Samenvatting beleid in
beweging
4 e editi e
Hoofdstuk 1 – Politiek, beleid en sturing: een
positiebepaling (20)
Bij het ontwerpen van beleid worden verschillende belangen en waarden tegen elkaar afgewogen
wat gepaard gaat met dilemma’s. Politiek en beleid gaan in essentie om de aanpak van
maatschappelijke vraagstukken.
1.2 – Politiek, beleid en sturing
1.2.1 – Politiek
Politiek gaat over hoe een samenleving als gemeenschap in staat is om de problemen waarmee ze
wordt geconfronteerd op een bevredigende manier aan te pakken. Tal van waarden strijden om
voorrang in de politiek. In het merendeel van de gevallen gaat het om waarden als vrijheid,
gelijkheid, veiligheid, rechtvaardigheid en solidariteit en recentelijk ook duurzaamheid. Ook
economische waarden als efficiency en effectiviteit spelen een rol en juridische als voorkomen van
willekeur, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en waarden over het besluitvormingsproces als
transparantie en toegankelijkheid. De afweging van deze waarden zorgt voor spanningsvelden en
dilemma’s en dat is waar het in de aanpak van beleidsproblemen in essentie over gaat: de afweging
van waarden. Recentelijk zien we aandacht voor waarden terug in publieke waarde. Politiek is gericht
op het realiseren van publieke waarde, dit in contrast met het realiseren van meer toegevoegde
waarde in het private domein (winst). Deze publieke waarde wordt door de politiek gerealiseerd
namens de samenleving als geheel op basis van een waardering van de behoeften die in de
samenleving leven en waarover ook consensus bestaat.
Kenmerkend voor politieke processen is dat het ook gaat voor wie de afweging gemaakt moet
worden wie krijgt wat en hoe? Wat ten gunste is van de ene groep, gaat ten koste van de andere
wat zorgt voor spanningen. Er moet dus een classificatie zijn die aangeeft wie wel of niet gerechtigd
is, waarmee een bepaalde status wordt toegekend proces van in- en uitsluiting. De criteria op
grond waarvan dit proces plaatsvindt verwijst naar de kern van politiek.
Het gaat ook over de vraag waarom een dergelijke beslissing moet worden genomen. Waaraan
ontleent een keuze, beleid zijn legitimiteit? Om beslissingen te kunnen nemen is het belangrijk dat
politieke keuzeprocessen voldoen aan een aantal regels die zijn neergelegd in de Grondwet,
internationale verdragen en wetten en regels, en waarvoor instituties zijn. Deze regels zorgen dat
besluitvormingsprocessen die zich richten op dit soort politieke vraagstukken door iedereen
algemeen aanvaard worden, als gezaghebbend worden ervaren en dat ook afstraalt op de inhoud
van de genomen beslissing. De representatieve democratie en de rechtsstaat zijn instituties die
bepaalde regels en praktijken kent, waardoor het mogelijk is besluiten te nemen die als
gezaghebbend worden ervaren. Daarnaast is de gezaghebbendheid van politieke beslissingen ook
gebaseerd op historisch gegroeide gewoonten poldercultuur.
,Het toebedelen van waarden voor de samenleving gebeurt niet alleen door de overheid. Er zijn drie
allocatiemechanismen:
Staat: allocatie van waarden door beroep te doen op de autoriteit van de overheid. De
overheid heeft het monopolie om wetten uit te vaardigen en op grond daarvan macht en
autoriteit uit te oefenen. in wetten is vastgelegd welke organen van de staat welke
bevoegdheid krijgen. Een beroep op dit mechanisme wordt verdedigd door te wijzen naar
enkele motieven die ingrijpen door de overheid rechtvaardigen.
De eerste reden is dat uitoefening van geweld bij de staat dient te berusten politie
geweldsmonopolie. Als tegenprestatie moet de staat veiligheid en bescherming bieden. Een
tweede reden kunnen marktimperfecties zijn. De taak van de overheid ligt dan in het
tegenaan van kartel- en monopolyvorming want dat kan leiden tot machtsmisbruik en
ongewenste vormen van prijsstelling. Dit kan een reden zijn voor de overheid om zelf de
productie ter hand te nemen. Een andere reden is de productie van goederen en diensten
die vaak moeilijk door de markt kunnen worden voorgebracht, zodat ze voor iedereen
gelijkelijk ter beschikking staan en waarvan niemand kan worden uitgesloten
infrastructuur. Een ander motief is de productie van bemoeigoederen, diensten en goederen
waarvan een samenleving vind dat ze door de overheid moeten worden aangeboden. Nog
een ander motief is het tegengaan of voorkomen van de negatieve effecten van
marktwerking, zoals de ongewenste effecten op het milieu. Ook het realiseren van bepaalde
gewenste externe effecten kan een prikkel zijn voor overheidsoptreden, als daar de markt
nog niet bereid is om het te realiseren.
