Inleiding Strafrecht
Filmpjes week 1
Structuur strafbaar feit:
- Een vaste structuur om iemand daadwerkelijk strafrechtelijk aansprakelijk te stellen
- Het vier voorwaarden/lagen model voor vaststelling van strafbaarheid
1. Een menselijke gedraging
2. De gedraging moet binnen een wettelijke delictsomschrijving vallen
3. De gedraging moet wederrechtelijk zijn
Handelen in strijd met het objectief geldende recht
4. De gedraging moet verwijtbaar zijn (aan schuld te wijten)
De verdachte had anders kunnen handelen, maar heeft dat niet
gedaan. Het strafbare handelen was te vermijden en dat valt de
verdachte te verwijten
Vermijdbare verwijtbaarheid of verwijtbare vermijdbaarheid
Subjectieve voorwaarde: voorwaarde ziet op de persoon van de dader
- Niet elk strafbaar feit heeft deze zelfde structuur (hangt af van de manier waarop de
wetgever een wettelijk strafbaar feit heeft opgebouwd en vormgegeven)
o Ideaaltypische delictsomschrijvingen structuur:
Eerste en tweede voorwaarde zijn door de wetgever neergelegd in de
wettelijke delictsomschrijving (vereiste menselijke gedraging staat als
norm verankerd in een wettelijk voorschrift, dat niet mag worden
geschonden)
Eerste en tweede voorwaarden worden bestanddelen genoemd, deze
moeten door de rechter bewezen worden geacht
Derde en vierde voorwaarden worden elementen genoemd, deze
voorwaarden hoeven niet bewezen worden geacht, maar mogen
verondersteld aanwezig te zijn, zodra de bestanddelen bewezen zijn
geacht
o Niet-ideaaltypische delictsomschrijvingen structuur:
De eerste, tweede, derde en/of vierde voorwaarde zijn allemaal
bestanddelen, ze moeten (bijna) allemaal bewezen worden geacht
Voorbeeld: vernieling
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
- Niet-ideaaltypische delictsomschrijving
- Wederrechtelijkheid moet als bestanddeel bewezen worden geacht voordat er
sprake kan zijn van strafbaarheid van de verdachte voor het delict vernieling
Voorbeeld: veroorzaken van de dood of van lichamelijk letsel door schuld
Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboeten van de vierde categorie.
- Niet-ideaaltypische delictsomschrijving
- Aan schuld te wijten verwijtbaarheid dient als bestanddeel bewezen te worden
geacht
,Voorbeeld: doodslag
Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
- Opzet is een bestanddeel en moet bewezen worden geacht
Wettelijke schuldvormen:
1. Opzet
2. Culpa (aan schuld te wijten)
Schuldverwijt is in beide gevallen taalkundig anders verwoord en hier gaat een groot verschil
in strafmaximum mee gepaard.
