Vorming
Het proces van verwerving van een bepaalde identiteit.
▫ Socialisatie
▫ Acculturatie
▫ Identiteit
▫ Cultuur
▫ Politieke socialisatie
▫ Ideologie
Verhouding
De wijze waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en zich tot elkaar verhouden en
de manier waarop samenlevingen in sociale zin vormgeven aan deze verschillen. Het
verwijst ook naar onderlinge betrekkingen tussen staten.
▫ Sociale (on)gelijkheid
▫ Macht
▫ Gezag
▫ Conflict
▫ Samenwerking
Binding
De relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of familie, tussen
leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van de staat.
▫ Groepsvorming
▫ Sociale cohesie
▫ Politieke institutie
▫ Sociale institutie
▫ Representatie
▫ Representativiteit
▫ Cultuur
Verandering
,Richting en tempo van ontwikkelingen in de samenleving en de mogelijkheden en
onmogelijkheden deze te beïnvloeden.
▫ Rationalisering
▫ Individualisering
▫ Institutionalisering
▫ Globalisering
▫ Democratisering
▫ Staatsvorming
Hoofdstuk 1
, Identiteit = het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat die uitdraagt en anderen
voorhoudt & wat die als kenmerkend/blijvend beschouwd voor diens eigen persoon.
• Persoonlijke identiteit = het individu ziet zichzelf door de ogen van anderen en
vormt zo een zelfbeeld.
• Sociale identiteit = het beeld dat iemand heeft van zichzelf als lid van de sociale
groepen en categorieën waar die deel van uitmaakt.
• Collectieve identiteit = wat mensen ten aanzien van een groep als kenmerkend
en blijvend beschouwen.
➢ Interne collectieve identiteit = het beeld dat leden van een groep hebben
over de groep tot welke zij behoren.
➢ Externe collectieve identiteit = het beeld dat anderen van de groep
hebben.
Referentiekader = het geheel van ideeën, kennis, ervaring en overtuigingen van waaruit
iemand denkt & handelt.
Socialisatie = het proces van overdracht & verwerving van de cultuur van de groep(en)
en de samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding,
opleiding & andere vormen van omgang met anderen. (1/3 gebruiken)
• Primaire socialisatie = speelt zich af binnen kleinere groepen/gemeenschappen,
waarin mensen directe & persoonlijke relaties met elkaar hebben. Het proces
verloopt informeel en vanzelfsprekend.
• Secundaire socialisatie = mensen leren in formele/georganiseerde
omstandigheden en omgevingen hoe zij zich moeten gedragen.
• Tertiaire socialisatie = het proces waarbij waarden, normen en gedragspatronen
worden overgedragen, vaak impliciet, door anonieme socialisatoren waarmee
mensen niet rechtstreeks een band hebben. Denk aan de media.
Wat zijn de functies van socialisatie?
• Continuering van een cultuur;
• Verandering van een cultuur;
• Identificatie van een individu met anderen;
• Identiteitsontwikkeling van het individu;
• Gedragsregulatie van het individu.
Nature = aangeboren gedrag.
Nurture = aangeleerd gedrag.
Cultuur = het geheel van waarden, voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen &
normen die mensen als lid van een groep of samenleving verworven hebben.
Het proces van verwerving van een bepaalde identiteit.
▫ Socialisatie
▫ Acculturatie
▫ Identiteit
▫ Cultuur
▫ Politieke socialisatie
▫ Ideologie
Verhouding
De wijze waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en zich tot elkaar verhouden en
de manier waarop samenlevingen in sociale zin vormgeven aan deze verschillen. Het
verwijst ook naar onderlinge betrekkingen tussen staten.
▫ Sociale (on)gelijkheid
▫ Macht
▫ Gezag
▫ Conflict
▫ Samenwerking
Binding
De relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of familie, tussen
leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van de staat.
▫ Groepsvorming
▫ Sociale cohesie
▫ Politieke institutie
▫ Sociale institutie
▫ Representatie
▫ Representativiteit
▫ Cultuur
Verandering
,Richting en tempo van ontwikkelingen in de samenleving en de mogelijkheden en
onmogelijkheden deze te beïnvloeden.
▫ Rationalisering
▫ Individualisering
▫ Institutionalisering
▫ Globalisering
▫ Democratisering
▫ Staatsvorming
Hoofdstuk 1
, Identiteit = het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat die uitdraagt en anderen
voorhoudt & wat die als kenmerkend/blijvend beschouwd voor diens eigen persoon.
• Persoonlijke identiteit = het individu ziet zichzelf door de ogen van anderen en
vormt zo een zelfbeeld.
• Sociale identiteit = het beeld dat iemand heeft van zichzelf als lid van de sociale
groepen en categorieën waar die deel van uitmaakt.
• Collectieve identiteit = wat mensen ten aanzien van een groep als kenmerkend
en blijvend beschouwen.
➢ Interne collectieve identiteit = het beeld dat leden van een groep hebben
over de groep tot welke zij behoren.
➢ Externe collectieve identiteit = het beeld dat anderen van de groep
hebben.
Referentiekader = het geheel van ideeën, kennis, ervaring en overtuigingen van waaruit
iemand denkt & handelt.
Socialisatie = het proces van overdracht & verwerving van de cultuur van de groep(en)
en de samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding,
opleiding & andere vormen van omgang met anderen. (1/3 gebruiken)
• Primaire socialisatie = speelt zich af binnen kleinere groepen/gemeenschappen,
waarin mensen directe & persoonlijke relaties met elkaar hebben. Het proces
verloopt informeel en vanzelfsprekend.
• Secundaire socialisatie = mensen leren in formele/georganiseerde
omstandigheden en omgevingen hoe zij zich moeten gedragen.
• Tertiaire socialisatie = het proces waarbij waarden, normen en gedragspatronen
worden overgedragen, vaak impliciet, door anonieme socialisatoren waarmee
mensen niet rechtstreeks een band hebben. Denk aan de media.
Wat zijn de functies van socialisatie?
• Continuering van een cultuur;
• Verandering van een cultuur;
• Identificatie van een individu met anderen;
• Identiteitsontwikkeling van het individu;
• Gedragsregulatie van het individu.
Nature = aangeboren gedrag.
Nurture = aangeleerd gedrag.
Cultuur = het geheel van waarden, voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen &
normen die mensen als lid van een groep of samenleving verworven hebben.