Markt: hier bepalen vraag en aanbod welke soorten goederen worden aangeboden.
Liberalisering en marktwerking hebber ertoe geleid dat steeds meer collectieve goederen via
de markt worden aangeboden.
Gemeenschap: Lange tijd de 4 zuilen die een gemeenschap vormden op basis van een
bepaalde ideologie. Leden zorgen voor elkaar vanuit solidariteit en op grond hiervan werden
specifieke voorzieningen in het leven geroepen voor de eigen groep. Binnen een bepaalde
groep van gelijkgestemden en op grond van het binnen deze groep aanwezige sociaal
kapitaal kunnen het best bepaalde waarden of belangen worden gediend die voor deze
groep van mensen een gedeelde betekenis hebben. Vertrouwen is een belangrijk
coördinatiemechanisme hierbij.
Mengvormen: in de praktijk vooral mengvormen, zie boek voor voorbeelden.
1.2.3 – Beleid
Beleid is de stolling van de afweging van waarden die we als samenleving belangrijk achten. Het geeft
aan welke keuzes waarom zijn gemaakt en hoe deze waarden worden gerealiseerd en voor welke
groepen van burgers in de samenleving bepaalde afwegingen gelden. Daarnaast geeft het aan welke
soort maatregelen genomen moeten worden om die waardentoebedeling te realiseren en welke
instrumenten wanneer moeten worden ingezet. Een klassieke definitie is het realiseren van bepaalde
doelstellingen met behulp van bepaalde middelen in een bepaalde tijdsvolgorde. Of als de
voornemens, keuzes en acties van één of meer bestuurlijke instanties, gericht op sturing van
bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen.
1.2.4 – Sturing
Sturing is de gerichte beïnvloeding van de samenleving in een bepaalde context. D.m.v. het
formuleren en uitvoeren van beleid en de inzet van bepaalde beleidsinstrumenten probeert een
,overheid bepaalde ontwikkelingen in de samenleving te beïnvloeden, op zo’n manier dat ze aansluit
bij de doelstellingen van de politiek.
1.2.5 – Beleidsprocessen
Beleid genereert een aantal processen die deel uitmaken van de beleidscyclus. Die bestaat uit een
reeks van fasen die laten zien hoe beleid in elkaar steekt. Beleidsprocessen vormen het primaire
proces binnen publieke organisaties. De taakstelling van deze organisaties staat in het teken van het
uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op het ontwikkelen en uitvoeren van beleidsprogramma’s.
Deze processen moeten worden ondersteund door secundaire bedrijfsprocessen in een organisatie.
1.3 – beleid in soorten en maten
1. Institutioneel beleid:
De inrichting van de formele verhoudingen tussen organisaties in een bepaalde beleidssector
en de toebedeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Doorgaans om
programma’s gericht op inrichten van stelsel, positie van partijen in dit stelsels, en de relaties
tussen heb.
2. Strategisch beleid:
Richt zich op het nemen van maatregelen gericht op het veiligstellen van het voorbestaan
van een organisatie t.o.v. actoren in haar omgeving die op korte termijn en rechtstreeks het
voortbestaan kunnen beïnvloeden. Dit wordt in het geval van een overheidsorganisatie niet
alleen bepaald door effectiviteit en efficiency, maar ook door de legitimiteit.
3. Tactisch beleid:
Gericht op het formuleren van criteria op grond waarvan bepaalde organisatorische
hulpbronnen over bepaalde organisaties of organisatieonderdelen moeten worden verdeeld.
Daarbij kan het gaan om de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden,
de verdeling van financiële middelen of de wijze waarop verantwoording moet worden
afgelegd.
4. Operationeel beleid:
Betrekking op het geven van instructies en richtlijnen m.b.t. de concrete uitvoering van
bepaalde beleidsprogramma’s of wet- en regelgeving. Om de vraag hoe bepaalde
beleidsdoelstellingen gerealiseerd moeten worden.
