van nieren, hart en circulatie
HC4 Hypertensie als risicofactor
Fysiologie van de bloeddruk
Wet van Ohm: V = I * R (spanning =
stroomsterkte * weerstand)
In de mens wordt de bloeddruk
geformulueert als: Bloeddruk = Cardiac
Output (hartminuutvolume) * perifere
weerstand in de circulatie.
Het hart beïnvloed het slagvolume en de
hartfrequentie. De circulatie kan de vaatweerstand aanpassen middels
structurele en functionele aanpassingen. De nieren hebben ook een belangrijke
functie in de bloeddruk, ze kunnen namelijk:
Water- en zoutretentie -> bloedvolume ↑
Renine Angiotensine Aldosteron Systeem (RAAS) aanzetten
Sympatische activiteit verhogen
De sensoren van de feedback loop voor de bloeddruk, baroreceptoren, zitten in
de aortaboog en in de a. carotis. Een baroreceptor past zijn vuurfrequentie aan
op de arteriële bloeddruk. De receptor in de aortaboog geeft een impuls aan de
n. vagus en de receptor in de a. carotis geeft een impuls aan de n.
glossopharyngeus. Deze signalen gaan naar het vasomotorisch centrum in de
hersenstam, waar de sympatische/parasymaptische activiteit van het autonome
zenuwstelsel toeneemt. Hierdoor zal er vasoconstrictie/-dilatatie in de arteriolen
optreden en het hart gestimuleerd worden, waarmee de totale perifere weerstand
en de cardiac output verhoogd kunnen worden. Daarmee kan de arteriële
bloeddruk toenemen.
De sympatische activiteit laat ook de hartfrequentie en het slagvolume
toenemen. Het slagvolume neemt toe door een verhoogde contractiliteit van het
myocard en een grotere veneuze return. Hierdoor wordt de Cardiac Output
aangepast. Daarmee neemt de arteriële bloeddruk ook toe.
De cardiac output hangt ook af van het effectief
circulerend volume (ECV). Dit wordt ook gemeten
door receptoren, ECV receptoren. Deze komen voor in
het centrale zenuwstelsel (CZS), de lever en in de
vaten. De laatste worden vasculaire sensoren
genoemd. Er zijn vasculaire sensoren voor een hoge en
een lage druk:
Hoge druk
o JGA (renale afferente arteriole)
o Sinus carotis
o Aortaboog
Lage druk