verpleegkunde
de student past de canmedsrollen toe op een casus
❖ CanMEDSrollen
1. De zorgverlener
Als zorgverlener onderzoek je welke vragen en problemen een zorgvrager heeft en wat hij of zij zelf kan. Vervolgens stel je
vast welke verpleegkundige zorg daarbij nodig is. Daarnaast ben je bevoegd om het verpleegkundig proces in te richten en
vorm te geven in samenwerking met andere zorgprofessionals.
2. De communicator
Als verpleegkundige kijk je welke informatie iemand in zijn/haar ziekteproces nodig heeft. Je houdt in je communicatie
rekening met de culturele achtergrond, taalbeheersing, begripsniveau en draagkracht van de zorgvrager en diens naasten.
‘Communiceren op maat’ staat hierbij centraal. Je past technologische zorgondersteuning toe en biedt zorg op afstand
(e-health) als aanvulling op het persoonlijk contact met de zorgvrager.
3. De samenwerkingspartner
Als verpleegkundige werk je samen met de zorgvrager en diens naasten. Ook de samenwerking met andere disciplines en
leidinggevenden is belangrijk. Je bent er steeds op gericht dat alle betrokkenen over de juiste informatie beschikken zodat
de zorg optimaal kan plaatsvinden.
4. De reflectieve EBP-professional
Bij je werk als verpleegkundige is het van belang dat je op zoek gaat naar de best beschikbare onderbouwing van je
handelen, ofwel Evidence-based Practice (EBP). Deze kennis pas je toe in de praktijk. Daarnaast werk je mee in onderzoek
van (verpleegkundig) specialisten en onderzoekers. Zo werk je permanent aan de ontwikkeling van je eigen deskundigheid
en aan die van je collega’s. Je leert je leven lang.
5. De gezondheidsbevorderaar
In de maatschappij verschuift de aandacht van ‘zorg en ziekte’ naar ‘gedrag en gezondheid’. Je bent daarom als
verpleegkundige meer en meer bezig met het bevorderen van de gezondheid van mensen waarbij de wens van de
zorgvrager voorop staat. Je beïnvloedt de leefstijl en het gezond gedrag van burgers en zorgvragers.
6. De organisator
Als verpleegkundige kun je werkzaam zijn in uiteenlopende organisaties: grote ziekenhuizen, kleinschalige teams of als
zelfstandig beroepsbeoefenaar. Wat je toekomstige werkveld ook zal zijn, je hebt een coördinerende rol rond de zorgvragers
binnen jouw organisatie. Je bent actief bij het bevorderen van de patiëntveiligheid en hebt een leidende rol bij
veranderingen.
7. De professional en kwaliteitsbevorderaar
Als verpleegkundige lever je zorg die past binnen de geldende wet- en regelgeving. Je onderzoekt bovendien systematisch
of de zorg die je verleent aan alle kwaliteitseisen voldoet. Waar nodig zorg je ervoor dat de kwaliteit wordt verbeterd.
Daarbij vind je het een uitdaging om met mensen te werken en heb je aandacht voor ieder uniek individu.
nsm
de student beschrijft het cliëntsysteem van een zorgvrager aan de hand van de intra- en
interpersoonlijke omgeving (inclusief stressoren, coping en 5 variabelen).
❖ NSM theorie: vijf variabelen + voorbeelden, cliëntsysteem, verdedigingslinie, intra- en
extrapersoonliijke factoren
1. Fysiologisch, deze variabele heeft betrekking op alle informatie over de aard en kwaliteit van het
lichaam, de structuur van het lichaam, de organen en alle fysiologische processen die daarbij horen. Je
kan je hierbij afvragen zaken als; wat is zijn of haar temperatuur, welke voeding neemt de patiënt
normaliter tot zich, is de patiënt normaliter actief met sport?