Betekenis van het opzet:
- Willens en wetens: dader wist wat hij deed en wilde dat ook
- Opzet is kleurloos: het gaat niet om het onderliggende motief van de dader (waarom
iemand iets heeft gedaan, zoals met kwade bedoelingen of uit zelfverdediging)
Bewijsgradatie van opzet:
- Voorwaardelijk opzet/opzet met mogelijkheidsbewustzijn: het bewust zijn van de
mogelijkheid op het gevolg
- Willens en wetens de aanmerkelijke kans op het strafbare gevolg aanvaarden
o Er bestaat een aanmerkelijke kans op het strafbare gevolg, deze aanmerkelijke
kans is willens en wetens aanvaard door de verdachte, gelet op zijn handelen
o Er kan een wil op dat gevolg worden opgemaakt
Betekenis culpa:
- Een verwijtbare, een grove mate van onachtzaamheid of onvoorzichtigheid bij de
verdachte
- Ziet niet op de wil van de verdachte (in tegenstelling tot opzet)
o Wil van de verdachte op het strafbaar gestelde gevolg ontbreekt bij deze
wettelijke schuldvorm van culpa
Doleuze delicten:
- Wettelijke delicten met opzet als bestanddeel
- Hoger strafmaximum dan bij delicten met culpa als bestanddeel (culpoze delicten)
o Omdat het handelen met de wil op het gevolg (doleuze delicten) veel
ernstiger is dan het niet willend handelen bij de culpoze delicten
Bewijsgradaties van culpa:
- Onbewuste culpa
o Persoon denkt niet na over zijn handelen, maar had dit wel moeten doen. Het
is hem te verwijten, omdat hij het had kunnen en moeten vermijden
- Bewuste culpa
o Persoon denkt nu wel na over zijn handelen, maar gelooft ten onrechte in een
goede afloop
- Roekeloosheid
o Moet door de wetgever als afzonderlijke vorm van culpa door de wetgever zijn
benoemd in de wet
,Opzet vs. culpa
- Voorwaardelijk opzet en bewuste culpa liggen dicht bij elkaar
o Voorwaardelijk opzet: de verdachte is zich bewust van een aanmerkelijke
kans en aanvaard ook deze kans, in die aanvaarding ligt een wilselement
besloten
o Bewuste culpa: er is sprake van een bewustheid omdat de verdachte nadenkt
over zijn handelen en het mogelijke gevolg, maar in die situatie is er geen wil
aanwezig
Verwijtbaarheid is een manier om het begrip schuld te duiden en is de vierde voorwaarde
van de structuur van een strafbaar feit
- Is een element en wordt geacht aanwezig te zijn, tenzij sprake is van bijzondere
omstandigheden (strafuitsluitingsgronden)
Verwijtbaarheid is een vast onderdeel van culpa
- Verwijtbaarheid is hierbij geen element maar een bestanddeel
- Als het bestanddeel culpa in de wettelijke delictsomschrijving is opgenomen, is de
verwijtbaarheid niet langer een element maar een bestanddeel
o Culpoze delicten zijn daarom niet-ideaaltypische delictsomschrijvingen
Verwijtbaarheid is geen onderdeel van opzet
- Opzet en verwijtbaarheid dienen los te worden beschouwd
- Er kan van willens en wetens handelen sprake zijn zonder dat er sprake is van
verwijtbaarheid
- Verwijtbaarheid is hierbij dus niet (altijd) een bestanddeel, maar (meestal) een
element
- Bij doleuze delicten is de verwijtbaarheid in beginsel nog steeds een element, en
speelt dus niet op bestanddeel-niveau
Voorbeeld scheiding opzet en verwijtbaarheid:
- Verdachte heeft in een psychose iemand om het leven gebracht in de overtuiging dat
diegene het op hem en zijn familie had gemunt
o Verdachte handelt opzettelijk, heeft de ander willens en wetens om het leven
gebracht
o Verdachte kan juridisch geen verwijt worden gemaakt, omdat hij
ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard vanwege een psychische stoornis
Hoorcollege 1
Strafrecht: het bepalen van wat strafbaar en verboden is, via het stellen van een norm
- En: het handhaven van de naleving van dat verbod cq die norm en doorpakken indien
nodig. Doorpakken met opsporing, vervolging, berechting en bestraffing
o Nodig voor de effectiviteit van het systeem, anders is het een loze
norm(stelling)
o Maar: niet alles mag, ook al zou het effectief zijn, er is namelijk sprake van
rechtsbescherming (rechten van burgers moeten beschermd worden)
, Materieel strafrecht (strafrecht):
- Regelt wie, voor welk gedrag en onder welke omstandigheden, strafbaar is en welke
