Dinsdag 3 september
Introductie en hoofdstuk 1:
Periodisering van de oude geschiedenis:
Vroeger was men ook al bezig met het periodiseren van de geschiedenis. Toen werd ook
al gedacht dat vroeger alles beter was, door naar oudere tijden te refereren met goud en
af te lopen naar het nu met zilver en brons. Tijd kan onderverdeeld worden in perioden of
in belangrijke en bepalende rijken. Augustinus deelde de tijd in los van het handelen van
de mens, maar naar periodes die leken op een menselijke levenscyclus. De manier
waarop je de geschiedenis periodiseert bepaald hoe je naar de geschiedenis kijkt.
o Absolute chronologie: gebeurtenissen aangeven met jaartallen
o Relatieve chronologie: gebeurtenissen in vergelijking stellen met andere
gebeurtenissen, iets gebeurt voor of na iets
Wat is de Oudheid?
De Oudheid wordt ook wel de Klassieken genoemd, naar de overgrote invloed van de
Grieken en Romeinen in deze periode. In het Nabije Oosten eindigde de prehistorie rond
3400-3200 v. Chr. Met het ontstaan van het schrift, in Nederland was dit 50 v. Chr. . In de
Oudheid ligt de focus op het Mediterrane. Wanneer de oudheid eindigt is onduidelijk en er
zijn momenten die hiervoor worden gebruikt (val West-Romeinse rijk? val Constantinopel?
einde Heilige Roomse Rijk?).
De keuze om deze tijd samen te groeperen is de gemeenschappelijke mentaliteit binnen
de antieke wereld. Op het Christendom na geloofde iedereen in een polytheïstische
godsdienst met vergelijkbare goden, er was een vergelijkbare taal en kennis aanwezig en
religie was het fundament voor al het denken, het was geen vraag of er goden waren.
Ook was er een mentaliteit tegen verandering, continuïteit werd als iets goeds gezien en
traditie werd geprezen, hoewel er in werkelijkheid toch veel veranderde (koningen,
politieke systemen, innovaties en de invoering van geld).
De Oudheid op sociaaleconomisch gebied:
Men leefde in deze tijd in een bestaanseconomie, de meeste mensen zijn het grootste
deel van hun tijd bezig met het overleven door al hun tijd te besteden aan het produceren
van voedsel. Meer dan 90% was boer in deze tijd. Er waren wel steden met specialisatie
maar die konden alleen bestaan doordat er een hele grote groep bezig was met de
productie van voedsel. Vruchtbare grond was heel erg belangrijk in deze
bestaanseconomie. Er zijn twee bijzondere vruchtbare gebieden:
o De nijl in Egypte zorgde voor vruchtbare grond, en overstroomde twee keer per
jaar op gunstige momenten (voor het zaaien en na de oogst) waarna het
vruchtbaar slib achterliet. Doordat de Nijl omringd was door woestijn waren er
geen gevaren van buiten waardoor dit gebied zich goed kon ontwikkelen. De Nijl
gaf ook de mogelijk om via schepen voedsel en goederen te verhandelen. Egypte
werd later daarom ook een graanschuur.
o Mesopotamië lag tussen de rivier de Eufraat en de Tigris. De rivieren
overstroomde niet altijd en vaak ook niet gunstig, dus de landbouw was hier meer
afhankelijk was de regen en irrigatie. Veel wisselende oogsten zorgden ervoor dat
, mensen vaak naar nabijgelegen dorpen gingen om daar vaak met geweld hun
voedsel te halen.
In het Middellandse zee gebied was de bestaanseconomie door de brandgevoeligheid en
aanwezigheid van microklimaten. Door de hoge brandgevoeligheid en droogte vlogen er
vaak delen van het land in brand, wat oogsten verpeste. De microklimaten zorgden voor
een hoge wisselvalligheid in temperatuur en neerslag op relatief weinig afstand, waardoor
het ene dorp een goede oogst en het andere dorp een slechte oogt kon hebben, wat voor
conflicten zorgde.
Onderzoek naar de Oudheid:
Er zijn weinig bronnen overgebleven uit de Oudheid, en de bronnen die we hebben zijn
toevallig gevonden. Teksten die het overleven zijn meestal vaak geschreven bijvoorbeeld
als schoonoefening, waardoor we een exemplaar hebben. Ook zijn de teksten die het
overleefd hebben vaak literair van aard. In de Middeleeuwen werd over oude teksten
geschreven om nieuwe bijbels te kunnen maken, door nieuwe technologie kan de
onderliggende tekst uit de oudheid nu worden achterhaald. De meeste teksten uit de
Oudheid zijn geschreven door rijke mannen die de tijd en het geld hadden om te
schrijven, dit geeft een eenzijdig beeld van de geschiedenis. Afwezigheid van bewijs is
geen bewijs voor afwezigheid, dit is dubbel waar voor de Oudheid door de schaarste en
eenzijdigheid van bronnen.
