psychologie – Aantekeningen
hoorcolleges
Hoorcollege 1: nut en noodzaak van theorie
Deel 1: theorieën
Theorie = balans lichaamssappen (slijm, bloed, gele gal, zwarte gal)
Aderlaten en overgeven
Theorie = interpersoonlijke interacties dragen bij een psychische ziektes
Opvang in tempels, rust, muziek
Middeleeuwen:
Bovennatuurlijke verklaringen: bizar gedrag werd gezien als het werk van een duivel of een heks)
exorcisme, heksenverbranding, slangenkuil
Natuurlijke verklaring: (‘gek zijn’ is een natuurlijk fenomeen veroorzaakt door stress)
rust, reacreatie, ontspanning
De maan en de sterren: (maan en sterren hebben effect op psychisch functioneren)
astrologie
Waarom hebben we een theorie nodig?
- Veel perspectieven: welke is juist?
- In de loop van de tijd zijn de meeste theorieën achterhaald
Bovendien: effect onderzoek laat zien welke behandeling werkt: geen theorie nodig?
Waarom willen we een theorie hebben?
- Je wil iets kunnen zeggen over de waarheid
o Dus wat is er aan de hand met de persoon die er last van heeft/waar iets mee aan de
hand is.
Slechte theorie heeft overlap met de waarheid, maar uiteindelijk klopt er weinig van de theorie. Een
goede theorie heeft (bijna) volledige overlap met de waarheid.
Observeren/kijken naar een theorie:
- Hoe goed je ook kijkt, je waarnemingen zijn niet perfect
- Ook is er een interpretatiebias aanwezig
o De availability bias/confirmation bias zijn hier voorbeelden van
Availability = net iets over een onderwerp gehoord, dus dat toepassen op je
huidige situatie (artikel over haai gelezen, dus nu de zee niet indurven).
Confirmation = bevestiging eigen theorie zoeken
Verifiëren van een theorie: Popper
- Wanneer genoeg waarnemingen om een theorie te bevestiging?
, - Basale benadering om met dit problee om te gaan: zoeken naar ontkrachting (Popper
falsificeren)
o 1 waarneming is al genoeg om een hele theorie te ontkrachten
Kiezen van een behandelvorm:
- Verklaring van het probleem: welke theorie?
o Theorie bepaalt de behandeling
Causaal model:
Een onderliggend oorzakelijk mechanisme verklaart het gedrag, bijvoorbeeld:
- (Neuro)biologie: verklaren o.b.v. fysiologische mechanismen (depressie = serotonine-tekort).
o Gevolgen voor therapie: medicatie
- Leertheorie: verklaren o.b.v. leergeschiedenis (angst = vermijdng voorkomt ontkrachting van
angst, je hebt geleerd dat sommige situaties eng zijn).
o Gevolgen voor de behandeling: opheffing van vermijding (exposure)
- Cognitie: verklaren o.b.v. selectie en verwerking van informatie (depressioe = dysfunctionele
gedachten).
o Gevolgen voor de behandeling: correctie van foutieve gedachten
Benaderingen:
- ‘Onderbewuste’ (impliciete processen): interpretatie van ‘niet grijpbare’ processen, het
werkt, maar alleen reflexmatig
o Bv. psychoanalyse
- Vrije wil: zelfactualisatie i.p.v. correctie van ognezond gedrag
o Bv. humanisme
- Context: mensen bevinden zich in een context (maatschappij, cultuur, vrienden, werk, gezin)
o Bv. gezinstherapie
Theorie in de praktijk:
- Wat werkt voor welk probleem effect studies
- Maar: kortdurende behandelingen, geen/korte follow-up & weinig valide (‘zuivere’ groepen
zonder comorbiditeit, terwijl dit in de klinische praktijk nauwelijks bestaat)
- Zonder theorie zijn observaties zinloos
o Effectstudies zonder theorie zeggen dus weinig, want je kunt niets zeggen over de
reden waarom iets werkt
- Theorie nodig om beslissingen te nemen
Note: DSM is beschrijvens en niet theorie-gebaseerd.
Een theorie bestaat bijna altijd op persoonsniveau.
Na de diagnostiche cyclus start de behandeling:
- Patiënt verbetert niet:
o Behandeling wordt niet goed utigevoerd
Komt vaak voor, bv. exposure wordt niet altijd goed uitgevoerd
o Theorie klopt niet: terug naar theorie (diagnostische cyclus) nieuw behandeladvies
Voorbeelden:
Casus 1: night terror
Theorie: vermijding van beangstigende sociale situaties (inhoud van de droom-flarden)
Behandelplan: exposure aan de droomflarden
,Na een tijdje was er geen daling van night terror frequentie:
- Behandeling wordt niet goed uitgevoerd de man laat vermijding zien en voert de
behandeling dus niet goed uit.
Conclusie: theorie en diagnose lijken te kloppen, maar de behandeling moet beter worden
uitgevoerd.
