1. Welk van de onderstaande beweringen A en B is/zijn juist?
a. een variabel kostenbudget bestaat uit een variabel budget per eenheid van
de te verrichten activiteiten of prestaties.
b. bij een rechtlijnig verloop van de variabele kosten is het werken met een
variabele kostenbudget een goede keuze.
Antwoord: Beide beweringen zijn juist
2. Wat is de omschrijving van het begrip dekkingsbijdrage?
Antwoord: Het is het verschil tussen de verkoopprijs en de variabele kosten
per eenheid
3. Welke van de beweringen A en B is/zijn juist?
a. gedurende de aanloopfase van een nieuw project vinden voornamelijk
uitbereidingsinvesteringen plaats.
b. gedurende de aanloopfase van een nieuw project hebben de uitgaven
voornamelijk betrekking op het gebruik van de benodigde productiemiddelen.
Antwoord: Beide beweringen zijn onjuist
4. Waaraan is budgettering sterk verwant?
a. de PCDA-cyclus
b. de methode van ABC-costing
c. de methode van Earnings Before Interest and Taxes
d. de Balanced scorecard
Antwoord: A
5. Welk van de onderstaande beweringen A en B is/zijn juist?
a. het budgetteringsproces bestaat uit drie fasen: opstellen van budgetten,
afstemmen van budgetten op elkaar, beheersen van de
ondernemingsactiviteiten via de vastgestelde budgetten.
b. budgetten worden gebruikt om de uitvoering van activiteiten te evalueren
Antwoord: Beide beweringen zijn juist
, 6. Op 1 januari 2017 doet Hulliflex een investeringsuitgave van €26.000. De hieruit
voortvloeiende productieactiviteiten leveren op het eind van het eerste jaar een
verkoopopbrengst op van €12.000. Aan het einde van het tweede en tevens laatste
jaar bedraagt de opbrengst €15.000. Om vast te kunnen stellen of deze investering,
los van eventuele alternatieven, een goede beslissing is geweest, hanteert Hulliflex
een vermogenskostenvoet van 4%. Is deze investering succesvol geweest?
a. achteraf gezien was deze beslissing niet goed, want de contante waarde van
het na jaar 2 ontvangen bedrag is kleiner dan €26.000
b. achteraf gezien was deze beslissing niet goed, want de contante waarde van
het na jaar 2 ontvangen bedrag is groter dan €26.000
c. achteraf gezien was deze beslissing goed, want de contante waarde van het
na jaar 2 ontvangen bedrag is groter dan €26.000
d. achteraf gezien was deze beslissing goed, want de contante waarde van het
na jaar 2 ontvangen bedrag is kleiner dan €26.000
Antwoord: A
7. De projectleider heeft voor een investeringsproject over een bepaald jaar de
volgende gegevens verzameld:
- omzet = €800.000
- exploitatiekosten (exclusief afschrijvingen) = €300.000
- afschrijvingen = €50.000
- In het betreffende jaar vinden er geen investeringen of desinvesteringen in
vlottende of duurzame activa plaats
- het vennootschapsbelastingtarief is 25%
Hoeveel bedraagt de kasstroom in dit jaar?
a. €337.500
b. €387.500
c. €425.000
d. €550.000
Antwoord: B