Psychologie van chronische pijn
1. Inleiding
- Franse filosoof descartes:
Dualistisch denken: lichaam en geest.
- Correlatie tussen de pathologie, pijn en hinder.
Men gaat uit van een linair gebeuren: hoe groter de pathologie, hoe meer pijn, hoe
meer hinder, maar er is juist een variabele relatie hiertussen.
Pijn en hinder blijven ondanks genezing pf behandeling van de pathologie =
chronisch.
- Natuurlijk verloop van rugklachten
Hoe meer de tijd vordert, hoe minder mensen nog klachten zullen hebben.
De kosten lopen juist op naarmate de tijd verstrijkt.
- Beperkte overlap tussen de patholgie met de klachten en
de hinder die men ondervindt.
Elk deel heeft een deel dat niet verklaart kan worden.
- Psychogene pijn:
Niets te maken met het lichamelijke.
Dit zorgt voor een tweespalt: lichamelijke en psychogene pijn, maar:
o We weten nog niet alles (later kunnen we het misschien wel verklaren).
o We weten niet wat psychogene pijn is.
o De diagnose is niet indicatief voor de behandeling (wat moet je behandelen?).
o Nadelig voor de arts-patiënt relatie.
- Gate control theory:
Dit kan door allerlei factoren (cognitief, emotioneel …) beïnvloed worden.
Dus de poort kan sneller openstaan (er wordt meer pijn ervaren).
, 2. Biopsychosociaal perspectief of pijn en hinder
- Pijn is:
Een onplezierige, sensorische en omtionele ervaring die gpaard gaat met feitelijke
weefselbeschadiging die beschreven wordt in termen van een dergelijk beschadiging.
Multifactorieel: biologisch, genetisch, sociale … invloeden.
Multicausaal: zelden 1 duidelijke oorzaak, maar vaak oorzaken die op elkaar
inwerken.
- Chronische pijnstoornis (DSM 4)
Psychische factoren spelen een belangrijke rol in het begin, de ernst, toename, of
voortduren van pijn.
o Dit duwde de chronische pijnpatiënten in de psychische hoek.
2.1. Pijn en emotionele factoren
A. Depressie
- 40 – 50%
- Hoge correlatie, maar gevolg – oorzaak probleem.
Meeste studies impliceren dat depressie de secundaire aandoening is.
- Dit interfereert met revalidatieprogramma’s.
B. Angst
- Patiënten krijgen angst, omdat er geen duidelijke medisch verklaring is.
- Gedeelde psychologische kwetsbaarheidsfactoren.
Er is overlap tussen factoren die leiden tot chronische pijn en angst.
o Negatief affect of neuroticisme = een neiging om negatieve emoties te ervaren.
o Hypochondrie = de vrees of opvatting om een ernstige ziekte te hebben.
o Somatisatie = neiging om lichamelijke symptomen te wijten aan aandoeningen.
2.2. Pijn en cognitieve factoren
- Overtuigingen en verwachtingen hebben een enorme invloed. Studie:
Een heel koude of warme prikkel wordt gegeven.
Dit werd voorafgegaan door een blauw of rood licht.
Achteraf werd gevraagd: hoeveel pijn, was het warm of koud … ?
De prikkels met het rode lampje werden meer geïnterpreteerd als warmte prikkels en
als pijnlijker dan de prikkels die voorafgingen met blauw.
1. Inleiding
- Franse filosoof descartes:
Dualistisch denken: lichaam en geest.
- Correlatie tussen de pathologie, pijn en hinder.
Men gaat uit van een linair gebeuren: hoe groter de pathologie, hoe meer pijn, hoe
meer hinder, maar er is juist een variabele relatie hiertussen.
Pijn en hinder blijven ondanks genezing pf behandeling van de pathologie =
chronisch.
- Natuurlijk verloop van rugklachten
Hoe meer de tijd vordert, hoe minder mensen nog klachten zullen hebben.
De kosten lopen juist op naarmate de tijd verstrijkt.
- Beperkte overlap tussen de patholgie met de klachten en
de hinder die men ondervindt.
Elk deel heeft een deel dat niet verklaart kan worden.
- Psychogene pijn:
Niets te maken met het lichamelijke.
Dit zorgt voor een tweespalt: lichamelijke en psychogene pijn, maar:
o We weten nog niet alles (later kunnen we het misschien wel verklaren).
o We weten niet wat psychogene pijn is.
o De diagnose is niet indicatief voor de behandeling (wat moet je behandelen?).
o Nadelig voor de arts-patiënt relatie.
- Gate control theory:
Dit kan door allerlei factoren (cognitief, emotioneel …) beïnvloed worden.
Dus de poort kan sneller openstaan (er wordt meer pijn ervaren).
, 2. Biopsychosociaal perspectief of pijn en hinder
- Pijn is:
Een onplezierige, sensorische en omtionele ervaring die gpaard gaat met feitelijke
weefselbeschadiging die beschreven wordt in termen van een dergelijk beschadiging.
Multifactorieel: biologisch, genetisch, sociale … invloeden.
Multicausaal: zelden 1 duidelijke oorzaak, maar vaak oorzaken die op elkaar
inwerken.
- Chronische pijnstoornis (DSM 4)
Psychische factoren spelen een belangrijke rol in het begin, de ernst, toename, of
voortduren van pijn.
o Dit duwde de chronische pijnpatiënten in de psychische hoek.
2.1. Pijn en emotionele factoren
A. Depressie
- 40 – 50%
- Hoge correlatie, maar gevolg – oorzaak probleem.
Meeste studies impliceren dat depressie de secundaire aandoening is.
- Dit interfereert met revalidatieprogramma’s.
B. Angst
- Patiënten krijgen angst, omdat er geen duidelijke medisch verklaring is.
- Gedeelde psychologische kwetsbaarheidsfactoren.
Er is overlap tussen factoren die leiden tot chronische pijn en angst.
o Negatief affect of neuroticisme = een neiging om negatieve emoties te ervaren.
o Hypochondrie = de vrees of opvatting om een ernstige ziekte te hebben.
o Somatisatie = neiging om lichamelijke symptomen te wijten aan aandoeningen.
2.2. Pijn en cognitieve factoren
- Overtuigingen en verwachtingen hebben een enorme invloed. Studie:
Een heel koude of warme prikkel wordt gegeven.
Dit werd voorafgegaan door een blauw of rood licht.
Achteraf werd gevraagd: hoeveel pijn, was het warm of koud … ?
De prikkels met het rode lampje werden meer geïnterpreteerd als warmte prikkels en
als pijnlijker dan de prikkels die voorafgingen met blauw.