Een ander onderscheid tussen volgende typen beleid is gebaseerd op Lowie:
1. Explorerend beleid:
Gericht op verwoorden van een visie dat geesten rijp moet maken voor een nieuwe aanpak
van problemen of voor een andere probleemanalyse. Beleid dat partijen moet mobiliseren
om mee te denken over ontwikkelingen en veranderingen zonder dat doelstellingen al
bekend zijn.
2. Verdelend beleid:
Gericht op de verdeling van hulpbronnen (rechten en plichten, geld, informatie of subsidies)
over partijen.
3. Herverdelend beleid:
Gericht op herschikken of corrigeren van de bestaande verdeling van hulpbronnen omdat de
bestaande verdeling onrechtvaardig is. Positieve discriminatie kan worden gezien als een
vorm van herverdelend beleid waarbij bepaalde groepen waarvan we weten dat ze een
achterstandspositie hebben extra kansen krijgen.
4. Regulerend beleid:
, Gericht op het dwingend voorschrijven en controleren van bepaalde activiteiten die moeten
worden ondernomen om bepaalde doelstellingen te realiseren.
5. Faciliterend beleid:
Gericht op het ondersteunen van bepaalde, als wenselijk geachte doelstellingen zonder dat
deze dwingend worden opgelegd. Zo kunnen voorzieningen worden gecreëerd die
uitdrukking geven aan bepaalde waarden die een overheid belangrijk acht.
6. Stimulerend beleid:
Gericht op het prikkelen van mensen of organisaties om een bepaald, gewenst gedrag aan de
dag te leggen, waardoor bepaalde waarden die de politiek belangrijk acht, kunnen worden
gerealiseerd. D.m.v. dit beleid wordt getracht de individuele afwegingen die actoren maken
gericht te beïnvloeden, zodat er een andere balans tussen kosten en baten ontstaat.
7. Constituerend beleid:
Gericht op het oprichten van instituties en organisaties die bepaalde taken voor hun rekening
gaan nemen.
De reden dat er onderscheid gemaakt wordt tussen typen beleid, is dat het soort ons iets kan zeggen
over de mate waarin bepaalde beleidsonderwerpen controversieel zijn en daarmee een bepaald
soort arena creëren waarbinnen beleid wordt ontwikkeld en uitgevoerd.
Hoofdstuk 2 – Beleid en maatschappij:
beelden van een veranderende samenleving
2.2 – De versplinterde samenleving
De versplintering van de samenleving komt door het proces van modernisering die zorgt voor
functionele differentiatie gebaseerd op maatschappelijke specialisatie en arbeidsdeling. Deze
versplintering kent twee dimensies: structureel en politiek-cultureel.
2.2.1 – structurele versplintering
Structurele versplintering verwijst naar de gefragmenteerde structuur van onze samenleving. Het
gevolg is een toenemende complexiteit van de samenleving, die wordt weerspiegeld door een
ongebreidelde groei van het aantal organisaties dat zelfstandig is maar wel afhankelijk zijn van
elkaar. Deze fragmentatie en vervlechting van taken en werkprocessen zorgen ervoor dat er sprake is
van georganiseerde complexiteit.
Rationaliteitstekort: de cognitieve vermogens van mensen en organisaties om deze
complexiteit te kunnen bevatten en gerichte acties te kunnen ondernemen om bepaalde
doelen te realiseren, schieten per definitie tekort. Dit verschijnsel wordt de ongekende
samenleving genoemd. Ondanks de onkenbaarheid van de manier waarop een samenleving
functioneert, is de hoeveelheid info waarmee actoren worden geconfronteerd juist
exponentieel gestegen. Er is zelfs sprake van een data-explosie en information overload. Dit
rationaliteitstekort wordt versterkt door het feit dat deze relatief autonome organisaties
vaak de belichaming zijn van bepaalde deelrationaliteiten en deelperspectieven op de
werkelijkheid; rationaliteiten die een eigen leven leiden en verankerd zijn in nauw
omschreven taakomschrijvingen, routines en procedures. Met als gevolg dat de
referentiekaders waarmee deze organisaties naar de werkelijkheid kijken, relatief gesloten
zijn, en dat ze voortdurend op zoek zijn de herbevestiging van hun werkelijkheid.
