Hoorcollege 1: rechtsfilosofie en mensenrechten
Filosofie
Filosofie is de zoektocht naar kennis en wijsheid, met reflectie op fundamentele vragen
over waarheid, kennis, moraal en menselijk handelen. Binnen de praktische filosofie
staat de vraag centraal hoe mensen goed kunnen leven. Een belangrijk onderdeel
hiervan is de ethiek, die morele normen en waarden onderzoekt. Rechtsfilosofie valt
onder praktische filosofie en houdt zich bezig met de morele dimensie van het recht en
de vraag hoe recht kan bijdragen aan een rechtvaardige samenleving. ‘Wie een goed
mens wil zijn, heeft een goed functionerende samenleving nodig.’
Recht
Recht is een systeem van regels dat binnen een bepaald territorium geldt. Het regelt
conflicten tussen waarden, aanspraken en tussen juridische en morele plichten. Er is
spanning tussen heteronomie (regels van buitenaf) en autonomie (zelf regels
bepalen). Recht bestaat uit regelende en afdwingbare regels en is hiërarchisch
opgebouwd. Positieve definities schieten tekort bij principiële kwesties, door vragen over
autoriteit, interpretatie en dwang. Het recht wordt gedefinieerd als het geheel van
gestelde, regelende en afdwingbare regels dat binnen een bepaald territorium geldt
Rechtspositivisme
Rechtspositivisten (zoals John Austin en H.L.A. Hart) zien recht als gescheiden van
moraal. Het gaat om geldigheid, handhaving en effectiviteit van regels, onafhankelijk van
rechtvaardigheid. Het recht is volgens hen een gesloten systeem. Austin definieert
recht als bevelen van een soeverein; Hart verschuift de focus naar regels.
Rechtspositivisten vinden dat recht en rechtvaardigheid niet noodzakelijk met elkaar zijn
verbonden, maar slechts een toevallig sociologische band hebben. De geldigheid van
het recht moet worden gezocht op grond van handhaving en effectiviteit. De
rechtsnorm moet dan niet alleen van buitenaf worden gehandhaafd, maar moet ook
geïnternaliseerd (=iets wat oorspronkelijk van buitenaf komt zo is opgenomen in
iemands denken of voelen, dat het als eigen wordt ervaren). Max Weber, definitie van
recht: ‘Het recht is de sociale orde van een centraal georganiseerde maatschappij, voor
zover deze orde is gebaseerd op een machtsmonopolie.’
John Austin, klassieke definitie van het recht: ‘Het recht is het geheel van bevelen
zoals dat door een soeverein is gesteld en dat gewoonlijk wordt gehoorzaamd.’
Het recht wordt definieert als gestolde macht (=macht die vastgelegd of
verstevigd is in structuren, regels en instanties) door rechtspositivisten. Zijn
definitie bevat dus drie verschillende factoren:
1. Instantie;
2. Zelf niet aan de regels onderworpen;
3. Deze kunnen ze wel afdwingen, in de vorm van een bevel.
H.L.A. Hart heeft de shift gemaakt van bevelen naar regels.
Natuurrecht
Het natuurrecht stelt dat recht en rechtvaardigheid wel verbonden zijn. Onrechtvaardig
recht is geen echt recht (lex iniusta non est lex). Volgens denkers als Lon Fuller moet
recht aan minimale morele voorwaarden voldoen. Rechters gebruiken morele
overwegingen om open normen in te vullen.
Mensenrechten
Mensenrechten zijn fundamentele rechten die iedereen toekomen omdat we mens zijn.
Ze zijn universeel, belangrijk en deelbaar, en overstijgen tijd en plaats. Ze vormen
het ultieme morele kader van het recht en spelen een centrale rol in rechtsfilosofische
discussies.
Rechtsfilosofie
Rechtsfilosofie onderzoekt concepten als recht, rechtvaardigheid, gelijkheid en juridische
orde:
Conceptuele analyse: wat is recht?
, Normatieve analyse: hoe zou het recht moeten zijn?
Gelijkheid en het gelijkheidsbeginsel
Gelijkheid is een fundamentele waarde van het recht. Het gelijkheidsbeginsel houdt in
dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Dit is essentieel voor een
rechtvaardige rechtsstaat.
Wezen en grondslagen van het recht
Er bestaan twee hoofdperspectieven:
Rechtspositivisme: recht is wat wettelijk geldt (legaliteitsbeginsel);
Natuurrecht: recht moet overeenstemmen met moraal en hogere waarden (bijv.
Goddelijke of natuurlijke wetten).
Botsingen tussen positief recht en moraal
Er kunnen conflicten zijn tussen geldend recht en morele normen:
Soms primeert het positieve recht
Soms primeert de rechtvaardigheid
Soms is een afweging nodig.
