Samenvatting bewegingsonderwijs toetsstof thema 11
Boek: Beter spelen en bewegen met kleuters
Hoofdstuk 3: Leer-kracht van de leerkracht
De instructiestijl die de leerkracht hanteert, is de wijze waarop de leerkracht de kinderen
aanspreekt.
De leerkracht heeft meerdere instructievormen tot zijn beschikking.
De instructievorm is de werkvorm waarin de instructie wordt gegeven.
De drie instructievormen zijn gebaseerd op de interacties tussen leerkracht en leerling.
De commandostijl
De leerkracht neemt alle beslissingen. De leerkracht vertelt wat er gedaan wordt en hoe het
wordt uitgevoerd.
De dialoogstijl
Dit is een samenspel van leerkracht en leerlingen. De leerkracht en de leerlingen kijken
samen wat de mogelijkheden zijn.
De zelfinstructiestijl
De leerlingen krijgen alle ruimte zelf te ontdekken en zich te ontplooien. Deze stijl laat
kinderen vrij in wat ze doen en hoe ze het uitvoeren.
Het is mogelijk om in één les meerdere instructievormen te gebruiken.
Instructievormen:
1. Monkey see is monkey do
2. PAD (Plaatje, Accenten, Doen)
3. Vragenderwijs
4. Vertel wat wel mag
5. Leskaarten
Monkey see is monkey do
De leerkracht of een kind doet de activiteit voor en de anderen kinderen doen het na. Als
instructie wordt alleen het voorbeeld gegeven. De leerkracht geeft hierbij geen of nauwelijks
tekst en uitleg.
PAD (Plaatje, Accenten, Doen)
De leerkracht biedt de kinderen een beeld van wat er moet gebeuren en brengt accenten
aan. Vervolgens gaan de kinderen aan de slag.
Vragenderwijs
De leerkracht richt vragenderwijs de aandacht op belangrijke aspecten. Door kinderen te
laten antwoorden wordt de kennis die al aanwezig is geactiveerd.
,Vertel wat wel mag
De kinderen worden uitgenodigd de bewegingsactiviteiten te verkennen, zonder allerlei
restricties vooraf. Het is kort, positief en krachtig.
Leskaarten
De kinderen krijgen leskaarten met plaatjes, cijfers of pictogrammen. De kaarten laten zien
wat de bedoeling is van de activiteit.
Als de kinderen de bewegingssituaties korte tijd hebben ervaren en weten wat de bedoeling
is, komt het moment waarop de leerkracht de kinderen gaat begeleiden.
Begeleiden tijdens de les kan op twee manieren: op initiatief van de leerkracht en op
initiatief van de leerling.
Als de vraag bij de leerling vandaan komt, wordt dit leerhulp genoemd.
We noemen het extra instructie als de leerkracht er op eigen initiatief instapt.
We onderscheiden verschillende vormen van hulp:
• Arrangementswijzigingen
• Aanwijzingen en tips
• Overige hulp
Arrangementswijzigingen
Met het arrangement wordt de opstelling van de materialen en de kinderen ten opzichte van
de materialen bedoeld. Het gewenste bewegingsgedrag moet naar voren komen.
Denk hierbij aan:
• Tikspel: speelveld kleiner maken om de tikkansen voor de tikker te vergroten.
• Activiteit met parachute: meer kinderen in een groepje plaatsen om zo de activiteit
beter speelbaar te maken.
• Gooien met een bal: kleine tennisballen geven in plaats van grotere handballen om zo
het gooien met één hand uit te lokken.
Aanwijzingen en tips
Demonstratie
De leerkracht of leerling doet een bepaalde vaardigheid voor.
Feedback
De leerkracht geeft reactie op hoe het kind het heeft gedaan. Vaak is dat een aanwijzing of
tip over hoe het ‘nog beter’ kan.
Geef complimenten wat goed gaat.
Akoestische en ritmische ondersteuning
De leerkracht ondersteunt het bewegen of een bepaalde beweging door geluid.
