Uiteenvallen West-Romeinse Rijk -> Minder handel & steden en West-Europa
werd agrarische samenleving met ruilen van producten onderling. Vorsten
hadden niet meer de macht en middelen voor besturen groot rijk -> uitlenen aan
leenmannen
De late middeleeuwen (vanaf 11e eeuw)
De Nederland deel van Heilig Roomse Rijk (noorden) en Frankrijk (zuiden),
feodaal stelsel met keizer als hoogste leenheer. De leenheer bood privileges
en land, de leenman legde een eed van trouw af.
De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van
een agrarisch urbane samenleving
Nederland was in eerste instantie dunbevolkt en had ongeschikt land.
Drie oorzaken waardoor de landbouw productiever werd in de 11e eeuw:
1. Mensen begonnen steeds meer land te bebouwen wat eerst ongebruikt bleef
2. Drieslagstelsel: 1e jaar zomergranen, 2e jaar wintergranen, 3e jaar niks
3. Er kwamen nieuwe technieken
-> landbouwoverschotten -> specialisatie (producten maken) -> ontstaan handel
en ook veel op dezelfde toegankelijke kruispunten of rivieren -> ambachtslieden
en handelaren gingen zich vestigen op deze plekken -> verstedelijking en
monetaire economie (geld) = agrarisch-urbane samenleving.
Steden kregen marktrecht. Veel kooplieden naar de markten -> grote steden
kregen marktfunctie voor het omliggende verzorgingsgebied (wederzijds
afhankelijk).
Verstedelijking in Vlaanderen
Verstedelijking in Vlaanderen ging hard door minder sterke feodale
verhoudingen (meer vrijheid voor boeren), commerciële economie (door gebrek
aan graan en specialisatie veeteelt) en goede verbinding over land en water met
Europese gebieden.
Atrecht (vanaf 11e eeuw): economische zwaartepunt van Europa, bisschopsstad
in het Franse Rijk. Stad had een productieve landbouw en schapenhouderij ->
lakennijverheid en aansluiting tot de jaarmarkten.
Brugge (vanaf 1300): Brugge kan in tegenstelling tot Atrecht via de Noordzee
aansluiting vinden op Zuid-Europa (Spanje en Italië) en ook Hanze-steden;
Oostzeehandel, wat nog erg belangrijk bleef voor de Nederlanden =
internationale/Europese handel, nog geen wereldhandel (!)
Patriciaat
Er ontstond een derde stand van rijke poorters (kooplieden) die zich
ontwikkelden tot patriciërs, door:
Stadsrechten te verkrijgen van de feodale heer: recht op zelfbestuur,
rechtspraak en het bouwen van stadsmuren, in ruil voor militaire steun en
betalen van belasting. Bewoners van deze stad heetten poorters. Er
, ontstonden ook aspirant poorters, mensen die burger van de stad
wilden worden.
Organisatie in koopliedengilden (vakorganisaties) om concurrentie te
voorkomen -> meer geld te verdienen
Leningen verstrekken aan adel = meer macht
Ze konden door zelfbestuur nieuwe bestuursfuncties verdelen, gingen zich van
de rest onderscheiden als het patriciaat en gedroegen zich als adel -> ze
bepaalden steeds meer werk gerelateerde zaken ten nadele van de
ambachtslieden en boeren (het gemeen) -> kloof tussen patriciaat en het
gemeen -> opstand ambachtslieden en boeren over deze werkomstandigheden
en ook bestuur -> Frankrijk stuurde een leger om de patriciërs bij te staan ->
Guldensporenslag in 1302: het leger van de Franse koning vocht met Vlaamse
patriciërs tegen ambachtslieden en boeren. De boeren en ambachtslieden
wonnen, door de natte modder waardoor de paarden van de rijke Patriciërs niet
konden rennen.
Eind late middeleeuwen en 16e eeuw
Economie
Vlaanderen en Brabant worden economisch zwaartepunt van de Nederlanden,
steden versterkten hun netwerk door innovatie en schaalvergroting.
