Les 3: 27/02 Kristof Uytterhoeven
Deel III. Goederenrechtelijk statuut van een bouwwerf
We gaan het hebben over de vraag: wat is een bouwwerf in functie van het
roedenrechtelijk perspectief en welke vragen komen er hierdoor aan bod. Waar moet je
dus als architect in een bouwproject rekening mee houden uit goedenrechtelijk
perspectief.
Hoofdstuk 1. Boek 3 NBW- inleiding
Boek 3 is niet meteen het meest heldere van de NB-wetboeken. Boek 3 is van aanvullend
recht, partijen kunnen afwijken hiervan, tenzij dat in een bepaling anders aangegeven
staat.
Bijvoorbeeld een opstalrecht: manier in vastgoed promotie om een project vorm te geven.
De wet voorziet in een maximumtermijn van 99 jaar en hier kan je niet van afwijken.
Een huurcontract geeft de huurder een persoonlijk recht en je hebt het gebouw in genot
gedurende een bepaalde periode. Je hebt geen rechtstreeks recht op het gebouw. Je
gaat altijd via de verhuurder.
1
,Hoofdstuk 2: roerende en onroerende goederen
Als architect kijk je voornamelijk naar onroerende goederen. Onroerend is iets dat vast zit
en niet kan bewegen, grond, gebouw zijn onroerend, maar het is complexer dan dit.
Natuurlijke personen zijn al de levende mensen
Rechtspersonen zijn al de VZW, stichtingen en vennootschappen etc.
Alles wat geen persoon of dier is zijn voorwerpen
Zintuigen: voelen, horen, zien, ruiken…
Het is belangrijk dat de voorwerpen kunnen gemeten worden gedurende een bepaalde
momentopname.
Intellectueel rechten hebben een waarde, maar je kan daar geen zintuig aan koppelen.
2
, Een goed is een voorwerp dat een vermogenswaarde heeft, zoals een bouwgrond
bijvoorbeeld. Een schuldvordering heeft ook een vermogenswaarde.
Een schuldvordering kan je verkopen.
Opstalrecht is het recht om volumes op een bepaalde grond te realiseren.
Een tafel is een roerend goed
Alle goederen zijn ofwel roerend ofwel onroerend.
Roerende goederen is de restcategorie. Onroerende goederen zijn de goederen met de
meeste waarde. De wetgever hecht hier het meeste belang aan en daar is de meeste
wetgeving over.
3