Inhoudsopgave
oofdstuk 1: Arbeids- en organisatiepsychologie
H
2
Hoofdstuk 2: Individuele verschillen 4
Hoofdstuk 6: Werkattitudes 7
Hoofdstuk 7: Gedragsaanpassing door motivatie en taakontwerp 13
Hoofdstuk 8: Training en ontwikkeling 19
Hoofdstuk 9: Stress en welzijn op het werk 22
Hoofdstuk 11: Leiderschap 26
Hoofdstuk 12: Loopbaanontwikkeling 30
,Hoofdstuk 1: Arbeids- en organisatiepsychologie
e psychologie kan in diverse aandachtsgebieden worden onderverdeeld, elk met een geheel eigen
D
focus. Deze disciplines worden onder de noemer van de theoretische psychologie geschaard.
- Biopsychologie→ Relatie tussen lichaam en geest.Onderzoeken onder andere de bij
bepaalde gedragingen, gedachtes en emoties horende activiteiten in de hersenen. Ook
geïnteresseerd in de lichamelijke veranderingen die zich voordoen bij stress.
- Cognitieve psychologie→ Gericht op ons cognitievefunctioneren, onze
gedachteprocessen. Omvat onder andere hoe goed we in bepaalde omstandigheden
informatie onthouden, hoe we informatie afwegen om tot een besluit te komen en hoe snel we
in psychometrisch onderzoek vragen verwerken.
- Ontwikkelingspsychologie→ Handelt over de manierenwaarop mensen in psychologisch
opzicht groeien en veranderen.
- Sociale psychologie→ Stelt zich de vraag hoe onzegedragingen, gedachtes en emoties
invloed uitoefenen op en beïnvloed worden door andere mensen
- Persoonlijkheidsleer→ Handelt over de neiging vanmensen om zich op een kenmerkende
manier te gedragen. Onderzoekt hoe mensen psychologisch van elkaar verschillen en hoe je
deze verschillen kunt meten.
Vijf tradities in de psychologie
1. Psychoanalyse
2. Persoonlijkheidsleer
3. Fenomenologie (Humanistische benadering)
4. Behaviorisme (Gedragsbenadering)
5. Sociaal-cognitieve theorie
sychoanalyse (Freud)
P
Depsychoanalytische traditielegt de nadruk op onbewustepsychologische conflicten. Deze traditie
zoekt de verklaring voor deze conflicten vaak in de vroege kinderervaringen.
Critici stellen dat de theorieën te sterk op interpretatie waren gericht en in feite niet konden worden
bewezen of weerlegd.
ersoonlijkheidsleer
P
Richt zich op het meten van iemands persoonlijkheidskenmerken. In het verleden ontwikkelden
filosofen bepaalde persoonlijkheidstypen en classificeerden ze mensen daarmee. Tegenwoordig
plaatsen persoonlijkheidstheoretici mensen meestal niet meer in hokjes, maar op een school of een
reeks van schalen.
De meeste aanhangers van de persoonlijkheidsleer stellen dat kenmerken in ieder geval deels
genetisch zijn bepaald, wat één reden is dat ze stabiel zijn.
De theorie van de persoonlijkheidsleer is daarnaast ontvankelijk voor cirkelredenering.
De persoonlijkheidsleer heeft veel invloed gehad op de arbeids- en organisatiepsychologie.
enomenologie (Humanistische benadering)
F
Defenomenologische benadering van persoonlijkheidis gericht op hoe mensen de wereld om
hen heen ervaren. De focus ligt op ons vermogen om onze ervaringen te interpreteren.
Fenomenologen stellen dat onze ervaringen bestaan uit de interactie tussen het ‘ruwe materiaal’ en
onze mentale vermogens.
Humanistische benadering van persoonlijkheid→ Hetindividu streeft naar persoonlijke groei of
zelfrealisatie:het vervullen van zijn potentieel.
, ehaviorisme (Gedragsbenadering)
B
Hetbehaviorismeis uitsluitend gericht op observeerbaargedrag en condities die bepaalde
gedragingen ontlokken. Een persoon bestaat in deze traditie uit een verzameling gedragingen.