sanctie kan volgen
- Normstelling: strafbaar feit is schending van materiële norm
Formeel strafrecht (strafprocesrecht):
- Regelt de opsporing, vervolging en berechting
- Juridisch mogelijk maken en – tegelijkertijd – normeren van de strafrechtspleging
door de overheid
- Oftewel: het wettigt (ingrijpend) optreden van de overheid jegens de burger –
instrumentaliteit – en beperkt tegelijkertijd dat optreden – rechtsbescherming
- Bij dat overheidsoptreden: opsporingsbevoegdheden toegekend aan ambtenaren en
in mindere mate ook aan burgers
Formeel en materieel strafrecht lijken gescheiden vakgebieden, maar ze zijn onderling sterk
verbonden
- Formeel strafrecht heeft een schakelfunctie tussen kort gezegd “een strafbaar feit en
de op te leggen sanctie”
- Strafbaar feit met bijbehorende sanctiebepalingen is ook van invloed op
formeelrechtelijke beslissingen
- Sanctierecht (voorwaarden w.o. de sanctie mag worden opgelegd en ten uitvoer
gelegd) zowel in het wetboek van strafrecht als wetboek van strafvordering
Wetboek van Strafvordering
- 6 boeken in de chronologie van het strafproces
- Thans is een grootscheeps moderniseringsproces gaande
Wetboek van Strafrecht
- Boek I: algemene leerstukken
o Schakelbepaling art. 91 Sr: Boek I is ook van toepassing op bij andere wetten
of verordeningen strafbaar gestelde feiten
- Boek II: misdrijven
- Boek III: overtredingen
Onderscheid binnen strafrecht:
- Commuun: strikt genomen het geheel van strafbare feiten zoals omschreven in
boeken II en III WbSr
- Bijzonder: bijzondere wetten zoals Opiumwet, WVW en WED
o Genormeerd door boek I WbSr, ze behelzen zowel materieel (wat is strafbaar)
als formeel strafrecht (wat mag de politie wel of niet)
Legaliteitsbeginsel
- De Verlichting – Beccaria:
o Rechtszekerheid d.m.v. geschreven wetgeving
o Wetgeving dus belangrijkste rechtsbron/kennisbron
o Beccaria en strafrecht: literatuurstuk Broers
Filmpjes week 1
Structuur strafbaar feit:
- Een vaste structuur om iemand daadwerkelijk strafrechtelijk aansprakelijk te stellen
- Het vier voorwaarden/lagen model voor vaststelling van strafbaarheid
1. Een menselijke gedraging
2. De gedraging moet binnen een wettelijke delictsomschrijving vallen
3. De gedraging moet wederrechtelijk zijn
Handelen in strijd met het objectief geldende recht
4. De gedraging moet verwijtbaar zijn (aan schuld te wijten)
De verdachte had anders kunnen handelen, maar heeft dat niet
gedaan. Het strafbare handelen was te vermijden en dat valt de
verdachte te verwijten
Vermijdbare verwijtbaarheid of verwijtbare vermijdbaarheid
Subjectieve voorwaarde: voorwaarde ziet op de persoon van de dader
- Niet elk strafbaar feit heeft deze zelfde structuur (hangt af van de manier waarop de
wetgever een wettelijk strafbaar feit heeft opgebouwd en vormgegeven)
o Ideaaltypische delictsomschrijvingen structuur:
Eerste en tweede voorwaarde zijn door de wetgever neergelegd in de
wettelijke delictsomschrijving (vereiste menselijke gedraging staat als
norm verankerd in een wettelijk voorschrift, dat niet mag worden
geschonden)
Eerste en tweede voorwaarden worden bestanddelen genoemd, deze
moeten door de rechter bewezen worden geacht
Derde en vierde voorwaarden worden elementen genoemd, deze
voorwaarden hoeven niet bewezen worden geacht, maar mogen
verondersteld aanwezig te zijn, zodra de bestanddelen bewezen zijn
geacht
o Niet-ideaaltypische delictsomschrijvingen structuur:
De eerste, tweede, derde en/of vierde voorwaarde zijn allemaal
bestanddelen, ze moeten (bijna) allemaal bewezen worden geacht
Voorbeeld: vernieling
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander
toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
- Niet-ideaaltypische delictsomschrijving
- Wederrechtelijkheid moet als bestanddeel bewezen worden geacht voordat er
sprake kan zijn van strafbaarheid van de verdachte voor het delict vernieling
Voorbeeld: veroorzaken van de dood of van lichamelijk letsel door schuld
Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste twee jaren of geldboeten van de vierde categorie.
