23 april 2025
Er zijn drie thema’s in het boek die in de hele cursus terugkomen:
- Gelimiteerde capaciteit en motivatie: we moeten keuzes maken over waar we
onze aandacht aanbesteden, waarbij we de informatie kiezen die op dat moment
belangrijk zijn
- Bottom up vs. top-down: top-down = voorkennis, bottom up = nieuwe kennis
- Automatische vs. gecontroleerde verwerking: er wordt informatie automatisch
geactiveerd door de situatie, maar je kunt ook de tijd nemen (zoekproces in het
geheugen), wat dus gecontroleerde verwerking is.
Stimuli kunnen leiden tot gedrag. Er liggen allerlei cognitieve
processen ten grondslag aan ons gedrag en beoordelingen: wanneer
een stimuli aandacht krijgt (perceptie), zoals doel-relevante stimuli,
wordt deze verder verwerkt. Vervolgens wordt er een betekenis
gegeven aan deze informatie door middel van encoderen. Dit
gebeurt door middel van voorkennis (geheugen) of door zojuist geactiveerde informatie
(priming). De geëncodeerde informatie wordt dieper verwerkt voor het maken van
oordelen.
Bij een gebrek aan cognitieve capaciteit ontstaat er een directe verbinding tussen
stimuli en gedrag, waardoor men automatiserend werkt. Wanneer je je volledig focust
op een taak, dan let je niet op andere stimuli die aanwezig zijn (moonwalking bear).
Hierbij wordt de informatie niet verder verwerkt (perceptie).
Is gemiddeldheid en betrouwbaarheid universeel?
De mate van verwachte betrouwbaarheid op basis van een gezicht blijkt niet universeel,
maar lokaal te zijn, waarbij een gemiddeld gezicht van de eigen etniciteit als het meest
betrouwbaar wordt gezien:
Model: betrouwbaarheid = lokale gemiddeldheid + subtiele emotionele expressie
- Lokale gemiddeldheid: signaal van groep of cultuur (ingroup)
- Subtiele emotionele expressies: signaal van gedragsintenties
Gemiddeld aantrekkelijke gezichten worden als het meest betrouwbaar
gezien. Er is sprake van een interactie-effect: blije/neutrale in combinatie
met gemiddelde gezichten zijn het meest betrouwbaar, waarbij
(on)aantrekkelijke gezichten minder betrouwbaar zijn. Wanneer het gezicht
boos kijkt, is het effect van gemiddeldheid niet meer duidelijk en worden
gemiddelde gezichten ook onbetrouwbaar.
Olivola & Todorov (2010): Taak. Een gezicht categoriseren als Republikein of Democraat.
,Manipulatie. x% van de foto’s is democraat.
Resultaten. Mensen scoren lager dan de x%: ze blijven gebruikmaken van de informatie
die uit de sociale stimulus komt dan eigenlijk wat de taak is.
Je hebt niet altijd tijd om onderzoek te doen naar alle mogelijkheden, waardoor je alleen
beschikbare informatie gebruikt en een gebrek aan capaciteit of motivatie hebt. Dit is de
aanleiding voor het gebruik van shortcuts. Dit heeft ook te maken met Error
Management Theory (EMT).
Overgeneralisatie
Volgens de EMT moet je reageren op bepaalde kenmerken waarbij de gevolgen van het
niet reageren negatiever zijn dan het wel reageren, bijvoorbeeld met baby’s (je moet
voor de baby zorgen, ze zijn betrouwbaar) en emoties (je vermijdt een boos persoon).
Bij mensen met een babyface worden dezelfde inferenties gemaakt als bij echte baby’s
(fysiek zwak, hulpeloos, etc.). Bij neutrale gezichten worden soms emotionele expressies
afgelezen. Een neutraal gezicht kan er bijvoorbeeld boos uitzien, waardoor je dit gezicht
als agressief of vijandig kan zien.