Volgens het behaviorisme is het onnodig om onzichtbare concepten, zoals
persoonlijkheidskenmerken of verdedigingsmechanismen, te gebruiken als we datgene waarin we
geïnteresseerd zijn (gedrag) gewoon kunnen observeren.
Bekrachtiging→ Gunstige uitkomst van gedrag.
Bestraffing→ Ongunstige uitkomst van gedrag.
ociaal leren→ De aanhangers van deze theorie benadrukkenons vermogen om te leren van
S
bestraffingen en bekrachtigingen die door anderen worden ervaren in plaats van door onszelf.
ociaal-cognitieve theorie
S
Desociaal-cognitieve theorieis gericht op hoe onzegedachteprocessen worden gebruikt om
sociale interactie en andere sociaal-psychologische fenomenen te interpreteren. Ook wordt
verondersteld dat onze gedachteprocessen een weerspiegeling zijn van de wereld om ons heen én
van formele logica.
Aanhangers van sociale cognitie zien de mens als iemand die gemotiveerd is om zichzelf en zijn
sociale omgeving te begrijpen, met als doel een bepaalde orde of mate van voorspelbaarheid te
creëren. Het bestaan van andere mensen beïnvloedt de aard van onze gedachteprocessen. Deze
mensen hoeven niet per se fysiek aanwezig te zijn.
Wederkerig determinisme→ De mens is weliswaar deelshet product van zijn omgeving, maar dat
hij die omgeving ook kan beïnvloeden.
Informatieverwerking→ De focus ligt op het geheugen.Hoewel we geen nieuwe informatie kunnen
opnemen, zijn we over het algemeen niet bereid om onze huidige kijk op dingen te veranderen.
Zelfwerkzaamheid (self-efficacy)→ De mate waariniemand van mening is dat hij het gedrag kan
vertonen dat in een bepaalde situatie is vereist. Self-efficacy is vaak een voorspeller van gedrag.
chema→ Kennisstructuur die iemand gebruikt om situatieste kunnen duiden. Schema’s zijn
S
eigenlijk kant-en-klare modellen waarin we onze ervaringen kunnen opnemen.
Script→ Schema’s die een bepaalde opeenvolging vanhandelingen omvatten.
Gebeurtenissen die niet in onze schema’s en scripts passen, vinden we verwarrend en kunnen ertoe
leiden dat we onze schema’s en scripts aanpassen.
rbeidspsychologie is geworteld op twee manieren.
A
1. De eerste manier heeft te maken met twee tradities:
1. Fitting the man to the job(FMJ; De persoon aan hetwerk aanpassen). FMJ zie je vooral bij
de werving en selectie, training en loopbaanbegeleiding. Deze activiteiten richten zich
allemaal op het vinden van een goede match tussen een baan en een persoon door zich te
concentreren op de persoon.
2. Fitting the job to the man(FJM; Het werk aan de persoonaanpassen). FJM probeert een
goede match te vinden tussen een baan en een persoon door zich te concentreren op het
werk.
. De tweede manier heeft te maken methuman relations:de complexe wisselwerking tussen
2
individuen, groepen, organisaties en werk. De nadruk ligt hier op sociale factoren.
Het belang van human relations werd duidelijk in deHawthorne-experimenten. Het onderzoek keek
aanvankelijk naar de invloed van verlichting op de productiviteit van arbeiders.
Hawthorne-effect→ Het probleem dat het gedrag vaniemand wordt beïnvloed als hij weet dat hij
wordt onderzocht.
, Hoofdstuk 2: Individuele verschillen
e term algemene intelligentie werd voor het eerst gebruikt door de Britse psycholoog Charles
D
Spearman. Hij noemde intelligentie een general factor, de zogenoemdeg factorofgeneral mental
ability (GMA).Dat wil zeggen dat tests die algemeneintelligentie meten allemaal aan elkaar
gerelateerd zijn: mensen behalen op dergelijke, zorgvuldig ontwikkelde tests over het algemeen
vergelijkbare scores. De g factor is dus behoorlijk betrouwbaar en kan vrij nauwkeurigheid worden
gemeten.