- Niet-ideaaltypische delictsomschrijving
- Aan schuld te wijten verwijtbaarheid dient als bestanddeel bewezen te worden
geacht
,Voorbeeld: doodslag
Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
- Opzet is een bestanddeel en moet bewezen worden geacht
Wettelijke schuldvormen:
1. Opzet
2. Culpa (aan schuld te wijten)
Schuldverwijt is in beide gevallen taalkundig anders verwoord en hier gaat een groot verschil
in strafmaximum mee gepaard.
Betekenis van het opzet:
- Willens en wetens: dader wist wat hij deed en wilde dat ook
- Opzet is kleurloos: het gaat niet om het onderliggende motief van de dader (waarom
iemand iets heeft gedaan, zoals met kwade bedoelingen of uit zelfverdediging)
Bewijsgradatie van opzet:
- Voorwaardelijk opzet/opzet met mogelijkheidsbewustzijn: het bewust zijn van de
mogelijkheid op het gevolg
- Willens en wetens de aanmerkelijke kans op het strafbare gevolg aanvaarden
o Er bestaat een aanmerkelijke kans op het strafbare gevolg, deze aanmerkelijke
kans is willens en wetens aanvaard door de verdachte, gelet op zijn handelen
o Er kan een wil op dat gevolg worden opgemaakt
Betekenis culpa:
- Een verwijtbare, een grove mate van onachtzaamheid of onvoorzichtigheid bij de
verdachte
- Ziet niet op de wil van de verdachte (in tegenstelling tot opzet)
o Wil van de verdachte op het strafbaar gestelde gevolg ontbreekt bij deze
wettelijke schuldvorm van culpa
Doleuze delicten:
- Wettelijke delicten met opzet als bestanddeel
- Hoger strafmaximum dan bij delicten met culpa als bestanddeel (culpoze delicten)
o Omdat het handelen met de wil op het gevolg (doleuze delicten) veel
ernstiger is dan het niet willend handelen bij de culpoze delicten
Bewijsgradaties van culpa:
- Onbewuste culpa
o Persoon denkt niet na over zijn handelen, maar had dit wel moeten doen. Het
is hem te verwijten, omdat hij het had kunnen en moeten vermijden
- Bewuste culpa
o Persoon denkt nu wel na over zijn handelen, maar gelooft ten onrechte in een
goede afloop
- Roekeloosheid
o Moet door de wetgever als afzonderlijke vorm van culpa door de wetgever zijn
benoemd in de wet
,Opzet vs. culpa
- Voorwaardelijk opzet en bewuste culpa liggen dicht bij elkaar
o Voorwaardelijk opzet: de verdachte is zich bewust van een aanmerkelijke
kans en aanvaard ook deze kans, in die aanvaarding ligt een wilselement
besloten
o Bewuste culpa: er is sprake van een bewustheid omdat de verdachte nadenkt
over zijn handelen en het mogelijke gevolg, maar in die situatie is er geen wil
aanwezig
Verwijtbaarheid is een manier om het begrip schuld te duiden en is de vierde voorwaarde
van de structuur van een strafbaar feit
- Is een element en wordt geacht aanwezig te zijn, tenzij sprake is van bijzondere
omstandigheden (strafuitsluitingsgronden)
Verwijtbaarheid is een vast onderdeel van culpa
- Verwijtbaarheid is hierbij geen element maar een bestanddeel
- Als het bestanddeel culpa in de wettelijke delictsomschrijving is opgenomen, is de
verwijtbaarheid niet langer een element maar een bestanddeel
o Culpoze delicten zijn daarom niet-ideaaltypische delictsomschrijvingen
Verwijtbaarheid is geen onderdeel van opzet
- Opzet en verwijtbaarheid dienen los te worden beschouwd