2. Psychologisch, deze variabele omvat alle informatie over het mentaal/geestelijk functioneren van de
mens als individu. Je kan je hierbij afvragen zaken als; hoe zit de patiënt in zijn vel? Staat de patiënt
normaliter optimistisch in het leven? Is de patiënt zich bewust van de nieuwe situatie? Wat vindt de
patiënt van zijn of haar huidige gezondheidssituatie?
3. Sociaal-cultureel, deze variabele omvat alle informatie die betrekking heeft op het sociaal
functioneren van de betreffende persoon en diens culturele achtergrond. Je kan je hierbij afvragen
zaken als; is de patiënt deel van een groep? Komt de patiënt uit een grote of kleine familie? Heeft de
, op patiënt überhaupt familie? Uit wat voor gemeenschap komt de patiënt? Is de patiënt op dit
moment in staat zijn of haar rol in het gezin te vervullen?
4. Ontwikkeling, deze variabele betreft alle informatie die betrekking heeft op de levensfase waarin
iemand verkeert, hoe eerdere levensfasen zijn verlopen en welke gevolgen bepaalde transities in de
levensloop hebben gehad of nog zullen gaan hebben. Je kan je hierbij afvragen zaken als; welke fase
van het leven zit de patiënt? Hoe is de ontwikkeling van de patiënt verlopen door de jaren heen? Is er
sprake van trauma’s die van invloed kunnen zijn op huidige gezondheidssituatie.
5. Spiritueel, deze variabele is een aangeboren eigenschap van ieder mens. Bewust of onbewust kan
deze spirituele variabele wel of niet zijn ontwikkeld. Dit kan bepalend zijn voor de wijze waarop
iemand in het leven staat. Je kan je hierbij afvragen zaken als; hoe ziet de patiënt de zin van het leven?
Ervaart de patiënt steun en/of hoop uit zijn of haar levensovertuiging? Op wat voor manier de
gewenste zorgverlening toegepast worden naar de levensovertuiging van de patiënt?
Het cliëntsysteem wordt beschreven als een centrale kern, de basisstructuur, die een aantal beschermende
cirkels om zich heen heeft. Die beschermende cirkels beschermen de centrale kern van het cliëntsysteem.
De verschillende beschermende cirkels bevatten overeenkomstige beschermende factoren. Deze factoren zijn
verwant aan de vijf variabelen.
Het cliëntsysteem is als volgt opgebouwd:
1. De centrale kern
2. De weerstandslijnen
3. De normale verdedigingslinie
4. De flexibele verdedigingslinie
De centrale kern
De centrale kern (opgebouwd uit de kenmerken van de vijf variabelen) bevat alle energiebronnen en
overlevingsfactoren van het cliëntsysteem. Daarbij moet je denken aan de volgende factoren:
● Lichaamstemperatuur
● Genetische structuur
● Reactiepatronen
● Orgaansterkte of zwakheden
● Egostructuur
Als het cliëntsysteem niet een individu is, maar een gezin bestaat de centrale kern uit de samenstelling van de
verschillende gezinsleden.
De weerstandslijnen
De weerstandslijnen liggen om de centrale kern heen en hebben de functie om de kern te beschermen. Ze zijn
gemaakt van een groot aantal willekeurige of onbewuste factoren die de normale verdedigingslinie
ondersteunen. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat een cliëntsysteem koorts krijgt om een binnengedrongen
virus te bestrijden. Als het cliëntsysteem een gezin is, spelen de weerstandslijnen ook een rol. Zij zorgen voor
het optreden van weerstandsreacties bij bepaalde normen en waarden. Bijvoorbeeld bij de voorkeur voor een
opname van een gezinslid met psychiatrische problemen, zodat de rest van het gezin niet heel zwaar belast
wordt en eronder lijdt. Als invloeden (stressoren) de normale verdedigingslinie (normale gezondheid) verstoord
hebben, proberen de weerstandslijnen de centrale kern te beschermen en de normale gezondheid weer te
herstellen. Wanneer het de weerstandslijnen niet lukt om de normale gezondheid terug naar het oude niveau
te brengen, kan het zijn dat het cliëntsysteem instort.
de student past de canmedsrollen toe op een casus
❖ CanMEDSrollen
1. De zorgverlener
Als zorgverlener onderzoek je welke vragen en problemen een zorgvrager heeft en wat hij of zij zelf kan. Vervolgens stel je
vast welke verpleegkundige zorg daarbij nodig is. Daarnaast ben je bevoegd om het verpleegkundig proces in te richten en
vorm te geven in samenwerking met andere zorgprofessionals.
