Grote veranderingen in de late middeleeuwen in West-Europa
▪ Verbeterde landbouw, ontginning en drooglegging zorgde voor meer landbouwgrond,
daarnaast werd er efficiënter gewerkt door een verbeterde keerploeg en het drieslagstelsel.
▪ Sterke bevolkingsgroei, door de verbeterde landbouw verdubbelde de bevolking tussen 1000
en 1300, daarna daalde de bevolking door de zwarte dood en klimaatverandering.
▪ Opkomst van handel, de overschotten die waren ontstaan door de verbeterde landbouw
werden verhandeld. In veel nederzetting kwamen met toestemming van de heer jaar- en
stapelmarkten.
▪ Ontstaan van steden, steden kregen tegen betaling stadsrechten; stadsmuur bouwen, eigen
bestuur en rechtspraak en het houden van jaarmarkten.
▪ Ontstaan van een monetaire economie, door de opkomst van steden kwam er weer geld in de
omloop. Door de verschillende munteenheden en het gevaar dat reizen met geld met zich
meebracht waren in veel steden geldwisselaars en werd er gebruik gemaakt van
wisselbrieven.
Door deze veranderingen ontstond een machtsstrijd tussen landheren en stadsbesturen, waardoor de
stadsrechten steeds veranderden. Heren wilden namelijk de steden onder hun bestuur houden als
inkomstenbron en strategische versterkingen terwijl stadbesturen meer autonomie wilden. De inwoners
van de steden (poorters) vielen niet meer onder het directe gezag van de heer.
Opkomst van steden in de lage landen
De stad was het centrum van een verzorgingsgebied die op politiek en economisch gebied het
platteland en de stad met elkaar verbond. Steden waren afhankelijk van de agrarische sector op het
platteland. Verschillende steden werden d.m.v. de rondtrekkende jaarmarkten ook onderling met elkaar
verbonden, bij deze jaarmarkten hoorde ook stadsfeesten.
De lage landen verstedelijkte het meest in verhouding met andere Europese landen, hier zijn een aantal
oorzaken voor:
▪ De geografische ligging, veel bevaarbare rivieren en de Noordzee.
▪ De Hanze, samenwerkingsverband tussen steden.
▪ Stimulering van urbanisatie door landsheren en geestelijken, zij zagen economische en
strategische voordelen.
In de zuidelijke Nederlanden (Vlaanderen en Brabant) zijn er ook veel steden in opkomst, welke stad het
belangrijkst was verschilde per tijd:
Atrecht (12e eeuw) → Gent en Brugge (14e eeuw) → Antwerpen ( 16e eeuw)
De Patriciërs waren rijke koopmannen zij waren de kleine (10%) maar gegoede bovenlaag van de
samenleving en leidden de stad. De rest van de poorters werden gerekend onder het gemeen,
bestaande uit ambachtslieden, dagloners en werklozen. De ambachtslieden organiseerde zich in
gilden, die zorgden voor een sociaal en economisch vangnet en leidden nieuwe ambachtslieden op.
, De Guldensporenslag 11 juli 1302
De slag die zijn naam kreeg door de vele gulden riddersporen die achterbleven op het slagveld werd
gevochten tussen de Franse koning Filips de schone en graaf van Vlaanderen Gwijde van
Dampierre. De koning zocht een steun bij de Patriciërs terwijl de graaf steun zocht bij het gemeen. De
Franse koning en zijn ridders werden verslagen door de Vlaamse poorters. De guldensporenslag had
veel invloed;
▪ Politiekgebied: De zuidelijke Nederlanden bleven onafhankelijk waardoor later België kon
ontstaan.
▪ Militairgebied: Het leger van ridders werd verslagen door het gemeen, dit was vreemd en nog
nooit eerder gebeurt. Voorheen weren ridders niet gedood maar opgesloten zodat de adel niet te
sterk uitdunden maar bij de guldensporenslag was dit niet het geval. Oorlog voeren was niet
meer een adellijke monopolie en werd dodelijker.
Stadbestuur en het stedennetwerk in de lage landen
Brugge werd het handelscentrum van een groot stedennetwerk in de Vlaamse Hanze. Veel van steden
hadden een eigen specialisme in het stedennetwerk:
▪ Antwerpen had goede verbinding met Europees achterland en toegankelijk voor grote
zeeschepen.
▪ Brugge had de eerste koopmansbeurs.
▪ Amsterdam was een voorhaven voor de graanhandel in het Oostzee gebied.
Op het gebied van bestuur gingen stadsbesturen taken die voorheen hoorden bij de adel (bestuur,
rechtsspraak en ordehandhaving) en geestelijkheid (armenzorg en onderwijs) overnemen.
Stadbesturen gingen zich focussen op het bonum commune, dit was het algemene belang van de
poorters.
▪ Het stadsbestuur kreeg een geweldmonopolie.
▪ Onderhoud en bouw van openbaar terrein werd door het stadsbestuur gefinancierd
▪ Onderwijs werd door het stadsbestuur geregeld.
Ook de rooms-katholieke kerk wilde zich meer op het belang van de burgers richtte en begon
aansluiting te vinden bij de Moderne Devotie, dit is een beweging die individuele vroomheid
nastreefde door arbeid en bezinning door het lezen van bepaalde literatuur (de bijbel etc.) i.p.v.
collectieve vroomheid in het klooster. Vooral vrouwelijke leken gingen afzonderlijk leven in begijnhoven
waar zij soepelere regels hadden dan in kloosters maar strengere dan in de rest van de stad. In veel
steden waren ook bedeloren, dit zijn religieuze kloosterorden die armoede als ideaal nastreven.
Augstijen is een bedelorde die zich in de stad bezighield met pastorale zorg en onderwijs.
Bourgondiërs en Habsburgers
Ondanks dat de steden streefde naar particularisme hadden de hertogen van Bourgondië hun macht
uitgebreid over verschillende Nederlandse gewesten. Filips de Goede (1419-1467) wilde in de
Bourgondische gewesten centralisatie politiek doorvoeren, en er dus een bestuurlijke eenheid van te
maken. Om dit te kunnen doen heeft hij een aantal centralisatie maatregelen ingevoerd.
▪ Het hof werd verplaats van de Bourgondische stad Djon naar de Vlaamse stad Brussel.