Blikvernauwing is hiervan het resultaat.
beweging
4 e editi e
Hoofdstuk 1 – Politiek, beleid en sturing: een
positiebepaling (20)
Bij het ontwerpen van beleid worden verschillende belangen en waarden tegen elkaar afgewogen
wat gepaard gaat met dilemma’s. Politiek en beleid gaan in essentie om de aanpak van
maatschappelijke vraagstukken.
1.2 – Politiek, beleid en sturing
1.2.1 – Politiek
Politiek gaat over hoe een samenleving als gemeenschap in staat is om de problemen waarmee ze
wordt geconfronteerd op een bevredigende manier aan te pakken. Tal van waarden strijden om
voorrang in de politiek. In het merendeel van de gevallen gaat het om waarden als vrijheid,
gelijkheid, veiligheid, rechtvaardigheid en solidariteit en recentelijk ook duurzaamheid. Ook
economische waarden als efficiency en effectiviteit spelen een rol en juridische als voorkomen van
willekeur, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en waarden over het besluitvormingsproces als
transparantie en toegankelijkheid. De afweging van deze waarden zorgt voor spanningsvelden en
dilemma’s en dat is waar het in de aanpak van beleidsproblemen in essentie over gaat: de afweging
van waarden. Recentelijk zien we aandacht voor waarden terug in publieke waarde. Politiek is gericht
op het realiseren van publieke waarde, dit in contrast met het realiseren van meer toegevoegde
waarde in het private domein (winst). Deze publieke waarde wordt door de politiek gerealiseerd
namens de samenleving als geheel op basis van een waardering van de behoeften die in de
samenleving leven en waarover ook consensus bestaat.
Kenmerkend voor politieke processen is dat het ook gaat voor wie de afweging gemaakt moet
worden wie krijgt wat en hoe? Wat ten gunste is van de ene groep, gaat ten koste van de andere
wat zorgt voor spanningen. Er moet dus een classificatie zijn die aangeeft wie wel of niet gerechtigd
is, waarmee een bepaalde status wordt toegekend proces van in- en uitsluiting. De criteria op
grond waarvan dit proces plaatsvindt verwijst naar de kern van politiek.
Het gaat ook over de vraag waarom een dergelijke beslissing moet worden genomen. Waaraan
ontleent een keuze, beleid zijn legitimiteit? Om beslissingen te kunnen nemen is het belangrijk dat
politieke keuzeprocessen voldoen aan een aantal regels die zijn neergelegd in de Grondwet,
internationale verdragen en wetten en regels, en waarvoor instituties zijn. Deze regels zorgen dat
besluitvormingsprocessen die zich richten op dit soort politieke vraagstukken door iedereen
algemeen aanvaard worden, als gezaghebbend worden ervaren en dat ook afstraalt op de inhoud
van de genomen beslissing. De representatieve democratie en de rechtsstaat zijn instituties die
bepaalde regels en praktijken kent, waardoor het mogelijk is besluiten te nemen die als
gezaghebbend worden ervaren. Daarnaast is de gezaghebbendheid van politieke beslissingen ook
gebaseerd op historisch gegroeide gewoonten poldercultuur.
,Het toebedelen van waarden voor de samenleving gebeurt niet alleen door de overheid. Er zijn drie
allocatiemechanismen:
Staat: allocatie van waarden door beroep te doen op de autoriteit van de overheid. De
overheid heeft het monopolie om wetten uit te vaardigen en op grond daarvan macht en
autoriteit uit te oefenen. in wetten is vastgelegd welke organen van de staat welke
bevoegdheid krijgen. Een beroep op dit mechanisme wordt verdedigd door te wijzen naar
enkele motieven die ingrijpen door de overheid rechtvaardigen.
De eerste reden is dat uitoefening van geweld bij de staat dient te berusten politie
geweldsmonopolie. Als tegenprestatie moet de staat veiligheid en bescherming bieden. Een
tweede reden kunnen marktimperfecties zijn. De taak van de overheid ligt dan in het
tegenaan van kartel- en monopolyvorming want dat kan leiden tot machtsmisbruik en
ongewenste vormen van prijsstelling. Dit kan een reden zijn voor de overheid om zelf de
productie ter hand te nemen. Een andere reden is de productie van goederen en diensten
die vaak moeilijk door de markt kunnen worden voorgebracht, zodat ze voor iedereen
gelijkelijk ter beschikking staan en waarvan niemand kan worden uitgesloten
infrastructuur. Een ander motief is de productie van bemoeigoederen, diensten en goederen
waarvan een samenleving vind dat ze door de overheid moeten worden aangeboden. Nog
een ander motief is het tegengaan of voorkomen van de negatieve effecten van
marktwerking, zoals de ongewenste effecten op het milieu. Ook het realiseren van bepaalde
gewenste externe effecten kan een prikkel zijn voor overheidsoptreden, als daar de markt
nog niet bereid is om het te realiseren.
