Vaardig in taal
1. Semantisch domein
1.1. Herkomst van woorden
- Etymologie = tracht de oorsprong van woorden te achterhalen; geschiedenis
van woorden
o Etymologen proberen te achterhalen wat de oudste vorm en de oudste
geschiedenis van een woord en hoe zo’n woord zich daarna heeft
ontwikkeld
1.1.1 Inheemse woorden
Nederlands = Germaanse taal; behoort tot de Indo-Europese taalfamilie
- Inheemse woorden = woorden die al heel lang in onze taal voorkomen
o Erfwoorden = woorden die we erfden uit de talen die aan het
Nederlands voorafgingen
Bv. boer, bouwen, nacht, melk, …
o Substraatwoorden = woorden die we overnamen uit de talen van de
volkeren die voor de Germanen in onze streken woonden (behoren niet
tot de Indo-Europese taalfamilie)
Bv. aak, aal, been, bord, …
Kernlexicon
1.1.2 Internationale woordvorming
- Woorddelen uit andere talen = nieuwe Nederlandse woorden vormen door
klanken en woorddelen uit andere talen te gebruiken
Bv. telefoon (tèle (ver) + phonè (geluid); Grieks)
- Leenwoorden = woorden die we overnemen uit andere talen; kunnen in
verschillende mate vernederlandst worden (inburgeringsproces)
o Directe ontlening = direct overgenomen van een andere taal
Vreemde woorden = niet aangepast; exact overgenomen
Bv. beautycase, patrouille, beat, sowieso, …
Bastaardwoorden = overgenomen uit een andere taal, maar
aangepast aan de Nederlands spelling, morfologie en/of uitspraak
Bv. seks, mayonaise, mirakel, typen, …
Geïntegreerde leenwoorden = woorden die niet langer als
vreemd aanvoelen; lijken inheemse woorden
Bv. muur (murus), venster (fenestra), koffie, …
Terugontlening = proces waarin Nederlands woorden ontleend
worden door een andere taal, daar aangepast qua vorm en
betekenis en daarna opnieuw door het Nederlands ontleend worden,
met die nieuwe vorm en betekenis
Bv. mannequin (ontleend uit het Frans; oorspronkelijk ‘mannekijn’ =
houten pop)
o Indirecte ontlening = gebaseerd op woorden of constructies uit
andere talen
, Leenvertalingen = letterlijke vertalingen van woorden of
uitdrukkingen uit andere talen; behouden hun betekenis
Bv. wolkenkrabber (skyscraper), microgolf (microwave), …
Betekenisontlening = het woord heeft al een betekenis in het
Nederlands, maar deze wordt aangevuld met een andere betekenis,
ontleend uit een andere taal
Bv. globaal (betekende eerst ruw en daarna ook wereldwijd (global
uit het Engels))
- Barbarismen = niet-aanvaarde leenwoorden; beschouwd als taalfouten
o Gallicismen = uit Frans
Bv. bang hebben i.p.v. bang zijn (avoir peur)
o Germanismen = uit Duits
Bv. dagdagelijks i.p.v. dagelijks – (tagtäglich)
o Anglicismen = uit Engels
Bv. thee maken i.p.v. thee zetten (to make tea)
1.1.3 Neologismen
- Neologismen = nieuwe woorden binnen de taal, omdat er nood aan is door
nieuwe uitvindingen of concepten
o Bestaande woorden aan elkaar plakken = nieuwe samenstellingen
Bv. flitsmarathon, huidhonger, knuffelcontact, knaldrang, …
o Griekse of Latijnse woorddelen toevoegen
Bv. bioscoop (bios (leven) en scopein (kijken); Grieks), homofoob,
epicentrum, …
o Afkortingen
Initiaalwoorden = bestaan uit eerste letters van een woordgroep;