Gezichten en emotionele expressies
Het gezicht is een van de belangrijkste bronnen van informatie, vooral bij de eerste
indrukken en tijdens interacties.
Bij angst zijn de ogen en de neus open, terwijl bij walging de ogen en de neus bijna
helemaal dicht zijn. Dit heeft te maken met het vergroten/verkleinen van de
sensorische input, waardoor je je overlevingskansen verhoogt. Verder zijn emoties
sociale stimuli, waardoor mensen deze emoties gaan imiteren. Dit leidt tot een
evolutionair signaal (hoewel het nooit als signaal bedoeld was), waardoor het bij de
expressie van de ontvanger hoort.
De waarheid zit waarschijnlijk in het midden: emoties kunnen de interne staat
reflecteren, maar ook de overlevingskans vergroten. Andere emoties hebben meer een
communicatieve functie, als ze ook een signaalfunctie geëvolueerd hebben.
HC 2 - Omgaan met onze beperkingen
28 april 2025
Wordt stereotype consistente informatie makkelijk opgeslagen?
Stereotype congruente informatie wordt makkelijker onthouden, waardoor je
meer cognitieve capaciteit overhoudt om andere informatie te onthouden. Voor
stereotype incongruente informatie is veel capaciteit nodig, waardoor de
informatie slecht onthouden kan worden als het werkgeheugen is belast.
, Men laat zich leiden door stereotiepe informatie bij weinig capaciteit:
ochtendmensen laten zich vaker leiden door stereotiepe informatie in de
avond en avondmensen laten zich hier vaker door leiden in de ochtend.
Police officer dilemma
Politieagenten moeten soms een snelle beslissing maken met zwaarwegende
gevolgen, bijvoorbeeld wanneer iemand een verdacht object vasthoudt.
Shooter-bias in reactietijden: de RT is sneller wanneer iemand bewapend is,
door aandachtgrijpende kenmerken van bedreigende informatie. In beide
gevallen is er een verschil in zwarte en witte amerikanen:
- Ongewapend: lagere RT bij witte dan bij zwarte targets. Er worden
ook meer fouten gemaakt bij zwarte targets dan bij witte targets.
- Gewapend: lagere RT bij zwarte dan bij witte targets. Er worden ook
meer fouten gemaakt bij witte targets dan bij zwarte targets.
Dit patroon komt voor, ongeacht de huidskleur van de deelnemer zelf.
Onder politieagenten is het effect zelfs nog groter.
Toepassing: ooggetuigenverklaringen
Er zijn drie momenten waarop informatieverwerking mis kan gaan: waarnemen →
opslaan → oproepen.
Waarnemen
Outgroup-homogeniteit. Ingroup-leden worden gezien als variërend, terwijl
outgroup-leden als hetzelfde worden gezien, doordat we hier minder ervaring mee
hebben. Mensen zijn daarom beter in het correct onthouden van wie iets wel/niet
gedaan heeft als dit persoon een ingroup-lid is.
Weapon focus. Een wapen trekt alle aandacht, waardoor identificatie van de
wapendragende persoon lastig wordt en ga je vertrouwen op stereotiepe informatie.
Opslaan
Bij het herinneren van informatie wordt dit uit het geheugen gehaald en opnieuw
opgeslagen, waardoor de informatie kan veranderen. De manier waarop een vraag
gesteld wordt kan de waarneming veranderen.
In situaties kunnen er veel details zijn die je je later niet meer kan herinneren. Deze
worden vervolgens ingevuld met informatie die je achteraf krijgt of contextuele
informatie. Dit gebeurt met name bij:
- Gewoonte-handelingen: kun je daadwerkelijk herinneren dat je het hebt gedaan,
of omdat je het altijd doet en ervan uitgaat dan je het vast wel hebt gedaan?
- Herhaaldelijk vertellen: herinneringen kunnen beïnvloed worden wanneer een
verhaal herhaaldelijk verteld wordt.