Voorbeelden:
- Meetellen met de beweging
, - Mondeling het verloop van een actie aangeven
- Klappen in de handen
Uitvoeringsverloop
De leerkracht geeft opmerkingen als ‘doe eens wat rustiger, langzamer’, ‘trap eens wat
harder’.
Bewegingsgevoel accentueren
Laat de kinderen het gevoel benoemen.
Leervragen stellen
De leerkracht gebruikt individuele of groepsgerichte leervragen.
Overige hulp
Leergesprek voeren
Het gaat hierbij om algemene zaken. Het heeft de voorkeur dit niet tijdens de gymles zelf te
doen. Doe het vooraf, roep de aanwezige kennis en ervaring op.
Aanpassen van de opdrachtvorm
De leerkracht wijzigt de opdrachtvorm zodat de opdracht duidelijker of meer gestructureerd
wordt.
Tactiele hulp (manuele begeleiding)
Je helpt het kind bijvoorbeeld met het duikelen over de duikelstang. Het tactiel
ondersteunen bij het klauteren of het aanbieden van een vinger of stok bij het balanceren
zijn hier voorbeelden van.
Organisatorische aspecten → alles dat te maken heeft met het concreet regelen van een
bewegingsles.
Organisatorische overwegingen vooraf:
- Wie zet het materiaal klaar en wanneer?
- Hoe wordt de beschikbare ruimte ingedeeld?
- Hoe wordt de beschikbare lestijd verdeeld?
- Welke soorten activiteiten worden er na of naast elkaar aangeboden?
- Waar zitten de kinderen tijdens de uitleg?
- Waar staat de leerkracht op het moment dat de les is begonnen?
- Hoe zorgt de leerkracht voor een goede dosering van inspanning en rustmomenten?
In een klassikale les biedt de leerkracht de gehele klas tegelijkertijd hetzelfde aan. Wel
kunnen er meerdere activiteiten in een klassikale les zitten, maar worden dan na elkaar
aangeboden.
Binnen het bewegingsonderwijs voor kleuters zijn er vijf gangbare organisatievormen van
een klassikale les:
, 1. Zangspelen
2. Kringspelen
3. Individueel spelen met klein materiaal
4. Bewegingsbaan in stroomvorm
5. Tikspelen
Zangspelen
Deze vorm kan goed gecombineerd worden met kringspelen.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om bewegen op ritme en muziek of bij uitbeelden.
Zang en muziek worden vaak klassikaal aangeboden, omdat het de aandacht van de
leerkracht vraagt en afleidend kan werken als een gedeelte van de kinderen met andere
activiteiten bezig is.
Kringspelen
Er wordt een kring gevormd en vanuit deze vorm biedt de leerkracht verschillende spelletjes
aan.
Individueel spelen met klein materiaal
Ieder kind beschikt over eigen materiaal, bijvoorbeeld een hoepel. Ander klein materiaal is
bijvoorbeeld: pittenzakjes, ballen, ringen, blokjes of stokken.
Bewegingsbaan in stroomvorm
Een bewegingsbaan wil zeggen dat de leerkracht een ‘weggetje’ maakt waar kinderen van a
naar b naar c kunnen klimmen, lopen, springen, kruipen of klauteren.
De leerkracht kan kijken wat de kinderen al kunnen en durven. We noemen dit ook wel een
bobbelbaan, ofwel freerunnen voor kleuters.
Tikspelen
Een klassikale les vraagt veel sturing van de leerkracht.
Bij een vrije les wordt het speellokaal zo ingericht dat er allerlei uitdagende en uitnodigende
materialen en activiteiten klaarstaan. Kinderen mogen zelf ontdekken.
Ieder kind kiest zijn eigen uitdaging en het aantal keer dat hij deze activiteit wil doen.
Bij een vrije les zijn er ook regels.
Kermisles
Bij een kermisles worden verschillende mik- en jongleeractiviteiten afgescheiden van elkaar
in het speellokaal klaargezet. Er wordt gezorgd voor veilige looppaden.
Speeltuinles
Hierbij kunnen kinderen kiezen uit verplaatsingsvaardigheden als zwaaien, klimmen, springen
en glijden.