worden apart uitgesproken
Bv. wc, btw, CEO, …
Acroniemen = gevormd met de eerste letters van een
woordgroep; uitgesproken als één woord
Bv. aids, horeca, Benelux, …
Blending (porte-manteauwoorden) = twee of meer woorden
mengen met elkaar
Bv. brunch (breakfast + lunch), vechtscheiding (vechten +
echtscheiding), …
Clipping = gewoon een afkorting; deel van het woord word
weggelaten
Bv. labo, bib, prof, …
o Een geheel nieuw woord uitvinden
Bv. wiskunde i.p.v. mathematica, onderwerp i.p.v. subjectum, meervoud
i.p.v. pluralis, …
- Purismen = woorden die uitgevonden worden om een Nederlandstalig
alternatief te voorzien
o Kan omwille van chauvinisme of taaltrots zijn
1.1.4 Waarom verdwijnen woorden?
- Retrologisme = een woord dat verdwijnt uit onze taal
Bv. mekel (groot), natgierig (verlangen naar een alcoholische drank)
- Archaïsme = taalelement dat niet meer gebruikt wordt en dat ouderwets
aanvoelt
, Bv. thans (nu), doch (maar), …
Taalevolutie: uit de mode
1.1.5 Lexical gap
- Lexical gaps (taalleemte) = geen woord in jouw taal voor een specifiek begrip
of omgekeerd
Woorden uit andere talen halen
Bv. siblings/geschwister, fika, gezellig of goesting (omgekeerd)
1.2. De gevoelswaarde van woorden
1.2.1 Denotatie en connotatie
- Denotatie = betekenis van een woord dat je terugvindt in een woordenboek
Bv. flik – politieagent
- Connotatie = de gevoelswaarde die je aan een woord koppelt
Bv. flik klinkt gemener dan politieagent
1.2.2 Eufemismen en dysfemismen
- Dysfemisme = je zegt iets opzettelijk harder, gemener of negatiever
Bv. vet i.p.v. volslank, hou je bek i.p.v. hou je mond/wees stil, …
- Eufemisme = je zegt iets op een verzachtende manier
Bv. edele delen i.p.v. geslachtsorganen, zelfdoding i.p.v. zelfmoord, …
1.2.3 Betekenisveranderingen
Denotatie wijzigt:
- Betekenisuitbreiding = oorspronkelijke betekenis wordt uitgebreid;
oorspronkelijke betekenis wordt behouden; extra betekenis
Bv. pen (vroeger: ‘veer van een duif’, daarna ook ‘veer waarmee je kon
schrijven’, nu ook: ‘stylo’ of ‘schrijfmiddel’), muis (vroeger: ‘klein knaagdier’,
daarna ook ‘computertoebehoren; kabel die lijkt op een staart’), …
- Betekenisinperking = betekenis van een woord wordt specifieker
Bv. onweer (vroeger: ‘slecht weer’, nu: ‘slecht weer met donder en bliksem’),
ongesteld (vroeger: ‘in een slechte toestand verkerend’, nu: ‘menstruatie’), …
- Betekenisverschuiving = het woord wordt niet meer in de oorspronkelijke
betekenis gebruikt; volledig vervangen
Bv. kerkhof ( van ‘omsloten ruimte rond een kerk’ naar ‘begraafplaats’),
schilderen (van ‘het kleuren van schilden’ naar ‘verven’), …
Connotatie wijzigt:
- Melioratieve zin = betekenis wordt positiever
Bv. slim (eerst: ‘scheef, schuin, misvormd’, nu: ‘verstandig’)
- Pejoratieve zin = betekenis wordt negatiever
Bv. wijf (eerst: ‘algemene term voor een vrouw, nu heel negatief geladen)
1.3. Woordbetekenisrelaties
1.3.1 Polysemie
- Polysemie = woorden of woordgroepen hebben verschillende betekenissen,
maar zijn wel nog aan elkaar te linken
1. Semantisch domein
1.1. Herkomst van woorden
- Etymologie = tracht de oorsprong van woorden te achterhalen; geschiedenis
van woorden
o Etymologen proberen te achterhalen wat de oudste vorm en de oudste
geschiedenis van een woord en hoe zo’n woord zich daarna heeft
ontwikkeld
1.1.1 Inheemse woorden
Nederlands = Germaanse taal; behoort tot de Indo-Europese taalfamilie
- Inheemse woorden = woorden die al heel lang in onze taal voorkomen
o Erfwoorden = woorden die we erfden uit de talen die aan het
Nederlands voorafgingen
Bv. boer, bouwen, nacht, melk, …
o Substraatwoorden = woorden die we overnamen uit de talen van de
volkeren die voor de Germanen in onze streken woonden (behoren niet
tot de Indo-Europese taalfamilie)
Bv. aak, aal, been, bord, …
Kernlexicon
1.1.2 Internationale woordvorming
- Woorddelen uit andere talen = nieuwe Nederlandse woorden vormen door
klanken en woorddelen uit andere talen te gebruiken
Bv. telefoon (tèle (ver) + phonè (geluid); Grieks)
- Leenwoorden = woorden die we overnemen uit andere talen; kunnen in
verschillende mate vernederlandst worden (inburgeringsproces)
o Directe ontlening = direct overgenomen van een andere taal
Vreemde woorden = niet aangepast; exact overgenomen
Bv. beautycase, patrouille, beat, sowieso, …
Bastaardwoorden = overgenomen uit een andere taal, maar
aangepast aan de Nederlands spelling, morfologie en/of uitspraak
Bv. seks, mayonaise, mirakel, typen, …
Geïntegreerde leenwoorden = woorden die niet langer als
vreemd aanvoelen; lijken inheemse woorden