De eeuwige wet
Eeuwige wet (Thomas van Aquino) → recht moet overeenstemmen met moraal en
rechtvaardigheid
Eeuwige wet = wet van God → verwachtingen van God waar normen uit te halen
zijn;
Natuurlijke wet;
Menselijke wet.
1. Wet van God;
2. Moreel;
3. Positief recht
Filosofische denkers over recht
a. Plato: algemeen welzijn;
b. Cicero: schadelijk en onrechtvaardig;
c. Thomas: gemeenschappelijke nut.
Hoorcollege 2: De filosofische context
Mensenrechten zijn niet vanzelfsprekend
Geen lineair proces: Mensenrechten zijn historisch gegroeid en afhankelijk van
tijd en context.
Concepten zoals ‘staat’, ‘recht’, ‘eigendom’ en ‘mens’ zijn cultureel en
filosofisch bepaald.
" Geen afgeleid recht, maar een ultiem recht, dat als zodanig-van nature-geldt,
onafhankelijk van een nationale of internationale wetgever
Filosofische posities over de staat en recht
Locke & Kant (moderne denkers): Eigendom is het doel van de staat.
Marx: Staat is een instrument van onderdrukking.
Sociaaldemocraten: Recht moet herverdeling bevorderen.
Liberalen: Recht moet eigendom waarborgen.
Oorsprong van moderne mensenrechten
17e-18e eeuw: Ontstaan door individualisering en filosofie van Descartes.
Maatschappelijk verdrag (Hobbes, Locke, Rousseau): Legitimatie van de staat
gebaseerd op instemming van vrije individuen.
Natuurtoestand als denkbeeldige uitgangspositie.
, Mensenrechten vóór de moderne tijd
Oudheid: Geen mensenrechten, wel ideeën over menselijke waardigheid
(stoïcijnen= de aangewezen weg om de mens gelukkig te maken). In de Bijbelse
traditie was het denken theologisch (=beschouwing van god) van aard.
Middeleeuwen: Documenten zoals de Magna Charta erkenden beperkte rechten
(voor de adel), geen universele mensenrechten.
Recht en macht ontleend aan God (de middeleeuwse vorst).
Moderne doorbraak
Declaration of Independence (1776) & Déclaration des droits de l’homme
(1789): Introduceerden universele en onvervreemdbare rechten.
- Dit kwam door een toenemende mate van individualisering.
- Hobbes schreef de eerste interpretatie van het maatschappelijk verdrag
waarin de individuele mens ook het uitgangspunt was. John Locke en Jean-
Jacques Rousseau hebben ook eigen interpretaties over het maatschappelijk
verdrag geschreven. Daarbij beginnen zij met het wegdenken van alle
bestaande structuren en instellingen. Deze toestand waarin mensen leven
zonder enige organisatie, heet de natuurtoestand. De meeste denkers
denken dat deze toestand chaotisch is, waarin mensen hun eigen belangen
nastreven. De samenleving kan alleen geordend worden door middel van
collectieve afspraken. Deze beslissing wordt het maatschappelijk verdrag
genoemd. Het vormt de legitimatie voor de staat.
Omkering van het hiërarchische model: Mens boven recht en staat.
Kritiek op mensenrechten
Conservatief: Breuk met traditie.
Utilitarisme (Jeremy Bentham): Mensenrechten als vaag en destabiliserend,
het maatschappelijke nut staat centraal.
John Rawls vond dat het communitarisme ‘the way to go’ is.
Marxistisch: Mensenrechten beschermen bezit van de machtigen.
Historisch recht (Duitsland): Recht moet organisch groeien, niet door een
revolutie.
De staat is een onvermijdelijk kwaad die uit eigenbelang wordt aanvaard. Dit idee
is strijdig met de opvatting van Aristoteles waar mensen werden gezien in het
licht van hun gemeenschap.
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM, 1948)
Geen religieuze basis.
Combinatie van klassieke (negatieve) en sociale (positieve) rechten.
Iedereen heeft recht op lidmaatschap van een staat → voorwaarde om aanspraak
te maken op rechten.
Mensenrechten waren niet langer alleen de negatieve rechten, maar ook de eisen
van de staat.
Generaties mensenrechten
Eerste generatie: Klassieke rechten (vrijheid, politieke participatie, mens als
individu).
Tweede generatie: Sociaal-economische rechten (onderwijs, gezondheidszorg).
Derde generatie: Collectieve rechten (recht op gemeenschap, zelfbeschikking,
milieu, vrede).
Twee mensbeelden
Individu: Autonomie, bescherming, rechten.
Gemeenschap: Plichten, verantwoordelijkheid, solidariteit.
Filosofische onderbouwing
Plato: Rechtvaardigheid als universele idee; ‘de idee van rechtvaardigheid’.
Hugo de Groot: Autonomie en eigendom uit natuurlijke orde afgeleid.