Markt: hier bepalen vraag en aanbod welke soorten goederen worden aangeboden.
Liberalisering en marktwerking hebber ertoe geleid dat steeds meer collectieve goederen via
de markt worden aangeboden.
Gemeenschap: Lange tijd de 4 zuilen die een gemeenschap vormden op basis van een
bepaalde ideologie. Leden zorgen voor elkaar vanuit solidariteit en op grond hiervan werden
specifieke voorzieningen in het leven geroepen voor de eigen groep. Binnen een bepaalde
groep van gelijkgestemden en op grond van het binnen deze groep aanwezige sociaal
kapitaal kunnen het best bepaalde waarden of belangen worden gediend die voor deze
groep van mensen een gedeelde betekenis hebben. Vertrouwen is een belangrijk
coördinatiemechanisme hierbij.
Mengvormen: in de praktijk vooral mengvormen, zie boek voor voorbeelden.
1.2.3 – Beleid
Beleid is de stolling van de afweging van waarden die we als samenleving belangrijk achten. Het geeft
aan welke keuzes waarom zijn gemaakt en hoe deze waarden worden gerealiseerd en voor welke
groepen van burgers in de samenleving bepaalde afwegingen gelden. Daarnaast geeft het aan welke
soort maatregelen genomen moeten worden om die waardentoebedeling te realiseren en welke
instrumenten wanneer moeten worden ingezet. Een klassieke definitie is het realiseren van bepaalde
doelstellingen met behulp van bepaalde middelen in een bepaalde tijdsvolgorde. Of als de
voornemens, keuzes en acties van één of meer bestuurlijke instanties, gericht op sturing van
bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen.
1.2.4 – Sturing
Sturing is de gerichte beïnvloeding van de samenleving in een bepaalde context. D.m.v. het
formuleren en uitvoeren van beleid en de inzet van bepaalde beleidsinstrumenten probeert een
,overheid bepaalde ontwikkelingen in de samenleving te beïnvloeden, op zo’n manier dat ze aansluit
bij de doelstellingen van de politiek.
1.2.5 – Beleidsprocessen
Beleid genereert een aantal processen die deel uitmaken van de beleidscyclus. Die bestaat uit een
reeks van fasen die laten zien hoe beleid in elkaar steekt. Beleidsprocessen vormen het primaire
proces binnen publieke organisaties. De taakstelling van deze organisaties staat in het teken van het
uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op het ontwikkelen en uitvoeren van beleidsprogramma’s.
Deze processen moeten worden ondersteund door secundaire bedrijfsprocessen in een organisatie.
1.3 – beleid in soorten en maten
1. Institutioneel beleid:
De inrichting van de formele verhoudingen tussen organisaties in een bepaalde beleidssector
en de toebedeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Doorgaans om
programma’s gericht op inrichten van stelsel, positie van partijen in dit stelsels, en de relaties
tussen heb.
2. Strategisch beleid:
Richt zich op het nemen van maatregelen gericht op het veiligstellen van het voorbestaan
van een organisatie t.o.v. actoren in haar omgeving die op korte termijn en rechtstreeks het
voortbestaan kunnen beïnvloeden. Dit wordt in het geval van een overheidsorganisatie niet
alleen bepaald door effectiviteit en efficiency, maar ook door de legitimiteit.
3. Tactisch beleid:
Gericht op het formuleren van criteria op grond waarvan bepaalde organisatorische
hulpbronnen over bepaalde organisaties of organisatieonderdelen moeten worden verdeeld.
Daarbij kan het gaan om de verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden,
de verdeling van financiële middelen of de wijze waarop verantwoording moet worden
afgelegd.
4. Operationeel beleid:
Betrekking op het geven van instructies en richtlijnen m.b.t. de concrete uitvoering van
bepaalde beleidsprogramma’s of wet- en regelgeving. Om de vraag hoe bepaalde
beleidsdoelstellingen gerealiseerd moeten worden.