2. De communicator
Als verpleegkundige kijk je welke informatie iemand in zijn/haar ziekteproces nodig heeft. Je houdt in je communicatie
rekening met de culturele achtergrond, taalbeheersing, begripsniveau en draagkracht van de zorgvrager en diens naasten.
‘Communiceren op maat’ staat hierbij centraal. Je past technologische zorgondersteuning toe en biedt zorg op afstand
(e-health) als aanvulling op het persoonlijk contact met de zorgvrager.
3. De samenwerkingspartner
Als verpleegkundige werk je samen met de zorgvrager en diens naasten. Ook de samenwerking met andere disciplines en
leidinggevenden is belangrijk. Je bent er steeds op gericht dat alle betrokkenen over de juiste informatie beschikken zodat
de zorg optimaal kan plaatsvinden.
4. De reflectieve EBP-professional
Bij je werk als verpleegkundige is het van belang dat je op zoek gaat naar de best beschikbare onderbouwing van je
handelen, ofwel Evidence-based Practice (EBP). Deze kennis pas je toe in de praktijk. Daarnaast werk je mee in onderzoek
van (verpleegkundig) specialisten en onderzoekers. Zo werk je permanent aan de ontwikkeling van je eigen deskundigheid
en aan die van je collega’s. Je leert je leven lang.
5. De gezondheidsbevorderaar
In de maatschappij verschuift de aandacht van ‘zorg en ziekte’ naar ‘gedrag en gezondheid’. Je bent daarom als
verpleegkundige meer en meer bezig met het bevorderen van de gezondheid van mensen waarbij de wens van de
zorgvrager voorop staat. Je beïnvloedt de leefstijl en het gezond gedrag van burgers en zorgvragers.
6. De organisator
Als verpleegkundige kun je werkzaam zijn in uiteenlopende organisaties: grote ziekenhuizen, kleinschalige teams of als
zelfstandig beroepsbeoefenaar. Wat je toekomstige werkveld ook zal zijn, je hebt een coördinerende rol rond de zorgvragers
binnen jouw organisatie. Je bent actief bij het bevorderen van de patiëntveiligheid en hebt een leidende rol bij
veranderingen.
7. De professional en kwaliteitsbevorderaar
Als verpleegkundige lever je zorg die past binnen de geldende wet- en regelgeving. Je onderzoekt bovendien systematisch
of de zorg die je verleent aan alle kwaliteitseisen voldoet. Waar nodig zorg je ervoor dat de kwaliteit wordt verbeterd.
Daarbij vind je het een uitdaging om met mensen te werken en heb je aandacht voor ieder uniek individu.
nsm
de student beschrijft het cliëntsysteem van een zorgvrager aan de hand van de intra- en
interpersoonlijke omgeving (inclusief stressoren, coping en 5 variabelen).
❖ NSM theorie: vijf variabelen + voorbeelden, cliëntsysteem, verdedigingslinie, intra- en
extrapersoonliijke factoren
1. Fysiologisch, deze variabele heeft betrekking op alle informatie over de aard en kwaliteit van het
lichaam, de structuur van het lichaam, de organen en alle fysiologische processen die daarbij horen. Je
kan je hierbij afvragen zaken als; wat is zijn of haar temperatuur, welke voeding neemt de patiënt
normaliter tot zich, is de patiënt normaliter actief met sport?