inet-Simon:
B
Vooral voor schoolkinderen
Op een bepaalde leeftijd kon je een bepaald percentage behalen. Je score in vergelijking met je
leeftijd →Intelligentie quotiënt (IQ)→ Niveau vande kinderen identificeren
- Gestandaardiseerd (inhoud en uitvoering) → 1 vragenlijst voor iedereen onder dezelfde
omstandigheden
- Valide (meten wat je bedoelt te meten)
raktische intelligentie (Sternberg)
P
Heeft betrekking op het vermogen om problemen uit de praktijk op te lossen aan de hand van
informatie die niet in de formulering staat van het probleem.
loeibare intelligentie (Cattell & Horn)
V
Vermogen om na te denken en daarin ook flexibel te zijn, en het vermogen tot abstract denken.
ekristalliseerde intelligentie (Cattell & Horn)
G
Vermogen om te leren van ervaringen. Tekstbegrip en woordenschat.
eervoudige intelligentietheorie (Gardner)
M
Hij stelde dat er meer dan een enkele algemene intelligentiefactor is.
1. Linguïstisch→ Vermogen om jezelf effectief te uitenmet behulp van taal
2. Ruimtelijk→ Vermogen om mentale beelden te creërenen te manipuleren om bepaalde
problemen op te lossen en je te oriënteren in de ruimte
3. Muzikaal→ Vermogen om toonhoogtes en ritmes te herkennenen toe te passen
4. Logisch-mathematisch→ Vermogen om patronen waar tenemen, conclusies te trekken uit
gegevens en logisch te redeneren
5. Kinetisch→ Vermogen om mentale vermogens te gebruikenom de eigen
lichaamsbewegingen te coördineren
6. Interpersoonlijk→ Vermogen om gevoelens en bedoelingenvan anderen op te vangen en
te begrijpen
7. Intrapersoonlijk→ Vermogen om te reflecteren en eigengevoelens en motieven te
begrijpen
8. Natuurgerichtheid→ Vermogen om objecten in de natuurlijkewereld te herkennen en te
categoriseren
9. Existentieel→ Vermogen om je eigen positie in hetmenselijk bestaan te bepalen
oofdstuk 1: Arbeids- en organisatiepsychologie
H
2
Hoofdstuk 2: Individuele verschillen 4
Hoofdstuk 6: Werkattitudes 7
Hoofdstuk 7: Gedragsaanpassing door motivatie en taakontwerp 13
Hoofdstuk 8: Training en ontwikkeling 19
Hoofdstuk 9: Stress en welzijn op het werk 22
Hoofdstuk 11: Leiderschap 26
Hoofdstuk 12: Loopbaanontwikkeling 30
,Hoofdstuk 1: Arbeids- en organisatiepsychologie
e psychologie kan in diverse aandachtsgebieden worden onderverdeeld, elk met een geheel eigen
D
focus. Deze disciplines worden onder de noemer van de theoretische psychologie geschaard.
- Biopsychologie→ Relatie tussen lichaam en geest.Onderzoeken onder andere de bij
bepaalde gedragingen, gedachtes en emoties horende activiteiten in de hersenen. Ook
geïnteresseerd in de lichamelijke veranderingen die zich voordoen bij stress.
- Cognitieve psychologie→ Gericht op ons cognitievefunctioneren, onze
gedachteprocessen. Omvat onder andere hoe goed we in bepaalde omstandigheden
informatie onthouden, hoe we informatie afwegen om tot een besluit te komen en hoe snel we
in psychometrisch onderzoek vragen verwerken.
- Ontwikkelingspsychologie→ Handelt over de manierenwaarop mensen in psychologisch
opzicht groeien en veranderen.
- Sociale psychologie→ Stelt zich de vraag hoe onzegedragingen, gedachtes en emoties
invloed uitoefenen op en beïnvloed worden door andere mensen
- Persoonlijkheidsleer→ Handelt over de neiging vanmensen om zich op een kenmerkende
manier te gedragen. Onderzoekt hoe mensen psychologisch van elkaar verschillen en hoe je
deze verschillen kunt meten.