- Er kan van willens en wetens handelen sprake zijn zonder dat er sprake is van
verwijtbaarheid
- Verwijtbaarheid is hierbij dus niet (altijd) een bestanddeel, maar (meestal) een
element
- Bij doleuze delicten is de verwijtbaarheid in beginsel nog steeds een element, en
speelt dus niet op bestanddeel-niveau
Voorbeeld scheiding opzet en verwijtbaarheid:
- Verdachte heeft in een psychose iemand om het leven gebracht in de overtuiging dat
diegene het op hem en zijn familie had gemunt
o Verdachte handelt opzettelijk, heeft de ander willens en wetens om het leven
gebracht
o Verdachte kan juridisch geen verwijt worden gemaakt, omdat hij
ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard vanwege een psychische stoornis
Hoorcollege 1
Strafrecht: het bepalen van wat strafbaar en verboden is, via het stellen van een norm
- En: het handhaven van de naleving van dat verbod cq die norm en doorpakken indien
nodig. Doorpakken met opsporing, vervolging, berechting en bestraffing
o Nodig voor de effectiviteit van het systeem, anders is het een loze
norm(stelling)
o Maar: niet alles mag, ook al zou het effectief zijn, er is namelijk sprake van
rechtsbescherming (rechten van burgers moeten beschermd worden)
, Materieel strafrecht (strafrecht):
- Regelt wie, voor welk gedrag en onder welke omstandigheden, strafbaar is en welke
sanctie kan volgen
- Normstelling: strafbaar feit is schending van materiële norm
Formeel strafrecht (strafprocesrecht):
- Regelt de opsporing, vervolging en berechting
- Juridisch mogelijk maken en – tegelijkertijd – normeren van de strafrechtspleging
door de overheid
- Oftewel: het wettigt (ingrijpend) optreden van de overheid jegens de burger –
instrumentaliteit – en beperkt tegelijkertijd dat optreden – rechtsbescherming
- Bij dat overheidsoptreden: opsporingsbevoegdheden toegekend aan ambtenaren en
in mindere mate ook aan burgers
Formeel en materieel strafrecht lijken gescheiden vakgebieden, maar ze zijn onderling sterk
verbonden
- Formeel strafrecht heeft een schakelfunctie tussen kort gezegd “een strafbaar feit en
de op te leggen sanctie”
- Strafbaar feit met bijbehorende sanctiebepalingen is ook van invloed op
formeelrechtelijke beslissingen
- Sanctierecht (voorwaarden w.o. de sanctie mag worden opgelegd en ten uitvoer
gelegd) zowel in het wetboek van strafrecht als wetboek van strafvordering
Wetboek van Strafvordering
- 6 boeken in de chronologie van het strafproces
- Thans is een grootscheeps moderniseringsproces gaande
Wetboek van Strafrecht
- Boek I: algemene leerstukken
o Schakelbepaling art. 91 Sr: Boek I is ook van toepassing op bij andere wetten
of verordeningen strafbaar gestelde feiten
- Boek II: misdrijven
- Boek III: overtredingen
Onderscheid binnen strafrecht:
- Commuun: strikt genomen het geheel van strafbare feiten zoals omschreven in
boeken II en III WbSr
- Bijzonder: bijzondere wetten zoals Opiumwet, WVW en WED
o Genormeerd door boek I WbSr, ze behelzen zowel materieel (wat is strafbaar)
als formeel strafrecht (wat mag de politie wel of niet)
Legaliteitsbeginsel
- De Verlichting – Beccaria:
o Rechtszekerheid d.m.v. geschreven wetgeving
o Wetgeving dus belangrijkste rechtsbron/kennisbron
o Beccaria en strafrecht: literatuurstuk Broers