2. Psychologisch, deze variabele omvat alle informatie over het mentaal/geestelijk functioneren van de
mens als individu. Je kan je hierbij afvragen zaken als; hoe zit de patiënt in zijn vel? Staat de patiënt
normaliter optimistisch in het leven? Is de patiënt zich bewust van de nieuwe situatie? Wat vindt de
patiënt van zijn of haar huidige gezondheidssituatie?
3. Sociaal-cultureel, deze variabele omvat alle informatie die betrekking heeft op het sociaal
functioneren van de betreffende persoon en diens culturele achtergrond. Je kan je hierbij afvragen
zaken als; is de patiënt deel van een groep? Komt de patiënt uit een grote of kleine familie? Heeft de
, op patiënt überhaupt familie? Uit wat voor gemeenschap komt de patiënt? Is de patiënt op dit
moment in staat zijn of haar rol in het gezin te vervullen?
4. Ontwikkeling, deze variabele betreft alle informatie die betrekking heeft op de levensfase waarin
iemand verkeert, hoe eerdere levensfasen zijn verlopen en welke gevolgen bepaalde transities in de
levensloop hebben gehad of nog zullen gaan hebben. Je kan je hierbij afvragen zaken als; welke fase
van het leven zit de patiënt? Hoe is de ontwikkeling van de patiënt verlopen door de jaren heen? Is er
sprake van trauma’s die van invloed kunnen zijn op huidige gezondheidssituatie.
5. Spiritueel, deze variabele is een aangeboren eigenschap van ieder mens. Bewust of onbewust kan
deze spirituele variabele wel of niet zijn ontwikkeld. Dit kan bepalend zijn voor de wijze waarop
iemand in het leven staat. Je kan je hierbij afvragen zaken als; hoe ziet de patiënt de zin van het leven?
Ervaart de patiënt steun en/of hoop uit zijn of haar levensovertuiging? Op wat voor manier de
gewenste zorgverlening toegepast worden naar de levensovertuiging van de patiënt?
Het cliëntsysteem wordt beschreven als een centrale kern, de basisstructuur, die een aantal beschermende
cirkels om zich heen heeft. Die beschermende cirkels beschermen de centrale kern van het cliëntsysteem.
De verschillende beschermende cirkels bevatten overeenkomstige beschermende factoren. Deze factoren zijn
verwant aan de vijf variabelen.
Het cliëntsysteem is als volgt opgebouwd:
1. De centrale kern
2. De weerstandslijnen
3. De normale verdedigingslinie
4. De flexibele verdedigingslinie
De centrale kern
De centrale kern (opgebouwd uit de kenmerken van de vijf variabelen) bevat alle energiebronnen en
overlevingsfactoren van het cliëntsysteem. Daarbij moet je denken aan de volgende factoren:
● Lichaamstemperatuur
● Genetische structuur
● Reactiepatronen
● Orgaansterkte of zwakheden
● Egostructuur
Als het cliëntsysteem niet een individu is, maar een gezin bestaat de centrale kern uit de samenstelling van de
verschillende gezinsleden.
De weerstandslijnen
De weerstandslijnen liggen om de centrale kern heen en hebben de functie om de kern te beschermen. Ze zijn
gemaakt van een groot aantal willekeurige of onbewuste factoren die de normale verdedigingslinie
ondersteunen. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat een cliëntsysteem koorts krijgt om een binnengedrongen
virus te bestrijden. Als het cliëntsysteem een gezin is, spelen de weerstandslijnen ook een rol. Zij zorgen voor
het optreden van weerstandsreacties bij bepaalde normen en waarden. Bijvoorbeeld bij de voorkeur voor een
opname van een gezinslid met psychiatrische problemen, zodat de rest van het gezin niet heel zwaar belast
wordt en eronder lijdt. Als invloeden (stressoren) de normale verdedigingslinie (normale gezondheid) verstoord
hebben, proberen de weerstandslijnen de centrale kern te beschermen en de normale gezondheid weer te
herstellen. Wanneer het de weerstandslijnen niet lukt om de normale gezondheid terug naar het oude niveau
te brengen, kan het zijn dat het cliëntsysteem instort.