Vijf tradities in de psychologie
1. Psychoanalyse
2. Persoonlijkheidsleer
3. Fenomenologie (Humanistische benadering)
4. Behaviorisme (Gedragsbenadering)
5. Sociaal-cognitieve theorie
sychoanalyse (Freud)
P
Depsychoanalytische traditielegt de nadruk op onbewustepsychologische conflicten. Deze traditie
zoekt de verklaring voor deze conflicten vaak in de vroege kinderervaringen.
Critici stellen dat de theorieën te sterk op interpretatie waren gericht en in feite niet konden worden
bewezen of weerlegd.
ersoonlijkheidsleer
P
Richt zich op het meten van iemands persoonlijkheidskenmerken. In het verleden ontwikkelden
filosofen bepaalde persoonlijkheidstypen en classificeerden ze mensen daarmee. Tegenwoordig
plaatsen persoonlijkheidstheoretici mensen meestal niet meer in hokjes, maar op een school of een
reeks van schalen.
De meeste aanhangers van de persoonlijkheidsleer stellen dat kenmerken in ieder geval deels
genetisch zijn bepaald, wat één reden is dat ze stabiel zijn.
De theorie van de persoonlijkheidsleer is daarnaast ontvankelijk voor cirkelredenering.
De persoonlijkheidsleer heeft veel invloed gehad op de arbeids- en organisatiepsychologie.
enomenologie (Humanistische benadering)
F
Defenomenologische benadering van persoonlijkheidis gericht op hoe mensen de wereld om
hen heen ervaren. De focus ligt op ons vermogen om onze ervaringen te interpreteren.
Fenomenologen stellen dat onze ervaringen bestaan uit de interactie tussen het ‘ruwe materiaal’ en
onze mentale vermogens.
Humanistische benadering van persoonlijkheid→ Hetindividu streeft naar persoonlijke groei of
zelfrealisatie:het vervullen van zijn potentieel.
, ehaviorisme (Gedragsbenadering)
B
Hetbehaviorismeis uitsluitend gericht op observeerbaargedrag en condities die bepaalde
gedragingen ontlokken. Een persoon bestaat in deze traditie uit een verzameling gedragingen.
Volgens het behaviorisme is het onnodig om onzichtbare concepten, zoals
persoonlijkheidskenmerken of verdedigingsmechanismen, te gebruiken als we datgene waarin we
geïnteresseerd zijn (gedrag) gewoon kunnen observeren.
Bekrachtiging→ Gunstige uitkomst van gedrag.
Bestraffing→ Ongunstige uitkomst van gedrag.
ociaal leren→ De aanhangers van deze theorie benadrukkenons vermogen om te leren van
S
bestraffingen en bekrachtigingen die door anderen worden ervaren in plaats van door onszelf.
ociaal-cognitieve theorie
S
Desociaal-cognitieve theorieis gericht op hoe onzegedachteprocessen worden gebruikt om
sociale interactie en andere sociaal-psychologische fenomenen te interpreteren. Ook wordt
verondersteld dat onze gedachteprocessen een weerspiegeling zijn van de wereld om ons heen én
van formele logica.
Aanhangers van sociale cognitie zien de mens als iemand die gemotiveerd is om zichzelf en zijn
sociale omgeving te begrijpen, met als doel een bepaalde orde of mate van voorspelbaarheid te
creëren. Het bestaan van andere mensen beïnvloedt de aard van onze gedachteprocessen. Deze
mensen hoeven niet per se fysiek aanwezig te zijn.
Wederkerig determinisme→ De mens is weliswaar deelshet product van zijn omgeving, maar dat
hij die omgeving ook kan beïnvloeden.
Informatieverwerking→ De focus ligt op het geheugen.Hoewel we geen nieuwe informatie kunnen
opnemen, zijn we over het algemeen niet bereid om onze huidige kijk op dingen te veranderen.
Zelfwerkzaamheid (self-efficacy)→ De mate waariniemand van mening is dat hij het gedrag kan
vertonen dat in een bepaalde situatie is vereist. Self-efficacy is vaak een voorspeller van gedrag.
chema→ Kennisstructuur die iemand gebruikt om situatieste kunnen duiden. Schema’s zijn
S
eigenlijk kant-en-klare modellen waarin we onze ervaringen kunnen opnemen.