Casus 2: nachtmerries
Theorie: nachtmerries zijn uiting van stress en geïsoleerde klacht
Behandelplan: exposure aan de nachtmerries
Na een tijdje geen daling van de nachtmerrie frequentie: bleek dat ze PTSS had
- Theorie klopte niet: terug naar theorie (diagnostische cyclus)
nachtmerries door trauma
traumabehandeling (EMDR of IE)
Conclusie: theorie niet juist door verkeerde diagnose, dus deze moet worden aangepast.
Dus:
- Behandelen = theorie vormen EN bijstellen
- Weten WAT je doet en WAAROM je het doet
- Constant bezig met theorie maken en toetsen en ook blijven toetsen, bijstellen en kritisch
zijn op jezelf
Deel 2: transdiagnostisch behandelen
DSM: kritiek
- Classificatie (geen diagnose: geen etiologie, beloop, prognose)
- Objectivering van stoornissen
- Symptomen vaststellen en groeperen tot een ziektebeeld (dus een heel medisch model)
Leidt tot veel comorbiditeit
- Categorsich (dus een stoornis wel of niet hebben niet dimensioneel)
- Wildgroei aan emotionele stoornissen
o Veel symptomen overlappen, dus vaak ook voldoen aan andere stoornissen
Toename prevalentie (hier draagt de DSM-5-TR aan bij)
LET OP: dit is dus geen diagnosesysteem (uit gemak wordt het wel een diagnose genoemd), er is
namelijk geen beschrijving van oorzaak en gevolg het is echt een beschrijving van clusters van
symptomen.
DSM en evidence-based behandelen: voordelen DSM
- Eenduidigheid over benaming/kenmerken van emotionele stoornissern
- Gericht onderzoek
- Stimuleert samenwerking en communicatie
DSM speelde een belangrijke rol bij de ontwikkeling van evidence-based behandelingen.
Complexe problematie: wat nu?
Goede behandeling beschikbaar voor elke stoornis, maar wat eerst?
Een behandeling is vaak namelijk maar op één stoornis gericht.
- Meest urgente probleem?
- Meest chronische probleem?
- Trigger probleem?
Hier zijn geen richtlijnen voor, dus per casus zelf bepalen wat het beste past.
Behandel effectiviteit vergroten: hoe doen we dit?
, - Betere implementatie en acceptatie van (stoornis-specifieke) evidence-based
behandelingen.
- Of: andere beweging: transdiagnositsche visie = richten op aspecten van de
problematiek/behandeling die specifieke stoornissen/behandelingen overrstijgen of die ze
gemeenschappelijk hebben. We zoeken naar een gemeenschappelijke factor.
Transdiagnostiek is NIET nieuw:
- Neurobiologisch: medicatie wordt geven bij meerdere stoornissen
- Leertheorie: exposure wordt zowel bij verschillende angststoornissen gegeven, maar ook bij
trauma dit laat goed zien dat deze theorie transdiagnostisch is. Exposure is een
transdiagnostische aanpak voor angst.
- Cognitie: cognitieve bias, approach/avoidance (terug te vinden in veel behandelingen).
Dit geldt ook voor de benaderingen zoals onbewustzijn (inzicht in onbewuste processen), vrije wil
(inzicht, acceptatie) en context (interactie). Veel van deze onderwerpen zijn niet gebonden aan maar
één stoornis dus transdiagnostisch.
Transdiagnostiek: reeds
3 therapeutische niveaus :
- Therapeutische angrijpingspunt (wat moet veranderen?)
o Bv. dysfunctioneel gedrag, cognitie, emotie
- Therapeutische context (hoe wordt die verandering het beste gefaciliteerd?)
o Bv. motivatie, rationale, structuur, therapeutische relatie
- Therapeutisch systeem (andere personen betrekken om de verandering te bestendigen?)
o Bv. partner, huisarts, bedrijfsarts
Fear conditioning:
Klassiek: leren van associatie tussen neutrale cue met schok (US) (Pavlov):
Fases van:
- Acquisitie: aanleren van angst
- Extinctie: afleren van angst
exposure is transdiagnostische aanpak voor angst
Artikel: angstconditionering:
Opzet: Trajecten in angstleren onderzoeken voor patiënten met angstgerelateerde problemen en
gezonde controlegroepen.
Studie 1:
Gaat over patiënten en controles, dus nog niks te maken met therapie. Verschillende patronen:
verschillende mensen hebben verschillende leercurves. De studie bestond uit 5 fasen: preacquisitie,
acquisitie zonder instructie, acquisitie met instructie, extinctie zonder instructie en extinctie met
instructie.
Wat werd er gemeten?
Angst + de verwachting van de impact van angst (US verwachting = in hoeverre verwacht je nu een
schok te krijgen) + startle response (schrikreactie).
Angst CS+
- 1 groep heeft normale acquisitie, daarna extinctie
- 1 groep is helemaal niet bang
- 1 groep had acquisitie, maar nam niet af tijdens extinctie hoger bij patiënten