Dit overzicht combineert informatie uit de bronnen om een diepgaand inzicht
te geven in de aanpak van schulden, rekening houdend met zowel juridische
als gedragsmatige aspecten.
Algemene Inleiding op de Schuldenproblematiek (Basisboek
Hoofdstuk 1)
In Nederland kampen veel huishoudens met financiële problemen. Het
oplossen hiervan is vaak een grote opgave en vereist voor een aanzienlijk
deel van deze groep vrijwillige of professionele ondersteuning.
1. Omvang van de problematiek: Het exacte aantal mensen met
schulden is onduidelijk door het ontbreken van een centrale registratie.
Globale cijfers van 2018 (vóór corona) laten zien dat:
38% van de huishoudens moeite heeft met rondkomen. Dit
percentage was lager dan in 2015 (45%), toen de internationale
economische crisis nog nawerkte. Redenen hiervoor zijn: stijgende
uitgaven bij gelijkblijvende inkomsten, te hoge vaste lasten en te lage
inkomsten. Moeilijk rondkomen heeft een objectieve én subjectieve
kant. Het hangt samen met 'zachte' factoren (financieel gedrag zoals
wanordelijke administratie, ondoordachte aankopen, geringe buffer,
onbekendheid met toeslagen) en 'harde' factoren (hoogte en stabiliteit
van inkomen).
11,5% van de huishoudens lichte betalingsproblemen heeft. Dit
komt neer op bijna een miljoen huishoudens. Dit betekent regelmatig
een aanmaning ontvangen, geen geld kunnen opnemen/pinnen, of een
betalingsregeling treffen. De meest te laat betaalde rekeningen zijn
zorgverzekering (36%), huur/hypotheek (30%), energie (23%), lokale
lasten (20%), water (17%) en mobiele telefoon (17%).
8,3% van de huishoudens geregistreerde problematische
schulden heeft. Dit zijn 650.700 huishoudens, bijna 1 op de 10. Deze
situaties zijn vaak langdurig en hardnekkig; meer dan de helft heeft na
drie jaar nog steeds problematische schulden. Er zijn grote regionale
verschillen, met hogere percentages in steden (bijv. Rotterdam 16%)
dan op het platteland (bijv. Rozendaal 2,1%). Problematische schulden
hangen vaak samen met armoede.
, o Definitie geregistreerde problematische schulden (CBS,
2020): Ten minste één persoon in een huishouden voldoet aan
criteria zoals deelname aan een Wsnp-traject, een bij BKR
geregistreerd minnelijk traject of betalingsachterstand,
opname in het Centraal Curatele en Bewindregister (CCBR)
wegens verkwisting/schulden, minstens 6 maanden onbetaalde
zorgpremie, achterstand Wet Mulder-boete bij CJIB (€50+ en
tweede aanmaning), toeslagschuld bij Belastingdienst langer dan
27 maanden (€50+), overige belastingschulden langer dan 15
maanden (€50+), oninbare belastingschuld in 12 maanden, of
DUO-achterstand van 3+ maanden en min. €270.
2. Bereik van ondersteuning: Een groot deel van de huishoudens met
betalingsproblemen krijgt geen hulp. Slechts krap 10% van huishoudens met
lichte betalingsproblemen krijgt hulp van vrijwilligers/professionals, en 16,3%
van de huishoudens met geregistreerde problematische schulden ontvangt
geregistreerde hulp (minnelijke/wettelijke regeling of beschermingsbewind).
De NVVK registreerde de afgelopen jaren ongeveer 90.000 hulpverzoeken
per jaar. In 2019 hadden mensen die zich meldden gemiddeld 13
schuldeisers en een schuld van €43.513. Oververtegenwoordigd zijn
alleenstaanden, jonger dan 45 jaar, met een uitkeringsinkomen. Het geringe
bereik leidde in 2018 tot de Brede Schuldenaanpak.
3. Achtergrondkenmerken en belemmeringen: Mensen met geldzorgen
delen relatief vaak kenmerken als jonger dan 65 jaar, opvoeding van
kinderen, lager inkomen en opleidingsniveau, huurwoning, alleenstaand,
maandelijks roodstaan, en een recente negatieve financiële gebeurtenis.
Vaak voorkomende belemmeringen zijn laaggeletterdheid (ca. 15%
volwassenen, bijna de helft van hulpzoekenden), lage digivaardigheid (ca.
15% van de Nederlanders), en een licht verstandelijke beperking (LVB)
(ca. 15% van de bevolking). Deze belemmeringen overlappen vaak en
bemoeilijken de aanpak van schulden. Stress door geldzorgen vermindert
het 'doenvermogen' (vermogen om lange termijn doelen te realiseren).
4. Ontwikkelingen en kritiek op de schuldenaanpak: De afgelopen 15
jaar is de incassowereld sterk veranderd, met meer druk op schuldenaren:
Marktwerking bij gerechtsdeurwaarders (sinds 2001):
Deurwaarders mochten landelijk werken en concurreren op prijs, wat
leidde tot steviger druk en mogelijk aantasting van onafhankelijkheid.
, Meer incassobevoegdheden voor de overheid (2006-2009):
Overheid en aanverwante partijen (bijv. zorgverzekeraars met
bronheffing) kregen bijzondere bevoegdheden om efficiënter in te
vorderen, waardoor schuldenaren sneller klem kwamen te zitten.
Toename van vorderingverkoop: Schuldeisers verkopen
vorderingen voor een deel van het bedrag, wat leidt tot agressievere
incasso en minder ruimte voor maatwerk door de nieuwe eigenaren.
Te hoge incassokosten door incassobureaus: Ondanks de Wet
normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK, 2012)
bleven incassobureaus vaak onterechte kosten in rekening brengen of
onjuiste/ondoorschijnende informatie verspreiden.
Tegelijkertijd vroegen de schuldhulpverlening steeds meer van
schuldenaren:
Bezuinigingen: Na de economische crisis van 2008 vielen tijdelijke
middelen weg en werden structurele kortingen doorgevoerd, terwijl de
hulpvraag bleef stijgen.
Verschuiving naar de participatiesamenleving: De overheid trok
zich terug en vroeg burgers meer 'eigen regie' en 'zelfredzaamheid'.
Dit leidde tot hogere eisen aan schuldenaren, snellere beëindiging van
trajecten bij niet-naleving en minimale inzet van professionals.
Invoering Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs, 2012):
Hoewel bedoeld voor effectievere en integrale hulp, gebruikten
gemeenten de beleidsvrijheid vaak om te bezuinigen en meer
zelfredzaamheid te eisen.
Deze ontwikkelingen leidden tot een "entry-exit paradox" en kritiek op:
De praktische uitvoering: Schuldeisers hielden geen rekening met
budget, verdrongen elkaar, brachten te hoge kosten in rekening, en de
overheid was te rechtlijnig. Schuldhulpverlening was onbekend, vroeg
te veel administratie, had lange doorlooptijden, grote gemeentelijke
verschillen en leidde te weinig mensen toe naar Wsnp.
Het mensbeeld onder beleid en wetgeving: Er werd te weinig
rekening gehouden met de verlammende werking van aanhoudende
geldstress op gedrag en 'doenvermogen'.