Filosofie
Filosofie is de zoektocht naar kennis en wijsheid, met reflectie op fundamentele vragen
over waarheid, kennis, moraal en menselijk handelen. Binnen de praktische filosofie
staat de vraag centraal hoe mensen goed kunnen leven. Een belangrijk onderdeel
hiervan is de ethiek, die morele normen en waarden onderzoekt. Rechtsfilosofie valt
onder praktische filosofie en houdt zich bezig met de morele dimensie van het recht en
de vraag hoe recht kan bijdragen aan een rechtvaardige samenleving. ‘Wie een goed
mens wil zijn, heeft een goed functionerende samenleving nodig.’
Recht
Recht is een systeem van regels dat binnen een bepaald territorium geldt. Het regelt
conflicten tussen waarden, aanspraken en tussen juridische en morele plichten. Er is
spanning tussen heteronomie (regels van buitenaf) en autonomie (zelf regels
bepalen). Recht bestaat uit regelende en afdwingbare regels en is hiërarchisch
opgebouwd. Positieve definities schieten tekort bij principiële kwesties, door vragen over
autoriteit, interpretatie en dwang. Het recht wordt gedefinieerd als het geheel van
gestelde, regelende en afdwingbare regels dat binnen een bepaald territorium geldt
Rechtspositivisme
Rechtspositivisten (zoals John Austin en H.L.A. Hart) zien recht als gescheiden van
moraal. Het gaat om geldigheid, handhaving en effectiviteit van regels, onafhankelijk van
rechtvaardigheid. Het recht is volgens hen een gesloten systeem. Austin definieert
recht als bevelen van een soeverein; Hart verschuift de focus naar regels.
Rechtspositivisten vinden dat recht en rechtvaardigheid niet noodzakelijk met elkaar zijn
verbonden, maar slechts een toevallig sociologische band hebben. De geldigheid van
het recht moet worden gezocht op grond van handhaving en effectiviteit. De
rechtsnorm moet dan niet alleen van buitenaf worden gehandhaafd, maar moet ook
geïnternaliseerd (=iets wat oorspronkelijk van buitenaf komt zo is opgenomen in
iemands denken of voelen, dat het als eigen wordt ervaren). Max Weber, definitie van
recht: ‘Het recht is de sociale orde van een centraal georganiseerde maatschappij, voor
zover deze orde is gebaseerd op een machtsmonopolie.’
John Austin, klassieke definitie van het recht: ‘Het recht is het geheel van bevelen
zoals dat door een soeverein is gesteld en dat gewoonlijk wordt gehoorzaamd.’
Het recht wordt definieert als gestolde macht (=macht die vastgelegd of
verstevigd is in structuren, regels en instanties) door rechtspositivisten. Zijn
definitie bevat dus drie verschillende factoren:
1. Instantie;
2. Zelf niet aan de regels onderworpen;
3. Deze kunnen ze wel afdwingen, in de vorm van een bevel.
H.L.A. Hart heeft de shift gemaakt van bevelen naar regels.
Natuurrecht
Het natuurrecht stelt dat recht en rechtvaardigheid wel verbonden zijn. Onrechtvaardig
recht is geen echt recht (lex iniusta non est lex). Volgens denkers als Lon Fuller moet
recht aan minimale morele voorwaarden voldoen. Rechters gebruiken morele
overwegingen om open normen in te vullen.
Mensenrechten
Mensenrechten zijn fundamentele rechten die iedereen toekomen omdat we mens zijn.
Ze zijn universeel, belangrijk en deelbaar, en overstijgen tijd en plaats. Ze vormen
het ultieme morele kader van het recht en spelen een centrale rol in rechtsfilosofische
discussies.
Rechtsfilosofie
Rechtsfilosofie onderzoekt concepten als recht, rechtvaardigheid, gelijkheid en juridische
orde:
Conceptuele analyse: wat is recht?
, Normatieve analyse: hoe zou het recht moeten zijn?
Gelijkheid en het gelijkheidsbeginsel
Gelijkheid is een fundamentele waarde van het recht. Het gelijkheidsbeginsel houdt in
dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Dit is essentieel voor een
rechtvaardige rechtsstaat.
Wezen en grondslagen van het recht
Er bestaan twee hoofdperspectieven:
Rechtspositivisme: recht is wat wettelijk geldt (legaliteitsbeginsel);
Natuurrecht: recht moet overeenstemmen met moraal en hogere waarden (bijv.
Goddelijke of natuurlijke wetten).
Botsingen tussen positief recht en moraal
Er kunnen conflicten zijn tussen geldend recht en morele normen:
Soms primeert het positieve recht
Soms primeert de rechtvaardigheid
Soms is een afweging nodig.
