H1 Ons eiland in de ruimte
1.1 Planeet aarde
De opbouw van de aarde
De aarde is ingedeeld in zones met verschillende samenstellingen: de kern, de mantel en de
aardkorst. Van binnen naar buiten toe wordt de samenstelling steeds lichter van gewicht. De
twee manieren is een indeling in zones waarin het materiaal verschilt in viscositeit. Dit is
een maat voor de stroperigheid van een stof.
Bij deze indeling worden de binnen- en buitenkern, de ondermantel, de asthenosfeer en de
lithosfeer onderscheiden.
● Binnen de aarde zit de kern die bestaat uit een mengsel van nikkel en ijzer. De
binnenkern heeft een temperatuur van ongeveer 4.700°C. Door de hoge druk is de
kern vast. De druk van de buitenkern is lager en daardoor wel vloeibaar.
● Om de kern ligt de mantel die bestaat uit aan elkaar gebonden zuurstof, silicium,
magnesium en ijzer. De ondermantel is plastisch (taai stroperig).
- De asthenosfeer, het bovenste deel van de mantel tot aan de lithosfeer, is ook
plastisch. Het materiaal in de asthenosfeer kan dus makkelijker stromen dan dat in
de ondermantel.
● De aardkorst en het afgekoelde buitenste deel van de mantel vormen samen de
lithosfeer die vast en breekbaar is en drijft op de asthenosfeer. De lithosfeer is
onderverdeeld in aardplaten. Doordat deze platen stijf en onbuigzaam zijn en de
asthenosfeer plastisch, kunnen ze over de asthenosfeer glijden. De aardkorst is
gesteente dat bestaat uit aan elkaar gebonden zuurstof en silicium met daarbij
bijvoorbeeld aluminium, ijzer en/of magnesium.
In continentale korst zit veel van het
gesteente graniet. De oceanische korst
bestaat voor een groot deel uit basalt. In basalt
zit meer ijzer en magnesium dan in graniet,
hierdoor is het een zwaarder gesteente.
Doordat een continent lichter is, zal een stuk
lithosfeer
met continentale korst hoger op de
asthenosfeer liggen dan een even dik stuk
lithosfeer met oceanische korst.
1.2 Drijvende continenten
De catastrofetheorie maakte plaats voor het actualiteitsprincipe: het heden is de sleutel tot
het verleden. Processen herhalen zich gedurende de tijd.
Alfred Wegener
Alfred Wegener constateerde grote overeenkomsten tussen de fossiele flora en fauna in de
delen van de wereld die tegenwoordig ver uit elkaar liggen. Fossielen van dieren die niet
konden zwemmen, werden gevonden in continenten die waren gescheiden door oceanen.
Hij vond ook sporen van vroegere ijskappen met overeenkomsten tussen continenten.
Hij had ook ontdekt dat verschillende gesteenten en gebergten die bij de kusten van Afrika
en Zuid-Amerika waren afgebroken, op elkaar aansloten.
, Pangea
Volgens Wegener waren de continenten grote eilanden van relatief lichter gesteente, die
dreven op iets in de diepe ondergrond wat min of meer vloeibaar was. Deze platen konden
zich ten opzichte van elkaar bewegen. Volgens Wegener moesten de huidige continenten
ooit een aaneengesloten supercontinent zijn geweest, omgeven door een oeroceaan
(Panthalassa). Dit supercontinent noemde hij Pangea.
Deze theorie wordt ook wel de theorie van de continentverschuiving of continentale drift
genoemd.
Onderzeese bergruggen
Dwars door alle oceanen lopen bergketens van duizenden kilometers lang, de
mid-oceanische ruggen.
De aardkorst onder de oceanen is vrij jong, maar geleidelijk ouder wordt als je van de
mid-oceanische rug naar de zijkant gaat. De oceanische plaat groeit vanuit het midden naar
twee kanten toe steeds breder.
Bewijzen
In vloeibaar gesteente, zoals lava, kunnen ijzerdeeltjes zich vrij bewegen. Als lava stolt,
komen deze deeltjes vast te liggen. Uit onderzoek blijkt dat de magnetische polen in de loop
van de geologische geschiedenis niet altijd op dezelfde plaats hebben gelegen.
● In Engeland ontdekte men dat een kaart van het magnetische veld van Europa uit
een bepaalde tijd naadloos aansloot bij het magnetische veld van Noord-Amerika.
● In de jaren 1980 werd met behulp van satellieten de afstand die de platen uit elkaar
bewegen ook daadwerkelijk gemeten.
1.3 Platentektoniek
Plaatbewegingen
De lithosfeer bestaat niet uit een geheel, maar uit zeven grote en veel kleinere platen. De
processen waardoor platen ontstaan, bewegen en ook weer verdwijnen, worden
platentektoniek genoemd.
Convectiestromen: Kringlopen in de matel.
