LEERDOELEN AFPF (BLOK 1A)
Silke van Oostrum
HBO-V Hogeschool van Utrecht
,INHOUD
AFPF ________________________________________________________________________ 2
Casus 1 ___________________________________________________________________ 2
casus 2 __________________________________________________________________ 12
casus 3 __________________________________________________________________ 16
casus 4 __________________________________________________________________ 20
casus 5 __________________________________________________________________ 26
casus 6 __________________________________________________________________ 33
casus 7 __________________________________________________________________ 37
1
, AFPF
CASUS 1
Een beschrijving geven van de complexiteitsniveaus van structuren in het lichaam.
Atomen > moleculen > cellen > weefsels (cellen die overeenkomen in vorm en functie) > orgaan (uit
verschillende weefsels) > orgaanstelsel of orgaansysteem.
Een definitie geven van de begrippen ‘milieu intérieur’ en ‘homeostase’.
Milieu Interieur: De ruimte buiten de cellen van een weefsels. Die ruimte bestaat uit vocht wat interstitiële -of
weefselvloeistof genoemd. Het biedt een bescherming voor de weefsels en organen.
Homeostase: De stabiele samenstelling van het milieu interieur (de interstitiële of weefselvloeistof) die niet lijkt
te veranderen, terwijl dat wel is, maar dan door binnen kleine marges te blijven en telkens op tijd bij te sturen.
Als de balans verstoord is loopt het welzijn van het individu in gevaar.
Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar vergelijken.
Negatieve feedbackmechanisme (meest voorkomend) zorgt dat verandering die zich verwijderen van de
normale waarden teniet wordt gedaan. Als een waarde stijgt laat het Negatief feedbackmechanisme het dalen
tot normale niveau. Voorbeeld: lichaamstemperatuur.
Het positieve feedbackmechanisme zorgt dat de stimulus de respons progressief laat toenemen, zolang de
stimulus aanhoudt. Voorbeelden: bloedstolling en de weeën bij de bevalling.
De functies van de transportsystemen in het lichaam beschrijven.
Transportsystemen zijn: bloed, cardiovasculair systeem en het lymfoïde systeem.
Bloed transporteert stoffen door het hele lichaam en bestaat uit drie componenten, namelijk
Bloedplasma: water met stoffen (voedingstoffen uit het maag-darmkanaal; O2 uit de longen; chemische
verbindingen ie in de lichaamscellen worden aangemaakt zoals hormonen en afvalproducten die via excretie
uit het lichaam worden verwijderd.
Bloedcellen. Er zijn drie verschillende soorten.
- Erytrocyten = rode bloedcellen: vervoeren O2 en CO2
- Leukocyten = witte bloedcellen: voornaamste taak is het beschermen tegen infecties en andere
xenobiotica. Veel verschillende soorten met allemaal een eigen taak.
- Trombocyten = bloedpaatjes: kleine cellen, eigenlijk cel fragmenten die van essentieel belang zijn bij
de bloedstolling.
Cardiovasculair systeem. Een netwerk van bloedvaten en het hart. Er zijn drie soorten bloedvaten:
- Arteriën = slagaders
- Venen = aders
- Capillairen = haarvaten: kleine vaten met een dunne wand van één laag cellen waardoor uitwisseling
van stoffen tussen bloed en weefsel gemakkelijk kan plaatsvinden.
2
Silke van Oostrum
HBO-V Hogeschool van Utrecht
,INHOUD
AFPF ________________________________________________________________________ 2
Casus 1 ___________________________________________________________________ 2
casus 2 __________________________________________________________________ 12
casus 3 __________________________________________________________________ 16
casus 4 __________________________________________________________________ 20
casus 5 __________________________________________________________________ 26
casus 6 __________________________________________________________________ 33
casus 7 __________________________________________________________________ 37
1
, AFPF
CASUS 1
Een beschrijving geven van de complexiteitsniveaus van structuren in het lichaam.
Atomen > moleculen > cellen > weefsels (cellen die overeenkomen in vorm en functie) > orgaan (uit
verschillende weefsels) > orgaanstelsel of orgaansysteem.
Een definitie geven van de begrippen ‘milieu intérieur’ en ‘homeostase’.
Milieu Interieur: De ruimte buiten de cellen van een weefsels. Die ruimte bestaat uit vocht wat interstitiële -of
weefselvloeistof genoemd. Het biedt een bescherming voor de weefsels en organen.
Homeostase: De stabiele samenstelling van het milieu interieur (de interstitiële of weefselvloeistof) die niet lijkt
te veranderen, terwijl dat wel is, maar dan door binnen kleine marges te blijven en telkens op tijd bij te sturen.
Als de balans verstoord is loopt het welzijn van het individu in gevaar.
Negatieve en positieve feedbackmechanismen met elkaar vergelijken.
Negatieve feedbackmechanisme (meest voorkomend) zorgt dat verandering die zich verwijderen van de
normale waarden teniet wordt gedaan. Als een waarde stijgt laat het Negatief feedbackmechanisme het dalen
tot normale niveau. Voorbeeld: lichaamstemperatuur.
Het positieve feedbackmechanisme zorgt dat de stimulus de respons progressief laat toenemen, zolang de
stimulus aanhoudt. Voorbeelden: bloedstolling en de weeën bij de bevalling.
De functies van de transportsystemen in het lichaam beschrijven.
Transportsystemen zijn: bloed, cardiovasculair systeem en het lymfoïde systeem.
Bloed transporteert stoffen door het hele lichaam en bestaat uit drie componenten, namelijk
Bloedplasma: water met stoffen (voedingstoffen uit het maag-darmkanaal; O2 uit de longen; chemische
verbindingen ie in de lichaamscellen worden aangemaakt zoals hormonen en afvalproducten die via excretie
uit het lichaam worden verwijderd.
Bloedcellen. Er zijn drie verschillende soorten.
- Erytrocyten = rode bloedcellen: vervoeren O2 en CO2
- Leukocyten = witte bloedcellen: voornaamste taak is het beschermen tegen infecties en andere
xenobiotica. Veel verschillende soorten met allemaal een eigen taak.
- Trombocyten = bloedpaatjes: kleine cellen, eigenlijk cel fragmenten die van essentieel belang zijn bij
de bloedstolling.
Cardiovasculair systeem. Een netwerk van bloedvaten en het hart. Er zijn drie soorten bloedvaten:
- Arteriën = slagaders
- Venen = aders
- Capillairen = haarvaten: kleine vaten met een dunne wand van één laag cellen waardoor uitwisseling
van stoffen tussen bloed en weefsel gemakkelijk kan plaatsvinden.
2