Er zijn een aantal hulpwetenschappen die voor meer bronnen zorgen:
o Epigrafie: alle tekst die ergens in gegrafeerd is, dit is vaak alledaagse tekst die ons
veel kan vertellen over hoe dingen geregeld waren en hoe het leven van mensen
er in die tijd uitzag.
o Numismatiek: de studie naar munten, wat erop staat kan vertellen over hoe
degene die ze liet slagen zichzelf wou overbrengen en waar ze gevonden zijn zegt
wat over globalisering en handel; er zijn potten met brons muntgeld gevonden, dit
is handig want een paar goudstukken met veel waarde neem je makkelijk mee en
veel brons met weinig waarde niet, waarschijnlijk deden mensen dit wanneer er
veroveraars of onrust aan zou komen, wat laat zien dat mensen ervanuit gingen
dat zelfs met onrust het geld haar waarde behield; het zilver in munten dat
afnamen bij de Romeinen kan wijzen op inflatie of vertrouwen in de munt dat die
geen waarde op zichzelf meer nodig heeft
o Papyrologie: teksten geschreven op beter bewaard papier, enige soort van archief
dat we hebben maar ze zijn eenzijdig want komen allemaal uit Egypte waar ze in
het zand goed bewaard zijn gebleven
o Archeologie: materiële resten in de vorm van gebouwen, veel van de levenswijze
van mensen aan of te leiden, in Pompeï zelf brood bakken in bakkerijen en hoge
en lage stand aten bijna hetzelfde
Theorie en methoden:
Door bronnen opnieuw te bekijken kun je achter nieuwe informatie komen. Uit de Oudheid
hebben we geen ooggetuigen, wat niet per se een nadeel is omdat mensen zich vaak
dingen verkeerd herinneren. Er zijn geen objectieve observaties of geschiedschrijvingen.
Doordat mensen nu de Oudheid gebruiken weten we hoe mensen naar die periode kijken,
en juist daarom is het een periode. Het beeld van de oudheid kan gebruikt worden om
een politiek punt te maken. Zo kunnen we de oudheid gebruiken om te kijken hoe
mensen nu over dingen denken.
,Oudheid hoorcollege 2
Maandag 9 september
Egypte en het Nabije Oosten
Het 3e en 2e millennium voor christus: hoofdlijnen en patronen
Irrigatielandbouw in Mesopotamië:
Tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris ontstaat irrigatielandbouw. Door de ongunstige
overstromingen door het smeltwater in het voorjaar vlak voor het oogsten moest het land
met irrigatie vruchtbaar gehouden worden zodat in het najaar gezaaid kon worden.
Irrigatie -> organisatie -> specialisatie en registratie. Door de omvang en belang van het
irrigatie netwerk was het belangrijk om samen te werken in grotere groepen. De
hoeveelheid voedsel dat geoogst kon worden nam toe, waardoor er voedseloverschotten
waren. Hierdoor hadden mensen tijd om zich te specialiseren en niet op het land te
werken. Omdat deze mensen ook te eten moesten krijgen was er een belastingsysteem
nodig. Om dit in goede banen te leiden was er een manier nodig om dit te registreren. In
Mesopotamië gebruikten ze hiervoor het spijkerschrift, wat ontstaan is uit tokens die
boeren gebruikten bij het onderhandelen. In natte kleitabletten werd de tekst geschreven,
waarna ze gebakken werden en de tekst niet meer te veranderen was. Het spijkerschrift
was moeilijk te lezen (6000 tekens) en gaf degenen die het konden lezen en schrijven een
goede positie. Irrigatie zorgde voor contacten en de uitwisseling van kennis en goederen.