Bv. muur (murus), venster (fenestra), koffie, …
Terugontlening = proces waarin Nederlands woorden ontleend
worden door een andere taal, daar aangepast qua vorm en
betekenis en daarna opnieuw door het Nederlands ontleend worden,
met die nieuwe vorm en betekenis
Bv. mannequin (ontleend uit het Frans; oorspronkelijk ‘mannekijn’ =
houten pop)
o Indirecte ontlening = gebaseerd op woorden of constructies uit
andere talen
, Leenvertalingen = letterlijke vertalingen van woorden of
uitdrukkingen uit andere talen; behouden hun betekenis
Bv. wolkenkrabber (skyscraper), microgolf (microwave), …
Betekenisontlening = het woord heeft al een betekenis in het
Nederlands, maar deze wordt aangevuld met een andere betekenis,
ontleend uit een andere taal
Bv. globaal (betekende eerst ruw en daarna ook wereldwijd (global
uit het Engels))
- Barbarismen = niet-aanvaarde leenwoorden; beschouwd als taalfouten
o Gallicismen = uit Frans
Bv. bang hebben i.p.v. bang zijn (avoir peur)
o Germanismen = uit Duits
Bv. dagdagelijks i.p.v. dagelijks – (tagtäglich)
o Anglicismen = uit Engels
Bv. thee maken i.p.v. thee zetten (to make tea)
1.1.3 Neologismen
- Neologismen = nieuwe woorden binnen de taal, omdat er nood aan is door
nieuwe uitvindingen of concepten
o Bestaande woorden aan elkaar plakken = nieuwe samenstellingen
Bv. flitsmarathon, huidhonger, knuffelcontact, knaldrang, …
o Griekse of Latijnse woorddelen toevoegen
Bv. bioscoop (bios (leven) en scopein (kijken); Grieks), homofoob,
epicentrum, …
o Afkortingen
Initiaalwoorden = bestaan uit eerste letters van een woordgroep;
worden apart uitgesproken
Bv. wc, btw, CEO, …
Acroniemen = gevormd met de eerste letters van een
woordgroep; uitgesproken als één woord
Bv. aids, horeca, Benelux, …
Blending (porte-manteauwoorden) = twee of meer woorden
mengen met elkaar
Bv. brunch (breakfast + lunch), vechtscheiding (vechten +
echtscheiding), …
Clipping = gewoon een afkorting; deel van het woord word
weggelaten
Bv. labo, bib, prof, …
o Een geheel nieuw woord uitvinden
Bv. wiskunde i.p.v. mathematica, onderwerp i.p.v. subjectum, meervoud
i.p.v. pluralis, …
- Purismen = woorden die uitgevonden worden om een Nederlandstalig
alternatief te voorzien
o Kan omwille van chauvinisme of taaltrots zijn
1.1.4 Waarom verdwijnen woorden?
- Retrologisme = een woord dat verdwijnt uit onze taal
Bv. mekel (groot), natgierig (verlangen naar een alcoholische drank)
- Archaïsme = taalelement dat niet meer gebruikt wordt en dat ouderwets
aanvoelt
, Bv. thans (nu), doch (maar), …
Taalevolutie: uit de mode
1.1.5 Lexical gap
- Lexical gaps (taalleemte) = geen woord in jouw taal voor een specifiek begrip
of omgekeerd
Woorden uit andere talen halen
Bv. siblings/geschwister, fika, gezellig of goesting (omgekeerd)
1.2. De gevoelswaarde van woorden
1.2.1 Denotatie en connotatie
- Denotatie = betekenis van een woord dat je terugvindt in een woordenboek
Bv. flik – politieagent
- Connotatie = de gevoelswaarde die je aan een woord koppelt
Bv. flik klinkt gemener dan politieagent
1.2.2 Eufemismen en dysfemismen
- Dysfemisme = je zegt iets opzettelijk harder, gemener of negatiever
Bv. vet i.p.v. volslank, hou je bek i.p.v. hou je mond/wees stil, …
- Eufemisme = je zegt iets op een verzachtende manier
Bv. edele delen i.p.v. geslachtsorganen, zelfdoding i.p.v. zelfmoord, …
1.2.3 Betekenisveranderingen
Denotatie wijzigt:
- Betekenisuitbreiding = oorspronkelijke betekenis wordt uitgebreid;
oorspronkelijke betekenis wordt behouden; extra betekenis
Bv. pen (vroeger: ‘veer van een duif’, daarna ook ‘veer waarmee je kon
schrijven’, nu ook: ‘stylo’ of ‘schrijfmiddel’), muis (vroeger: ‘klein knaagdier’,
daarna ook ‘computertoebehoren; kabel die lijkt op een staart’), …
- Betekenisinperking = betekenis van een woord wordt specifieker
Bv. onweer (vroeger: ‘slecht weer’, nu: ‘slecht weer met donder en bliksem’),
ongesteld (vroeger: ‘in een slechte toestand verkerend’, nu: ‘menstruatie’), …
- Betekenisverschuiving = het woord wordt niet meer in de oorspronkelijke
betekenis gebruikt; volledig vervangen
Bv. kerkhof ( van ‘omsloten ruimte rond een kerk’ naar ‘begraafplaats’),
schilderen (van ‘het kleuren van schilden’ naar ‘verven’), …
Connotatie wijzigt:
- Melioratieve zin = betekenis wordt positiever
Bv. slim (eerst: ‘scheef, schuin, misvormd’, nu: ‘verstandig’)
- Pejoratieve zin = betekenis wordt negatiever
Bv. wijf (eerst: ‘algemene term voor een vrouw, nu heel negatief geladen)
1.3. Woordbetekenisrelaties
1.3.1 Polysemie
- Polysemie = woorden of woordgroepen hebben verschillende betekenissen,
maar zijn wel nog aan elkaar te linken