Motor van de platentektoniek
1.1 Planeet aarde
De opbouw van de aarde
De aarde is ingedeeld in zones met verschillende samenstellingen: de kern, de mantel en de
aardkorst. Van binnen naar buiten toe wordt de samenstelling steeds lichter van gewicht. De
twee manieren is een indeling in zones waarin het materiaal verschilt in viscositeit. Dit is
een maat voor de stroperigheid van een stof.
Bij deze indeling worden de binnen- en buitenkern, de ondermantel, de asthenosfeer en de
lithosfeer onderscheiden.
● Binnen de aarde zit de kern die bestaat uit een mengsel van nikkel en ijzer. De
binnenkern heeft een temperatuur van ongeveer 4.700°C. Door de hoge druk is de
kern vast. De druk van de buitenkern is lager en daardoor wel vloeibaar.
● Om de kern ligt de mantel die bestaat uit aan elkaar gebonden zuurstof, silicium,
magnesium en ijzer. De ondermantel is plastisch (taai stroperig).
- De asthenosfeer, het bovenste deel van de mantel tot aan de lithosfeer, is ook
plastisch. Het materiaal in de asthenosfeer kan dus makkelijker stromen dan dat in
de ondermantel.
● De aardkorst en het afgekoelde buitenste deel van de mantel vormen samen de
lithosfeer die vast en breekbaar is en drijft op de asthenosfeer. De lithosfeer is
onderverdeeld in aardplaten. Doordat deze platen stijf en onbuigzaam zijn en de
asthenosfeer plastisch, kunnen ze over de asthenosfeer glijden. De aardkorst is
gesteente dat bestaat uit aan elkaar gebonden zuurstof en silicium met daarbij
bijvoorbeeld aluminium, ijzer en/of magnesium.
In continentale korst zit veel van het
gesteente graniet. De oceanische korst
bestaat voor een groot deel uit basalt. In basalt
zit meer ijzer en magnesium dan in graniet,
hierdoor is het een zwaarder gesteente.
Doordat een continent lichter is, zal een stuk
lithosfeer
met continentale korst hoger op de
asthenosfeer liggen dan een even dik stuk
lithosfeer met oceanische korst.
1.2 Drijvende continenten
De catastrofetheorie maakte plaats voor het actualiteitsprincipe: het heden is de sleutel tot
het verleden. Processen herhalen zich gedurende de tijd.
Alfred Wegener
Alfred Wegener constateerde grote overeenkomsten tussen de fossiele flora en fauna in de
delen van de wereld die tegenwoordig ver uit elkaar liggen. Fossielen van dieren die niet
konden zwemmen, werden gevonden in continenten die waren gescheiden door oceanen.
Hij vond ook sporen van vroegere ijskappen met overeenkomsten tussen continenten.
Hij had ook ontdekt dat verschillende gesteenten en gebergten die bij de kusten van Afrika
en Zuid-Amerika waren afgebroken, op elkaar aansloten.
, Pangea
Volgens Wegener waren de continenten grote eilanden van relatief lichter gesteente, die
dreven op iets in de diepe ondergrond wat min of meer vloeibaar was. Deze platen konden
zich ten opzichte van elkaar bewegen. Volgens Wegener moesten de huidige continenten
ooit een aaneengesloten supercontinent zijn geweest, omgeven door een oeroceaan
(Panthalassa). Dit supercontinent noemde hij Pangea.
Deze theorie wordt ook wel de theorie van de continentverschuiving of continentale drift
genoemd.
Onderzeese bergruggen
Dwars door alle oceanen lopen bergketens van duizenden kilometers lang, de
mid-oceanische ruggen.
De aardkorst onder de oceanen is vrij jong, maar geleidelijk ouder wordt als je van de
mid-oceanische rug naar de zijkant gaat. De oceanische plaat groeit vanuit het midden naar
twee kanten toe steeds breder.
Bewijzen
In vloeibaar gesteente, zoals lava, kunnen ijzerdeeltjes zich vrij bewegen. Als lava stolt,
komen deze deeltjes vast te liggen. Uit onderzoek blijkt dat de magnetische polen in de loop
van de geologische geschiedenis niet altijd op dezelfde plaats hebben gelegen.
● In Engeland ontdekte men dat een kaart van het magnetische veld van Europa uit
een bepaalde tijd naadloos aansloot bij het magnetische veld van Noord-Amerika.
● In de jaren 1980 werd met behulp van satellieten de afstand die de platen uit elkaar
bewegen ook daadwerkelijk gemeten.
1.3 Platentektoniek
Plaatbewegingen
De lithosfeer bestaat niet uit een geheel, maar uit zeven grote en veel kleinere platen. De
processen waardoor platen ontstaan, bewegen en ook weer verdwijnen, worden
platentektoniek genoemd.
Convectiestromen: Kringlopen in de matel.
Motor van de platentektoniek