Script→ Schema’s die een bepaalde opeenvolging vanhandelingen omvatten.
Gebeurtenissen die niet in onze schema’s en scripts passen, vinden we verwarrend en kunnen ertoe
leiden dat we onze schema’s en scripts aanpassen.
rbeidspsychologie is geworteld op twee manieren.
A
1. De eerste manier heeft te maken met twee tradities:
1. Fitting the man to the job(FMJ; De persoon aan hetwerk aanpassen). FMJ zie je vooral bij
de werving en selectie, training en loopbaanbegeleiding. Deze activiteiten richten zich
allemaal op het vinden van een goede match tussen een baan en een persoon door zich te
concentreren op de persoon.
2. Fitting the job to the man(FJM; Het werk aan de persoonaanpassen). FJM probeert een
goede match te vinden tussen een baan en een persoon door zich te concentreren op het
werk.
. De tweede manier heeft te maken methuman relations:de complexe wisselwerking tussen
2
individuen, groepen, organisaties en werk. De nadruk ligt hier op sociale factoren.
Het belang van human relations werd duidelijk in deHawthorne-experimenten. Het onderzoek keek
aanvankelijk naar de invloed van verlichting op de productiviteit van arbeiders.
Hawthorne-effect→ Het probleem dat het gedrag vaniemand wordt beïnvloed als hij weet dat hij
wordt onderzocht.
, Hoofdstuk 2: Individuele verschillen
e term algemene intelligentie werd voor het eerst gebruikt door de Britse psycholoog Charles
D
Spearman. Hij noemde intelligentie een general factor, de zogenoemdeg factorofgeneral mental
ability (GMA).Dat wil zeggen dat tests die algemeneintelligentie meten allemaal aan elkaar
gerelateerd zijn: mensen behalen op dergelijke, zorgvuldig ontwikkelde tests over het algemeen
vergelijkbare scores. De g factor is dus behoorlijk betrouwbaar en kan vrij nauwkeurigheid worden
gemeten.
inet-Simon:
B
Vooral voor schoolkinderen
Op een bepaalde leeftijd kon je een bepaald percentage behalen. Je score in vergelijking met je
leeftijd →Intelligentie quotiënt (IQ)→ Niveau vande kinderen identificeren
- Gestandaardiseerd (inhoud en uitvoering) → 1 vragenlijst voor iedereen onder dezelfde
omstandigheden
- Valide (meten wat je bedoelt te meten)
raktische intelligentie (Sternberg)
P
Heeft betrekking op het vermogen om problemen uit de praktijk op te lossen aan de hand van
informatie die niet in de formulering staat van het probleem.
loeibare intelligentie (Cattell & Horn)
V
Vermogen om na te denken en daarin ook flexibel te zijn, en het vermogen tot abstract denken.
ekristalliseerde intelligentie (Cattell & Horn)
G
Vermogen om te leren van ervaringen. Tekstbegrip en woordenschat.
eervoudige intelligentietheorie (Gardner)
M
Hij stelde dat er meer dan een enkele algemene intelligentiefactor is.
1. Linguïstisch→ Vermogen om jezelf effectief te uitenmet behulp van taal
2. Ruimtelijk→ Vermogen om mentale beelden te creërenen te manipuleren om bepaalde
problemen op te lossen en je te oriënteren in de ruimte
3. Muzikaal→ Vermogen om toonhoogtes en ritmes te herkennenen toe te passen
4. Logisch-mathematisch→ Vermogen om patronen waar tenemen, conclusies te trekken uit
gegevens en logisch te redeneren
5. Kinetisch→ Vermogen om mentale vermogens te gebruikenom de eigen
lichaamsbewegingen te coördineren
6. Interpersoonlijk→ Vermogen om gevoelens en bedoelingenvan anderen op te vangen en
te begrijpen
7. Intrapersoonlijk→ Vermogen om te reflecteren en eigengevoelens en motieven te
begrijpen
8. Natuurgerichtheid→ Vermogen om objecten in de natuurlijkewereld te herkennen en te
categoriseren
9. Existentieel→ Vermogen om je eigen positie in hetmenselijk bestaan te bepalen