Thema 7
HC 28 Mammae en lactatie
Embryonale ontwikkeling van de mammae (melkklierpakketten):
Van oorsprong waren melkklieren zweetklieren, maar deze zijn nu
gespecialiseerd en komen langs een specifieke plek langs de zogenaamde
melklijsten (epidermis) te liggen. Deze melklijsten lagen eerst vrij hoog
maar zijn gaan afdalen naar een meer ventrale positie. Hierlangs komen de
melkklieren te liggen; van oksel tot lies. Afhankelijk van de diersoort vindt
er ergens doorgroei plaats van het melkklierweefsel; deze
doorontwikkeling vindt niet overal plaats, die plekken gaan dan vrij snel in
regressie. De rest ontwikkelt zich verder door tot een melkknop (primaire
mammybud): dit is een verdikking van de epidermis, een bultje op de huid.
De melkknop gaat ingroeien in de dermis en vormt vertakkingen
(uiteindelijk secundaier knop. Er gaan kanaaltjes ontstaat (canalisatie);
primaire buisjes zonder klierweefsel. Daarnaast vindt er tepelvorming
plaats en gaat de melkknop meer naar ventraal. Deze ontwikkeling vindt
plaats voor de geboorte.
Tijdens de puberteit gaan de melkklierpakketten meer doorgroeien. De
ductuli ontwikkelen zich door de hogere concentraties van o.a.
oestrogeen, prolactine en groeihormoon. De ontwikkeling van het
alveolair weefsel aan het einde van de ducutli wordt gestimuleerd door
progesteron. Tijdens de eerste zwangerschap neemt het alveolair weefsel
flink toe onder invloed van progesteron; bij volgende drachten zal het
alveolair weefsel nog steeds toenemen.
Positie tepels en tepelkanalen:
o Bij sommige diersoorten eindigen meerdere afvoerkanalen (dus
klieren) op één tepel.
o Bij varken: twee tepelkanalen/klieren per tepel, daarnaast komt de
hele lijst tot ontwikkeling.
o Bij hond/kat: meerdere kliertjes op één tepel
o Bij primaten, mens en olifanten: meer axillaire, hoge ontwikkeling van
de melkklierpakketten, meerdere klieren op één tepel
o Bij rund: één klier op één tepel, in totaal 4 tepels
o Bij geit: twee klieren met maar één tepelkanaal
o Bij paard: melkklierpakketten in inguinale positie en 2 kanalen per tepel. Bij het paard is een
uierinjectie niet mogelijk omdat de kanalen dus nauwer zijn (schade!) en daarnaast behandel je
dan niet het hele uierkwartier.
Het
uier
is
opgebouwd uit:
HC 28 Mammae en lactatie
Embryonale ontwikkeling van de mammae (melkklierpakketten):
Van oorsprong waren melkklieren zweetklieren, maar deze zijn nu
gespecialiseerd en komen langs een specifieke plek langs de zogenaamde
melklijsten (epidermis) te liggen. Deze melklijsten lagen eerst vrij hoog
maar zijn gaan afdalen naar een meer ventrale positie. Hierlangs komen de
melkklieren te liggen; van oksel tot lies. Afhankelijk van de diersoort vindt
er ergens doorgroei plaats van het melkklierweefsel; deze
doorontwikkeling vindt niet overal plaats, die plekken gaan dan vrij snel in
regressie. De rest ontwikkelt zich verder door tot een melkknop (primaire
mammybud): dit is een verdikking van de epidermis, een bultje op de huid.
De melkknop gaat ingroeien in de dermis en vormt vertakkingen
(uiteindelijk secundaier knop. Er gaan kanaaltjes ontstaat (canalisatie);
primaire buisjes zonder klierweefsel. Daarnaast vindt er tepelvorming
plaats en gaat de melkknop meer naar ventraal. Deze ontwikkeling vindt
plaats voor de geboorte.
Tijdens de puberteit gaan de melkklierpakketten meer doorgroeien. De
ductuli ontwikkelen zich door de hogere concentraties van o.a.
oestrogeen, prolactine en groeihormoon. De ontwikkeling van het
alveolair weefsel aan het einde van de ducutli wordt gestimuleerd door
progesteron. Tijdens de eerste zwangerschap neemt het alveolair weefsel
flink toe onder invloed van progesteron; bij volgende drachten zal het
alveolair weefsel nog steeds toenemen.
Positie tepels en tepelkanalen:
o Bij sommige diersoorten eindigen meerdere afvoerkanalen (dus
klieren) op één tepel.
o Bij varken: twee tepelkanalen/klieren per tepel, daarnaast komt de
hele lijst tot ontwikkeling.
o Bij hond/kat: meerdere kliertjes op één tepel
o Bij primaten, mens en olifanten: meer axillaire, hoge ontwikkeling van
de melkklierpakketten, meerdere klieren op één tepel
o Bij rund: één klier op één tepel, in totaal 4 tepels
o Bij geit: twee klieren met maar één tepelkanaal
o Bij paard: melkklierpakketten in inguinale positie en 2 kanalen per tepel. Bij het paard is een
uierinjectie niet mogelijk omdat de kanalen dus nauwer zijn (schade!) en daarnaast behandel je
dan niet het hele uierkwartier.
Het
uier
is
opgebouwd uit: