en gaat door met het
onderzoek en de behandeling
, 2. Je hebt een intake met een cliënt. Later blijkt de ouder van het kind, de ex van
jouw huidige partner te zijn. Wat doe je? (art. 23)
a. Je licht de cliënt in van de situatie en zet de professionele relatie daarna pas
voort.
b. Je licht de cliënt in van de situatie en stelt voor door te verwijzen naar een
collega.
c. Je gaat door zonder iets te zeggen, anders maak je het alleen maar
ongemakkelijk.
d. Je wordt boos op je partner dat ze je nooit hebben verteld over deze ex
3. Je schrijft het advies voor een cliënt, waar veel systemisch speelt. Je heb een
gezinsobservatie gedaan en gezien dat het zusje van de cliënt veel tekenen van ASS
vertoont. Je acht het van belang voor het welzijn van het zusje en de cliënt dat zij ook
hulp krijgt en schrijft dit op in het advies. Heeft de professional hier juist gehandeld?
(Art 38)
a. Ja, het is belangrijk dat elk kind de juiste hulp krijgt en dit kind is lid van het
cliëntensysteem, waardoor dit gerapporteerd mag worden.
b. Ja, in het geval dat dit advies van belang wordt geacht voor de cliënt, moet dit vermeld
worden.
c. Nee, in het dossier van de cliënt wordt geen advies gegeven over leden uit het
cliëntsysteem, tenzij in belang van de cliënt wordt geacht en dan moet er nadrukkelijk
toestemming worden gevraagd
d. Nee, het zusje moet om toestemming gevraagd worden
De taak van de orthopedagoog
- Opvoed- en gedragsdeskundige
- Bevindingen van betrokken specialisten coördineren, terugbrengen naar ‘dit
specifieke kind in deze specifieke (problematische) opvoedingssituatie’ en dit
verwerken → herstel van het gewone leven
- Tegemoetkomen aan de basisbehoeften van ieder mens:
> relatie
> competentie
> autonomie
> echtheid / betekenisvolheid
Altijd passend bij de ontwikkelingsfase van kinderen
Positieve grondhouding
- Je krijgt pas respect als je het zelf geeft → toon belangstelling en oprechte interesse
in de ander
- Kinderen en ouders als deskundigen
- Geef het goede voorbeeld:
> Jij bent ook maar een mens!
> Modellen dat fouten maken gebeurt, dat je als mens kan verdragen en op kunt
lossen
> Modellen dat wrijving en emoties er mogen zijn, en dat je die kunt reguleren
> Modellen dat ruzie of conflict besproken en uitgepraat kan worden
> Modellen dat agree to disagree kan en mag bestaan
> op tijd komen, aan regels houden
,Kijk achter het gedrag
- moeilijk gedrag is de beste optie op dat moment
- communicatiemiddel om verborgen gevoelens te ventileren
- onmacht ipv onwil
Goede instructie en oefening (groeps- en klassenmanagement)
- herhaal
- kort
- help met tijd en planning, timer, stukjes opbreken, structuur aanbrengen
- Herhaal
- toepasbaarheid → intrinsieke motivatie
- Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky)
- Maak voorspelbaar
- Maak visueel
Relatie en interactie
- Vertrouwensband en oprecht interesse, onvoorwaardelijke acceptatie
- Oog voor positieve kanten
- Duidelijke communicatie over wat jij zelf ziet en voelt
- Growth vs. fixed mindset
- Toegeven verlegt grenzen
- Liever vragen dan vertellen
> Klopt het dat..
> Sommige jongeren.. hoe zit dat bij jou?
> Ik zie dat je … klopt dat?
> Ik zou me … voelen als ik dat zou meemaken. Hoe is dat voor jou?
- Non-verbaal contact
Overstijgende vaardigheden (meso-/ macroniveau)
- Meerzijdige partijdigheid: je bent er voor het kind, maar ook zorgen dat niemand in
het gezelschap / systeem zich achtergesteld of niet gehoord voelt, alle belangen
wegen evenveel, bezig met de beleving van alle deelnemers te erkennen
- Werksfeer en teamgeest ‘leren van elkaar’
- Goed taalbeleid (bv. visuele ondersteuning, tolk)
Begeleiding in het algemeen: basisvoorwaarden
Eerst
- Is het gewone, alledaagse wel in orde?