Geografisch Mesopotamië:
In het gebied van de vruchtbare halve maan was veel landbouw mogelijk. Het gebied ligt
vrij open waardoor veel volkeren vanuit het oosten hier zijn binnengevallen. Dit zorgde
voor steeds nieuwe rijken, hoewel de cultuur, taal en religie vaak hetzelfde bleef. In deze
regio ontstaan de eerste stadstaten. In het 3e millennium zijn er drie machtige rijken. Het
Summerische rijk, die het schrift op grote schaal gebruikten en een zesvoudig
rekenstelsels gebruikten waardoor wij 60 seconden in een minuut en 60 minuten in een
uur hebben, bestond uit een aantal steden. Het Akkadische rijk werd rond 2300 gesticht
door Sargon I, hij veroverde een hegemoniaal rijk. Hij nam veel van de summeriërs over,
zoals het schrift, taal en religie. Het rijk viel door groepen uit het oosten. De derde
dynastie van Ur was een heropleving van het Summerische rijk en duurde van 2100 tot
2000, het wordt ook wel de summerische renaissance genoemd. In de 18 e eeuw
veroverde Hammurabi van de amarieten een groot gebied wat het Oud-Babylonische Rijk
was, dat bestond van 1800 tot 1600. Hij nam veel van de cultuur in Mesopotamië over en
liet wetten op steen schrijven. Dit maakte een einde aan de willekeur van wetten, er was
een onderscheid in groepen en de mate van de staf.
Gordon Childe:
, Hij schreef in zijn boek The Dawn of European Civilization dat dit proces begon in
Mesopotamië. Hij beschrijft in zijn boek ook de Neolithische revolutie, wat de overgang
van jagers-verzamelaars naar boeren en het begin van steden inhield. Het boek The
Dawn of Everything wordt deze theorie ontkracht. Door met meer nuance te kijken is te
zijn dat er rond dezelfde tijd op meerdere plekken in de wereld landbouw wordt ontdekt.
Ook zeggen zij dat er bij jagers-verzamelaars meer sociale stratificatie is dan Childe zei,
en dat in landbouw samelevingen in Noord- en Zuid-Amerika de ontdekking van landbouw
niet tot grote verschillen in bezit leidde. Hieruit is af te leiden dat sociale ongelijkheid
door landbouw wat in Mesopotamië het geval was niet altijd geld.
Irrigatielandbouw in Egypte:
De Nijl overstroomde na de oogst en voor het zaaien waardoor de grond erg vruchtbaar
was. Met irrigatie kon het land ook verder van de Nijl gebruikt worden voor landbouw, dit
gebeurde aan het einde van het Oude Rijk en was nodig door klimatologische oorzaken.
Een shadouf was een hefboom die gebruikt werd voor irrigatie, en in een stenen gebouw
wat een nijlmeter heette konden deskundigen de mate van overstroming voorspellen,
waardoor de belasting kon worden aangepast. Innovaties leidde tot minder impact van de
natuur en omgeving. Het schrift dit in Egypte ontstond was het hiërogliefen schrift, wat
bestond uit plaatjes en symbolen voor woorden. Dit werd geschreven op papyrus of op
steen. Ook dit was een meoilijk schrift wat alleen specialisten konden, later werd het
vereenvoudigd waardoor veel meer mensen het schrift konden lezen en schrijven.
Egyptische indeling in rijken:
Dit is een moderne manier om naar Egypte te kijken, eerder werd er gekeken naar de tijd
in Egypte aan de hand van dynastieën maar hier zaten veel fouten in. De pyramides zijn
gebouwd in het Oude Rijk (3000-2600) als eerbetoon aan de koning die dichtbij de goden
stond. Het Oude Rijk werd na de eerste tussenperiode gevolgd door het Middenrijk (200-
1800), na de tweede tussenperiode het Nieuwe Rijk (1550-1100) waarin de term farao
ontstond en na de derde tussenperiode door de Late periode (715-332) en de Romeinse
periode.
Rijken in Egypte en het Nabije Oosten:
Er is een vergelijking te zien tussen eenheid en verdeeldheid tussen de twee gebieden.
Zo liepen de rijken van de Summiërs en de Akkadiërs gelijk op met de vroeg dynastieke
periode (3000-2600) en het Oude Rijk, het Middenrijk liep gelijk op met het Oud-
Assyrische Rijk (2000-1750), het Nieuwe rijk met het concert der mogendheden (1600-
1200) en de late periode met het Nieuw-Assyrische Rijk (750-600) en het Nieuw-
Babylonische Rijk (600-550). Het concert der mogendheden was een relatieve balans
tussen grote rijken in het Nabije Oosten, de val van deze rijken rond 1200 wordt ook wel
‘the bronze age collapse’ genoemd. Rond 1200 werd Egypte binnengevallen door de
‘zeevolken’, waarvan onbekend is wie dit zijn.
Economie en politiek:
In de Oudheid is de agrarische cultuur de basis van alles en grondbezit gaf een positie en
macht, tot de moderne tijd zijn de elite altijd de grootgrondbezitters. In paleizen en
tempels vind bestuur plaats en hebben heel veel grond in bezit, er vindt in een
redestributie-economie een herverdeling van goederen plaats. Er was ook sprake van
privébezit en een vrije markt.