Boek: Beter spelen en bewegen met kleuters
Hoofdstuk 3: Leer-kracht van de leerkracht
De instructiestijl die de leerkracht hanteert, is de wijze waarop de leerkracht de kinderen
aanspreekt.
De leerkracht heeft meerdere instructievormen tot zijn beschikking.
De instructievorm is de werkvorm waarin de instructie wordt gegeven.
De drie instructievormen zijn gebaseerd op de interacties tussen leerkracht en leerling.
De commandostijl
De leerkracht neemt alle beslissingen. De leerkracht vertelt wat er gedaan wordt en hoe het
wordt uitgevoerd.
De dialoogstijl
Dit is een samenspel van leerkracht en leerlingen. De leerkracht en de leerlingen kijken
samen wat de mogelijkheden zijn.
De zelfinstructiestijl
De leerlingen krijgen alle ruimte zelf te ontdekken en zich te ontplooien. Deze stijl laat
kinderen vrij in wat ze doen en hoe ze het uitvoeren.
Het is mogelijk om in één les meerdere instructievormen te gebruiken.
Instructievormen:
1. Monkey see is monkey do
2. PAD (Plaatje, Accenten, Doen)
3. Vragenderwijs
4. Vertel wat wel mag
5. Leskaarten
Monkey see is monkey do
De leerkracht of een kind doet de activiteit voor en de anderen kinderen doen het na. Als
instructie wordt alleen het voorbeeld gegeven. De leerkracht geeft hierbij geen of nauwelijks
tekst en uitleg.
PAD (Plaatje, Accenten, Doen)
De leerkracht biedt de kinderen een beeld van wat er moet gebeuren en brengt accenten
aan. Vervolgens gaan de kinderen aan de slag.
Vragenderwijs
De leerkracht richt vragenderwijs de aandacht op belangrijke aspecten. Door kinderen te
laten antwoorden wordt de kennis die al aanwezig is geactiveerd.
,Vertel wat wel mag
De kinderen worden uitgenodigd de bewegingsactiviteiten te verkennen, zonder allerlei
restricties vooraf. Het is kort, positief en krachtig.
Leskaarten
De kinderen krijgen leskaarten met plaatjes, cijfers of pictogrammen. De kaarten laten zien
wat de bedoeling is van de activiteit.
Als de kinderen de bewegingssituaties korte tijd hebben ervaren en weten wat de bedoeling
is, komt het moment waarop de leerkracht de kinderen gaat begeleiden.
Begeleiden tijdens de les kan op twee manieren: op initiatief van de leerkracht en op
initiatief van de leerling.
Als de vraag bij de leerling vandaan komt, wordt dit leerhulp genoemd.
We noemen het extra instructie als de leerkracht er op eigen initiatief instapt.
We onderscheiden verschillende vormen van hulp:
• Arrangementswijzigingen
• Aanwijzingen en tips
• Overige hulp
Arrangementswijzigingen
Met het arrangement wordt de opstelling van de materialen en de kinderen ten opzichte van
de materialen bedoeld. Het gewenste bewegingsgedrag moet naar voren komen.
Denk hierbij aan:
• Tikspel: speelveld kleiner maken om de tikkansen voor de tikker te vergroten.
• Activiteit met parachute: meer kinderen in een groepje plaatsen om zo de activiteit
beter speelbaar te maken.
• Gooien met een bal: kleine tennisballen geven in plaats van grotere handballen om zo
het gooien met één hand uit te lokken.
Aanwijzingen en tips
Demonstratie
De leerkracht of leerling doet een bepaalde vaardigheid voor.
Feedback
De leerkracht geeft reactie op hoe het kind het heeft gedaan. Vaak is dat een aanwijzing of
tip over hoe het ‘nog beter’ kan.
Geef complimenten wat goed gaat.
Akoestische en ritmische ondersteuning
De leerkracht ondersteunt het bewegen of een bepaalde beweging door geluid.
