Genoeg voor iedereen?
Aids: ziekte, veroorzaakt door het hiv-virus, die het afweersysteem van het lichaam
afbreekt.
Bodemdegradatie: de afname van de kwaliteit van de bodem en de begroeiing als
gevolg van een verkeerd gebruik door de mens. Heet ook landdegradatie.
Coherent beleid: beleid op een bepaald terrein (bijvoorbeeld
ontwikkelingssamenwerking) dat niet wordt tegengewerkt door beleid op andere
terreinen, het tegenovergestelde is een incoherent beleid.
Commerciële landbouw: landbouw die gericht is op het maken van winst.
Comparatief voordeel: het financiële voordeel dat een land behaalt wanneer het een
bepaald product goedkoper kan produceren dan een ander land.
Complementariteit: het ene gebied heeft iets wat een ander gebied niet heeft (die
gebieden vullen elkaar aan).
Draagkracht: het vermogen van de natuur om mensen te voorzien in hun bestaan,
zonder dat het natuurlijke evenwicht wordt verstoord.
Droogtelandbouw: akkerbouwtechnieken die de teelt van gewassen in droge
gebieden mogelijk maakt.
Droogteresistent gewas: landbouwgewas dat bestand is tegen extra droge
omstandigheden.
Dumping: het op de markt brengen van goederen beneden de kostprijs.
Exportlandbouw: landbouwactiviteiten die gericht zijn op de uitvoer.
FAO: Food and Agriculture Organization, de Voedsel- en Landbouworganisatie van
de Verenigde Naties (VN) die tot doel heeft de honger in de wereld te bestrijden.
Geglobaliseerde landbouw: commerciële landbouw die gericht is op en sterk wordt
beïnvloed door de wereldmarkt.
Genetisch gemanipuleerd voedsel: voedsel van landvouwgewassen waarvan de
erfelijke eigenschappen doelgericht zijn veranderd.
Globalisering; het doorgaande proces van internationale uitwisseling van mensen,
goederen, geld en informatie (kennis, cultuur).
Good governance: goed bestuur met als (voornaamste) uitgangspunten openheid,
verantwoording, rechtvaardigheid, bevolkingsparticipatie en overeenstemming.
Groene revolutie: de invoering van verbeterde, snelgroeiende soorten in de
landbouw, in combinatie met het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
Grondbezit verhouding; de manier waarop het bezit van de langbouwgrond is
verdeeld over de bevolking.
Grootfamilie: leefeenheid met een of meer kerngezinnen op basis van familierelaties.
, Handelsgewas: gewas dat verbouwd wordt met een winstoogmerk en dat wordt
verhandeld en tot producten verwerkt.
Handelspolitiek: overheidsbeleid op het gebied van de handel, zoals de keuze voor
vrijhandel of protectionisme.
Kwalitatieve honger: het beschikbare voedsel is te eenzijdig. Het bevat te weinig
voedingswaarden (vitaminen en mineralen) om een actief en gezond leven te kunnen
leiden.
Landbouwsubsidie: financiële steun van de overheid aan boeren voor het uitvoeren
of starten van een landbouwactiviteit die economisch gezien niet rendabel is, maar
waarvan de overheid vindt dat die nuttig en nodig is.
Landhervorming: herverdeling van de grond die leidt tot andere grondbezit
verhoudingen.
Maatschappelijke positie: plek van iemand in de samenleving die is gebaseerd op
inkomen, geslacht, opleiding en/of beroep.
Neerslagregiem: schommelingen in de hoeveelheid neerslag gedurende het jaar.
Non-gouvernementele organisatie (ngo): Organisatie die onafhankelijk van de
overheid ontwikkelingshulp geeft.
Noodhulp: hulp om te kunnen overleven bij een hongersnood of een andere ramp.
Noodhulp is beperkt in tijd, ruimte en omvang.
Ontwikkelingssamenwerking: de samenwerking tussen een ontwikkeld land en een
ontwikkelingsland om te helpen de levensomstandigheden in het ontwikkelingsland
te verbeteren.
Productiviteit: de opbrengst van een activiteit per geïnvesteerde eenheid (input),
zoals arbeidskracht (per persoon) of oppervlakte (per hectare).
Programmahulp: vorm van ontwikkelingssamenwerking om blijvende verbeteringen
aan te brengen en die is gericht op een onderdeel van de samenleving (bijvoorbeeld
landbouw of gezondheidszorg) in samenwerking met de lokale bevolking.
Projecthulp: vorm van ontwikkelingssamenwerking die is gericht op een activiteit
waarvan plaats, tijdsduur en kosten vastliggen, vaak in samenwerking met de lokale
bevolking.
Regionale specialisatie: zich binnen een gebied steeds meer toeleggen op één
activiteit of product.
Sociale stratificatie: de indeling van de bevolking op basis van kenmerken zoals
geslacht of etniciteit.
Sociaaleconomische stratificatie: de indeling van de bevolking op basis van inkomen.
Tariefmuur: invoerrechten geld dat je moet betalen om een product in te voeren.