- Is er iemand helemaal voor dit kind?
Daarna
- Waar zit bij dit kind het tekort aan eigen sturend, probleemoplossend vermogen?
- Waar komt dat door? (bijv. negatieve invloeden van buitenaf,
informatieverwerkingsproblemen etc.)
- Aanleg, omgeving of de wisselwerking tussen beide?
- Vaak vanuit diagnostiek (deels) bekend
In de basis:
- structuur bieden (evenwicht vinden tussen grenzen stellen en ruimte geven)
, - Talenten en positieve factoren bekrachtigen
- Omgeving aanpassen: samen zoeken naar een adequaat opvoedingsmilieu, dat
uitdaagt en rekening houdt met gevoeligheden
Omgevingsfactoren
- spanningen thuis
- Maatschappelijke problemen
- Trauma’s
De omgeving heeft een grote rol in het ontstaan en instandhouden van problemen → altijd
betrekken!
- Brussen
- hoeft niet altijd therapie te zijn
Theorieën over behandeling
● Psycho-educatie (onderdeel van een behandeling, meestal begin je hiermee)
1. Inzichtgevende, psychodynamische benadering
2. Cognitief-gedragstherapeutische benadering
3. Experiëntiële, ervaringsgerichte benadering
4. Systeemtheoretische benadering
5. Neurologische benadering
1. Inzichtgevende, psychodynamische benadering
- De mens als subject, zoeken naar het waarom van het gedrag
- Problemen alleen oplosbaar in vertrouwensrelatie met de ander
- Samen de betekenis van problemen uitzoeken
- Oog voor de binnenwereld van het kind
- Welke opvoedingsvraag ‘stelt’ het kind (vaak non-verbaal) via zijn
gedragsproblemen? Waar moet ‘op worden gehandeld’?
3 aspecten die mogelijk extra aandacht vereisen (Kok, 1997)
1. Affectief: gevoelens kunnen ervaren, gevoelsmatig aanspreekbaar kunnen
zijn
2. Cognitief: het vermogen om met allerlei structuren in de leefwereld om te
gaan
3. Conatief: de eigenheid, het kiezen vanuit zichzelf, het vermogen ergens naar
te streven, zelf iets te willen
- Kok spreekt bij stagnering in het opvoedproces over een orthopedagogische
vraagstelling: een vraag om specifiek opvoeden die het kind met zijn gedrag
demonstreert
3 strategieën bij het specifiek opvoeden
- Eerstegraadsstrategie: specifiek hanteren van het opvoedproces als geheel, dus
zowel het op specifieke wijze gestalte geven aan relatie en klimaat als aan de
situatiehantering binnen het geheel van de situatie
- Tweedegraadsstrategie: specifieke ondersteuning binnen de totale leefsituatie van
het kind door therapieën
- Derdegraadsstrategie: hoe bij dit specifieke kind met zijn eigenheid individuele
variaties in de aanpak van belang kunnen zijn
College 1 - inleiding en pedagogische attitude
De taak van de orthopedagoog
1. Begrip ‘Zorg van een goed pedagoog’
2. Je handelen en beslissingen beroepsethisch bepalen en verantwoorden
3. Steun wanneer er eisen of voorwaarden worden gesteld die op gespannen voet
staan met de kwaliteit die de pedagoog wil bieden
4. Norm waaraan het NVO College van Toezicht en NVO College van Beroep het
handelen van pedagogen toetst als een cliënt, een belanghebbende of een
beroepsgenoot een klacht indient
NVO beroepscode
Verantwoordelijkheid
- Zelf verantwoordelijk voor je eigen handelen
- Aanspreekbaar op professionele autonomie (ook tuchtrechtelijk)
- Ook in samenwerking met andere professionals
- Hangt samen met functie en taken
- Ondertekenen = verantwoordelijk voor de inhoud
- In opleiding → afhankelijk van ervaring
Bevoegdheid
Bevoegdheid van medische beroepsbeoefenaren om voorbehouden handelingen te
verrichten en / of daartoe opdracht te geven
- Een verwijzing opstellen
- De eindregie op een diagnostiek brief
- Afgeven instemmingsverklaring gesloten jeugdzorg
Bekwaamheid
Een professional beschikt over voldoende kennis en kunde om werkzaamheden in een
concrete situatie adequaat uit te kunnen voeren
Handel altijd binnen de grenzen van je bekwaamheid
Aantonen in kwaliteitsregisters via (her)registratie
Samenwerking en de beroepscode: Dilemma’s
1. Je hebt een intake met een cliënt van 15 die een hulpvraag heeft over mogelijk
selectief mutisme. In de ontwikkelingsanamnese blijkt dat de cliënt meerdere zeer
traumatische ervaringen heeft meegemaakt, en jij hebt zelf nog weinig cliënten met
trauma behandeld. Wat zou professioneel handelen in dit geval betekenen? (art 16)
a. Beoordelen of je zelf deskundig en bekwaam genoeg bent om deze cliënt te blijven
onderzoeken en behandelen. Zo niet dat doorverwijzen naar iemand anders in het
team of een andere organisatie.