Voorbeelden:
- Meetellen met de beweging
, - Mondeling het verloop van een actie aangeven
- Klappen in de handen
Uitvoeringsverloop
De leerkracht geeft opmerkingen als ‘doe eens wat rustiger, langzamer’, ‘trap eens wat
harder’.
Bewegingsgevoel accentueren
Laat de kinderen het gevoel benoemen.
Leervragen stellen
De leerkracht gebruikt individuele of groepsgerichte leervragen.
Overige hulp
Leergesprek voeren
Het gaat hierbij om algemene zaken. Het heeft de voorkeur dit niet tijdens de gymles zelf te
doen. Doe het vooraf, roep de aanwezige kennis en ervaring op.
Aanpassen van de opdrachtvorm
De leerkracht wijzigt de opdrachtvorm zodat de opdracht duidelijker of meer gestructureerd
wordt.
Tactiele hulp (manuele begeleiding)
Je helpt het kind bijvoorbeeld met het duikelen over de duikelstang. Het tactiel
ondersteunen bij het klauteren of het aanbieden van een vinger of stok bij het balanceren
zijn hier voorbeelden van.
Organisatorische aspecten → alles dat te maken heeft met het concreet regelen van een
bewegingsles.
Organisatorische overwegingen vooraf:
- Wie zet het materiaal klaar en wanneer?
- Hoe wordt de beschikbare ruimte ingedeeld?
- Hoe wordt de beschikbare lestijd verdeeld?
- Welke soorten activiteiten worden er na of naast elkaar aangeboden?
- Waar zitten de kinderen tijdens de uitleg?
- Waar staat de leerkracht op het moment dat de les is begonnen?
- Hoe zorgt de leerkracht voor een goede dosering van inspanning en rustmomenten?
In een klassikale les biedt de leerkracht de gehele klas tegelijkertijd hetzelfde aan. Wel
kunnen er meerdere activiteiten in een klassikale les zitten, maar worden dan na elkaar
aangeboden.
Binnen het bewegingsonderwijs voor kleuters zijn er vijf gangbare organisatievormen van
een klassikale les:
, 1. Zangspelen
2. Kringspelen
3. Individueel spelen met klein materiaal
4. Bewegingsbaan in stroomvorm
5. Tikspelen
Zangspelen
Deze vorm kan goed gecombineerd worden met kringspelen.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om bewegen op ritme en muziek of bij uitbeelden.
Zang en muziek worden vaak klassikaal aangeboden, omdat het de aandacht van de
leerkracht vraagt en afleidend kan werken als een gedeelte van de kinderen met andere
activiteiten bezig is.
Kringspelen
Er wordt een kring gevormd en vanuit deze vorm biedt de leerkracht verschillende spelletjes
aan.
Individueel spelen met klein materiaal
Ieder kind beschikt over eigen materiaal, bijvoorbeeld een hoepel. Ander klein materiaal is
bijvoorbeeld: pittenzakjes, ballen, ringen, blokjes of stokken.
Bewegingsbaan in stroomvorm
Een bewegingsbaan wil zeggen dat de leerkracht een ‘weggetje’ maakt waar kinderen van a
naar b naar c kunnen klimmen, lopen, springen, kruipen of klauteren.
De leerkracht kan kijken wat de kinderen al kunnen en durven. We noemen dit ook wel een
bobbelbaan, ofwel freerunnen voor kleuters.
Tikspelen
Een klassikale les vraagt veel sturing van de leerkracht.
Bij een vrije les wordt het speellokaal zo ingericht dat er allerlei uitdagende en uitnodigende
materialen en activiteiten klaarstaan. Kinderen mogen zelf ontdekken.
Ieder kind kiest zijn eigen uitdaging en het aantal keer dat hij deze activiteit wil doen.
Bij een vrije les zijn er ook regels.
Kermisles
Bij een kermisles worden verschillende mik- en jongleeractiviteiten afgescheiden van elkaar
in het speellokaal klaargezet. Er wordt gezorgd voor veilige looppaden.
Speeltuinles
Hierbij kunnen kinderen kiezen uit verplaatsingsvaardigheden als zwaaien, klimmen, springen
en glijden.