Aids: ziekte, veroorzaakt door het hiv-virus, die het afweersysteem van het lichaam
afbreekt.
Bodemdegradatie: de afname van de kwaliteit van de bodem en de begroeiing als
gevolg van een verkeerd gebruik door de mens. Heet ook landdegradatie.
Coherent beleid: beleid op een bepaald terrein (bijvoorbeeld
ontwikkelingssamenwerking) dat niet wordt tegengewerkt door beleid op andere
terreinen, het tegenovergestelde is een incoherent beleid.
Commerciële landbouw: landbouw die gericht is op het maken van winst.
Comparatief voordeel: het financiële voordeel dat een land behaalt wanneer het een
bepaald product goedkoper kan produceren dan een ander land.
Complementariteit: het ene gebied heeft iets wat een ander gebied niet heeft (die
gebieden vullen elkaar aan).
Draagkracht: het vermogen van de natuur om mensen te voorzien in hun bestaan,
zonder dat het natuurlijke evenwicht wordt verstoord.
Droogtelandbouw: akkerbouwtechnieken die de teelt van gewassen in droge
gebieden mogelijk maakt.
Droogteresistent gewas: landbouwgewas dat bestand is tegen extra droge
omstandigheden.
Dumping: het op de markt brengen van goederen beneden de kostprijs.
Exportlandbouw: landbouwactiviteiten die gericht zijn op de uitvoer.
FAO: Food and Agriculture Organization, de Voedsel- en Landbouworganisatie van
de Verenigde Naties (VN) die tot doel heeft de honger in de wereld te bestrijden.
Geglobaliseerde landbouw: commerciële landbouw die gericht is op en sterk wordt
beïnvloed door de wereldmarkt.
Genetisch gemanipuleerd voedsel: voedsel van landvouwgewassen waarvan de
erfelijke eigenschappen doelgericht zijn veranderd.
Globalisering; het doorgaande proces van internationale uitwisseling van mensen,
goederen, geld en informatie (kennis, cultuur).
Good governance: goed bestuur met als (voornaamste) uitgangspunten openheid,
verantwoording, rechtvaardigheid, bevolkingsparticipatie en overeenstemming.
Groene revolutie: de invoering van verbeterde, snelgroeiende soorten in de
landbouw, in combinatie met het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
Grondbezit verhouding; de manier waarop het bezit van de langbouwgrond is
verdeeld over de bevolking.
Grootfamilie: leefeenheid met een of meer kerngezinnen op basis van familierelaties.
, Handelsgewas: gewas dat verbouwd wordt met een winstoogmerk en dat wordt
verhandeld en tot producten verwerkt.
Handelspolitiek: overheidsbeleid op het gebied van de handel, zoals de keuze voor
vrijhandel of protectionisme.
Kwalitatieve honger: het beschikbare voedsel is te eenzijdig. Het bevat te weinig
voedingswaarden (vitaminen en mineralen) om een actief en gezond leven te kunnen
leiden.
Landbouwsubsidie: financiële steun van de overheid aan boeren voor het uitvoeren
of starten van een landbouwactiviteit die economisch gezien niet rendabel is, maar
waarvan de overheid vindt dat die nuttig en nodig is.
Landhervorming: herverdeling van de grond die leidt tot andere grondbezit
verhoudingen.
Maatschappelijke positie: plek van iemand in de samenleving die is gebaseerd op
inkomen, geslacht, opleiding en/of beroep.
Neerslagregiem: schommelingen in de hoeveelheid neerslag gedurende het jaar.
Non-gouvernementele organisatie (ngo): Organisatie die onafhankelijk van de
overheid ontwikkelingshulp geeft.
Noodhulp: hulp om te kunnen overleven bij een hongersnood of een andere ramp.
Noodhulp is beperkt in tijd, ruimte en omvang.
Ontwikkelingssamenwerking: de samenwerking tussen een ontwikkeld land en een
ontwikkelingsland om te helpen de levensomstandigheden in het ontwikkelingsland
te verbeteren.
Productiviteit: de opbrengst van een activiteit per geïnvesteerde eenheid (input),
zoals arbeidskracht (per persoon) of oppervlakte (per hectare).
Programmahulp: vorm van ontwikkelingssamenwerking om blijvende verbeteringen
aan te brengen en die is gericht op een onderdeel van de samenleving (bijvoorbeeld
landbouw of gezondheidszorg) in samenwerking met de lokale bevolking.
Projecthulp: vorm van ontwikkelingssamenwerking die is gericht op een activiteit
waarvan plaats, tijdsduur en kosten vastliggen, vaak in samenwerking met de lokale
bevolking.
Regionale specialisatie: zich binnen een gebied steeds meer toeleggen op één
activiteit of product.
Sociale stratificatie: de indeling van de bevolking op basis van kenmerken zoals
geslacht of etniciteit.
Sociaaleconomische stratificatie: de indeling van de bevolking op basis van inkomen.
Tariefmuur: invoerrechten geld dat je moet betalen om een product in te voeren.