Brugge: werd de grootste koopmansbeurs (plaats van geldhandel) door het
combineren van de principes de wisselbrief en de bank
Antwerpen: later werd Antwerpen belangrijker door goede verbinding met
Europese achterland en toegang voor nieuwe grotere zeeschepen, maar ook
stapelmarktfunctie en vooral door handel Spaanse en Portugese koloniën
(meeste invloed)
Amsterdam: een gespecialiseerde voorhaven voor handel in graan uit het
Oostzeegebied, begin stapelmarkt
Religieuze veranderingen
Bonum commune (het algemeen belang van de stedelingen) komt meer in de
handen te liggen van de stedelijke burgerij en neemt taken als onderwijs en
sociale zorg over van de geestelijkheid (ontwikkelden hun eigen ideeën erover)
-> minder afhankelijkheid van de kerk -> moderne devotie: geestelijken en
leken en verspreidden dat mensen zelf contact konden hebben met God, zonder
de kerk -> geloof werd individueler, katholieke kerk reageert met meer
begijnhoven (woningen voor vrome vrouwen onder toezicht van de kerk, geen
nonnen en geen klooster) en bedelorden (kloosters waarin monniken en
nonnen leefden van liefdadigheid), doel was aansluiting vinden op
geloofsbelevenis van steden.
Reformatie in de 16e eeuw: splitsing tussen protestantisme en katholicisme.
Protestanten wilden de kerk hervormen: met name het lutheranisme en het
calvinisme (laatste populair in Nederland). Staan allebei voor kleine rol van de
, kerk en meer direct contact met God: alleen de Bijbel wordt erkend als woord
van God. Zorgde voor uiteenvallen christelijke kerk in West-Europa.
Centralisatie
Vorsten streefden naar centralisatie: hele rijk bestuurd vanuit één punt en de
vorst bepaalt voor iedereen de wetten en de belasting.
Burgerij streefde naar particularisme: lokaal en zelfstandig beleid en
rechtspraak. Dit omdat zij meer macht wilden.
In Nederland probeerden de hertogen van Bourgondië te centraliseren in
Nederland (via huwelijken en oorlogen bijv.) -> Brugge kwam vaker in opstand
en verloor -> werd in 16e eeuw een arme stad -> Antwerpen nam deze positie
over.
De Nederlanden kwam onder Habsburgse vorst Karel V, die ook Duitsland en
Spanje bestuurde waardoor centralisatie toenam -> minder zelfstandigheid voor
steden en adel, maar ook hogere belastingen. De katholieke Karel V bestuurde
de Nederlanden vanuit Brussel en verbood het verspreiden van protestantse
door de doodstraf (kettervervolging)
De Nederlandse Opstand
Karels zoon, Filips II, zette de centralisatie en katholicisme voort ->
Beeldenstorm in 1566: protestanten bestormden katholieken kerken en
vernielden beelden -> Filips II stuurt Alva naar Nederland om orde op zaken te
stellen, sommige protestantse steden gingen achter edelman Willem van Oranje
staan, die in 1568 in opstand kwam.
Antwerpen liet het katholicisme niet toe en werd in 1585 belegerd door Alva en
gaf zich uiteindelijk toe (verliest stapelmarktfunctie) -> Antwerpenaren vluchtten
naar Amsterdam (waar het veiliger was) wat daardoor economisch groeide.
Zelfs de katholieken in de Nederlanden steunden het agressieve bewind niet of
nauwelijks, Alva werd dan uiteindelijk ook teruggeroepen om de rust te
herstellen. Noordelijke gewesten wisten zich dan los te rukken van Filips II -> de
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1588.
Kenmerken van de Republiek zijn:
Statenbond: 7 gewesten met eigen bestuur
Centrale orgaan was de Staten-Generaal met vertegenwoordigers van de
gewesten
De stadhouder en de raadspensionaris (regent) waren de twee
machtsfiguren
Calvinistisch met gewetensvrijheid (een andere godsdienst mag je niet in
het openbaar beoefenen, maar je wordt er niet om vervolgd als je erin
gelooft).
Om een gelijksoortige opstand van de katholieken in dit gebied te voorkomen en
dus de eenheid te bewaren was er gewetensvrijheid (elk geloof mogen
uitoefenen, maar niet openbaar als bij godsdienstvrijheid)