b. De hulpvraag van de cliënt staat altijd voorop, dus je moet het trauma links laten liggen en
focussen op selectief mutisme.
c. Je hebt onvoldoende ervaring met trauma, dus je verwijst de cliënt per direct door.
d. Je vraagt het trauma goed uit, om er een beter beeld van te krijgen, en gaat door met het
onderzoek en de behandeling
, 2. Je hebt een intake met een cliënt. Later blijkt de ouder van het kind, de ex van
jouw huidige partner te zijn. Wat doe je? (art. 23)
a. Je licht de cliënt in van de situatie en zet de professionele relatie daarna pas
voort.
b. Je licht de cliënt in van de situatie en stelt voor door te verwijzen naar een
collega.
c. Je gaat door zonder iets te zeggen, anders maak je het alleen maar
ongemakkelijk.
d. Je wordt boos op je partner dat ze je nooit hebben verteld over deze ex
3. Je schrijft het advies voor een cliënt, waar veel systemisch speelt. Je heb een
gezinsobservatie gedaan en gezien dat het zusje van de cliënt veel tekenen van ASS
vertoont. Je acht het van belang voor het welzijn van het zusje en de cliënt dat zij ook
hulp krijgt en schrijft dit op in het advies. Heeft de professional hier juist gehandeld?
(Art 38)
a. Ja, het is belangrijk dat elk kind de juiste hulp krijgt en dit kind is lid van het
cliëntensysteem, waardoor dit gerapporteerd mag worden.
b. Ja, in het geval dat dit advies van belang wordt geacht voor de cliënt, moet dit vermeld
worden.
c. Nee, in het dossier van de cliënt wordt geen advies gegeven over leden uit het
cliëntsysteem, tenzij in belang van de cliënt wordt geacht en dan moet er nadrukkelijk
toestemming worden gevraagd
d. Nee, het zusje moet om toestemming gevraagd worden
De taak van de orthopedagoog
- Opvoed- en gedragsdeskundige
- Bevindingen van betrokken specialisten coördineren, terugbrengen naar ‘dit
specifieke kind in deze specifieke (problematische) opvoedingssituatie’ en dit
verwerken → herstel van het gewone leven
- Tegemoetkomen aan de basisbehoeften van ieder mens:
> relatie
> competentie
> autonomie
> echtheid / betekenisvolheid
Altijd passend bij de ontwikkelingsfase van kinderen
Positieve grondhouding
- Je krijgt pas respect als je het zelf geeft → toon belangstelling en oprechte interesse
in de ander
- Kinderen en ouders als deskundigen
- Geef het goede voorbeeld:
> Jij bent ook maar een mens!
> Modellen dat fouten maken gebeurt, dat je als mens kan verdragen en op kunt
lossen
> Modellen dat wrijving en emoties er mogen zijn, en dat je die kunt reguleren
> Modellen dat ruzie of conflict besproken en uitgepraat kan worden
> Modellen dat agree to disagree kan en mag bestaan
> op tijd komen, aan regels houden
,Kijk achter het gedrag
- moeilijk gedrag is de beste optie op dat moment
- communicatiemiddel om verborgen gevoelens te ventileren
- onmacht ipv onwil
Goede instructie en oefening (groeps- en klassenmanagement)
- herhaal
- kort
- help met tijd en planning, timer, stukjes opbreken, structuur aanbrengen
- Herhaal
- toepasbaarheid → intrinsieke motivatie
- Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky)
- Maak voorspelbaar
- Maak visueel
Relatie en interactie
- Vertrouwensband en oprecht interesse, onvoorwaardelijke acceptatie
- Oog voor positieve kanten
- Duidelijke communicatie over wat jij zelf ziet en voelt
- Growth vs. fixed mindset
- Toegeven verlegt grenzen
- Liever vragen dan vertellen
> Klopt het dat..