De eeuwige wet
Eeuwige wet (Thomas van Aquino) → recht moet overeenstemmen met moraal en
rechtvaardigheid
Eeuwige wet = wet van God → verwachtingen van God waar normen uit te halen
zijn;
Natuurlijke wet;
Menselijke wet.
1. Wet van God;
2. Moreel;
3. Positief recht
Filosofische denkers over recht
a. Plato: algemeen welzijn;
b. Cicero: schadelijk en onrechtvaardig;
c. Thomas: gemeenschappelijke nut.
Hoorcollege 2: De filosofische context
Mensenrechten zijn niet vanzelfsprekend
Geen lineair proces: Mensenrechten zijn historisch gegroeid en afhankelijk van
tijd en context.
Concepten zoals ‘staat’, ‘recht’, ‘eigendom’ en ‘mens’ zijn cultureel en
filosofisch bepaald.
" Geen afgeleid recht, maar een ultiem recht, dat als zodanig-van nature-geldt,
onafhankelijk van een nationale of internationale wetgever
Filosofische posities over de staat en recht
Locke & Kant (moderne denkers): Eigendom is het doel van de staat.
Marx: Staat is een instrument van onderdrukking.
Sociaaldemocraten: Recht moet herverdeling bevorderen.
Liberalen: Recht moet eigendom waarborgen.
Oorsprong van moderne mensenrechten
17e-18e eeuw: Ontstaan door individualisering en filosofie van Descartes.
Maatschappelijk verdrag (Hobbes, Locke, Rousseau): Legitimatie van de staat
gebaseerd op instemming van vrije individuen.
Natuurtoestand als denkbeeldige uitgangspositie.
, Mensenrechten vóór de moderne tijd
Oudheid: Geen mensenrechten, wel ideeën over menselijke waardigheid
(stoïcijnen= de aangewezen weg om de mens gelukkig te maken). In de Bijbelse
traditie was het denken theologisch (=beschouwing van god) van aard.
Middeleeuwen: Documenten zoals de Magna Charta erkenden beperkte rechten
(voor de adel), geen universele mensenrechten.
Recht en macht ontleend aan God (de middeleeuwse vorst).
Moderne doorbraak
Declaration of Independence (1776) & Déclaration des droits de l’homme
(1789): Introduceerden universele en onvervreemdbare rechten.
- Dit kwam door een toenemende mate van individualisering.
- Hobbes schreef de eerste interpretatie van het maatschappelijk verdrag
waarin de individuele mens ook het uitgangspunt was. John Locke en Jean-
Jacques Rousseau hebben ook eigen interpretaties over het maatschappelijk
verdrag geschreven. Daarbij beginnen zij met het wegdenken van alle
bestaande structuren en instellingen. Deze toestand waarin mensen leven
zonder enige organisatie, heet de natuurtoestand. De meeste denkers
denken dat deze toestand chaotisch is, waarin mensen hun eigen belangen
nastreven. De samenleving kan alleen geordend worden door middel van
collectieve afspraken. Deze beslissing wordt het maatschappelijk verdrag
genoemd. Het vormt de legitimatie voor de staat.
Omkering van het hiërarchische model: Mens boven recht en staat.
Kritiek op mensenrechten
Conservatief: Breuk met traditie.
Utilitarisme (Jeremy Bentham): Mensenrechten als vaag en destabiliserend,
het maatschappelijke nut staat centraal.
John Rawls vond dat het communitarisme ‘the way to go’ is.
Marxistisch: Mensenrechten beschermen bezit van de machtigen.
Historisch recht (Duitsland): Recht moet organisch groeien, niet door een
revolutie.
De staat is een onvermijdelijk kwaad die uit eigenbelang wordt aanvaard. Dit idee
is strijdig met de opvatting van Aristoteles waar mensen werden gezien in het
licht van hun gemeenschap.
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM, 1948)
Geen religieuze basis.
Combinatie van klassieke (negatieve) en sociale (positieve) rechten.
Iedereen heeft recht op lidmaatschap van een staat → voorwaarde om aanspraak
te maken op rechten.
Mensenrechten waren niet langer alleen de negatieve rechten, maar ook de eisen
van de staat.
Generaties mensenrechten
Eerste generatie: Klassieke rechten (vrijheid, politieke participatie, mens als
individu).
Tweede generatie: Sociaal-economische rechten (onderwijs, gezondheidszorg).
Derde generatie: Collectieve rechten (recht op gemeenschap, zelfbeschikking,
milieu, vrede).
Twee mensbeelden
Individu: Autonomie, bescherming, rechten.
Gemeenschap: Plichten, verantwoordelijkheid, solidariteit.
Filosofische onderbouwing
Plato: Rechtvaardigheid als universele idee; ‘de idee van rechtvaardigheid’.
Hugo de Groot: Autonomie en eigendom uit natuurlijke orde afgeleid.