Een ander onderscheid tussen volgende typen beleid is gebaseerd op Lowie:
1. Explorerend beleid:
Gericht op verwoorden van een visie dat geesten rijp moet maken voor een nieuwe aanpak
van problemen of voor een andere probleemanalyse. Beleid dat partijen moet mobiliseren
om mee te denken over ontwikkelingen en veranderingen zonder dat doelstellingen al
bekend zijn.
2. Verdelend beleid:
Gericht op de verdeling van hulpbronnen (rechten en plichten, geld, informatie of subsidies)
over partijen.
3. Herverdelend beleid:
Gericht op herschikken of corrigeren van de bestaande verdeling van hulpbronnen omdat de
bestaande verdeling onrechtvaardig is. Positieve discriminatie kan worden gezien als een
vorm van herverdelend beleid waarbij bepaalde groepen waarvan we weten dat ze een
achterstandspositie hebben extra kansen krijgen.
4. Regulerend beleid:
, Gericht op het dwingend voorschrijven en controleren van bepaalde activiteiten die moeten
worden ondernomen om bepaalde doelstellingen te realiseren.
5. Faciliterend beleid:
Gericht op het ondersteunen van bepaalde, als wenselijk geachte doelstellingen zonder dat
deze dwingend worden opgelegd. Zo kunnen voorzieningen worden gecreëerd die
uitdrukking geven aan bepaalde waarden die een overheid belangrijk acht.
6. Stimulerend beleid:
Gericht op het prikkelen van mensen of organisaties om een bepaald, gewenst gedrag aan de
dag te leggen, waardoor bepaalde waarden die de politiek belangrijk acht, kunnen worden
gerealiseerd. D.m.v. dit beleid wordt getracht de individuele afwegingen die actoren maken
gericht te beïnvloeden, zodat er een andere balans tussen kosten en baten ontstaat.
7. Constituerend beleid:
Gericht op het oprichten van instituties en organisaties die bepaalde taken voor hun rekening
gaan nemen.
De reden dat er onderscheid gemaakt wordt tussen typen beleid, is dat het soort ons iets kan zeggen
over de mate waarin bepaalde beleidsonderwerpen controversieel zijn en daarmee een bepaald
soort arena creëren waarbinnen beleid wordt ontwikkeld en uitgevoerd.
Hoofdstuk 2 – Beleid en maatschappij:
beelden van een veranderende samenleving
2.2 – De versplinterde samenleving
De versplintering van de samenleving komt door het proces van modernisering die zorgt voor
functionele differentiatie gebaseerd op maatschappelijke specialisatie en arbeidsdeling. Deze
versplintering kent twee dimensies: structureel en politiek-cultureel.
2.2.1 – structurele versplintering
Structurele versplintering verwijst naar de gefragmenteerde structuur van onze samenleving. Het
gevolg is een toenemende complexiteit van de samenleving, die wordt weerspiegeld door een
ongebreidelde groei van het aantal organisaties dat zelfstandig is maar wel afhankelijk zijn van
elkaar. Deze fragmentatie en vervlechting van taken en werkprocessen zorgen ervoor dat er sprake is
van georganiseerde complexiteit.
Rationaliteitstekort: de cognitieve vermogens van mensen en organisaties om deze
complexiteit te kunnen bevatten en gerichte acties te kunnen ondernemen om bepaalde
doelen te realiseren, schieten per definitie tekort. Dit verschijnsel wordt de ongekende
samenleving genoemd. Ondanks de onkenbaarheid van de manier waarop een samenleving
functioneert, is de hoeveelheid info waarmee actoren worden geconfronteerd juist
exponentieel gestegen. Er is zelfs sprake van een data-explosie en information overload. Dit
rationaliteitstekort wordt versterkt door het feit dat deze relatief autonome organisaties
vaak de belichaming zijn van bepaalde deelrationaliteiten en deelperspectieven op de
werkelijkheid; rationaliteiten die een eigen leven leiden en verankerd zijn in nauw
omschreven taakomschrijvingen, routines en procedures. Met als gevolg dat de
referentiekaders waarmee deze organisaties naar de werkelijkheid kijken, relatief gesloten
zijn, en dat ze voortdurend op zoek zijn de herbevestiging van hun werkelijkheid.
Blikvernauwing is hiervan het resultaat.