> Sommige jongeren.. hoe zit dat bij jou?
> Ik zie dat je … klopt dat?
> Ik zou me … voelen als ik dat zou meemaken. Hoe is dat voor jou?
- Non-verbaal contact
Overstijgende vaardigheden (meso-/ macroniveau)
- Meerzijdige partijdigheid: je bent er voor het kind, maar ook zorgen dat niemand in
het gezelschap / systeem zich achtergesteld of niet gehoord voelt, alle belangen
wegen evenveel, bezig met de beleving van alle deelnemers te erkennen
- Werksfeer en teamgeest ‘leren van elkaar’
- Goed taalbeleid (bv. visuele ondersteuning, tolk)
Begeleiding in het algemeen: basisvoorwaarden
Eerst
- Is het gewone, alledaagse wel in orde?
- Is er iemand helemaal voor dit kind?
Daarna
- Waar zit bij dit kind het tekort aan eigen sturend, probleemoplossend vermogen?
- Waar komt dat door? (bijv. negatieve invloeden van buitenaf,
informatieverwerkingsproblemen etc.)
- Aanleg, omgeving of de wisselwerking tussen beide?
- Vaak vanuit diagnostiek (deels) bekend
In de basis:
- structuur bieden (evenwicht vinden tussen grenzen stellen en ruimte geven)
, - Talenten en positieve factoren bekrachtigen
- Omgeving aanpassen: samen zoeken naar een adequaat opvoedingsmilieu, dat
uitdaagt en rekening houdt met gevoeligheden
Omgevingsfactoren
- spanningen thuis
- Maatschappelijke problemen
- Trauma’s
De omgeving heeft een grote rol in het ontstaan en instandhouden van problemen → altijd
betrekken!
- Brussen
- hoeft niet altijd therapie te zijn
Theorieën over behandeling
● Psycho-educatie (onderdeel van een behandeling, meestal begin je hiermee)
1. Inzichtgevende, psychodynamische benadering
2. Cognitief-gedragstherapeutische benadering
3. Experiëntiële, ervaringsgerichte benadering
4. Systeemtheoretische benadering
5. Neurologische benadering
1. Inzichtgevende, psychodynamische benadering
- De mens als subject, zoeken naar het waarom van het gedrag
- Problemen alleen oplosbaar in vertrouwensrelatie met de ander
- Samen de betekenis van problemen uitzoeken
- Oog voor de binnenwereld van het kind
- Welke opvoedingsvraag ‘stelt’ het kind (vaak non-verbaal) via zijn
gedragsproblemen? Waar moet ‘op worden gehandeld’?
3 aspecten die mogelijk extra aandacht vereisen (Kok, 1997)
1. Affectief: gevoelens kunnen ervaren, gevoelsmatig aanspreekbaar kunnen
zijn
2. Cognitief: het vermogen om met allerlei structuren in de leefwereld om te
gaan
3. Conatief: de eigenheid, het kiezen vanuit zichzelf, het vermogen ergens naar
te streven, zelf iets te willen
- Kok spreekt bij stagnering in het opvoedproces over een orthopedagogische
vraagstelling: een vraag om specifiek opvoeden die het kind met zijn gedrag
demonstreert
3 strategieën bij het specifiek opvoeden
- Eerstegraadsstrategie: specifiek hanteren van het opvoedproces als geheel, dus
zowel het op specifieke wijze gestalte geven aan relatie en klimaat als aan de
situatiehantering binnen het geheel van de situatie
- Tweedegraadsstrategie: specifieke ondersteuning binnen de totale leefsituatie van
het kind door therapieën
- Derdegraadsstrategie: hoe bij dit specifieke kind met zijn eigenheid individuele
variaties in de aanpak van belang kunnen zijn