Hoorcollege 1: De vroege ontwikkeling van het kind (prenatale
fase, geboorte en baby-tijd)
Continue verandering: Geleidelijk proces (lezen, leren, groeien)
Discontinue verandering: Stapjes, als je opeens iets kan wat je hiervoor niet
kon (beheersing van de blaas)
Nature-nuture debat: Wat vormt ons vanuit onze genen (nature), wat is het
belang van de omgeving (nuture)
Kritieke periode: Specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde
gebeurtenis de grootste (en zelfs omkeerbare) gevolgen heeft (rodehond,
waterpokken of een ziekte tijdens de zwangerschap)
Gevoelige periode: Een bepaalde periode in de ontwikkeling waarin mensen
extra gevoelig zijn voor bepaalde gebeurtenis. (Hechting; emotionele band met
ouders)
Deelgebieden ontwikkelingspsychologie:
Fysieke/motorische ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling
o Piaget
Sociale en persoonlijkheidsontwikkeling
o Vygotsky
o Erikson
Leerdoelen
1. Voor de prenatale fase de belangrijkste bedreigingen voor
de ontwikkeling van het kind uitleggen
Invloed van stress van de moeder op de baby in de baarmoeder:
Verhoogde hartslag baby
Stressgevoeliger/opzoeken stress (later)
Hartproblemen, diabetes, mentale problemen
Leren voor geboorte:
Geheugen ontstaat bij 32 weken (melodietjes onthouden)
‘Leren’ in de zin van: stimuli lokken reactie uit (zoals muziek)
,Teratogene effecten: Wat zijn de effecten dat de groei en ontwikkeling in de
buik worden verstoord
Terras: monster
Gennan: voortbrengen
Voedingspatroon van de moeder
Leeftijd van de moeder (Ideaal; 22 t/m 33)
Gezondheid van de moeder (bv. Kinderziekten, psychiatrische ziekten)
Drugs/medicatiegebruik
Alcohol, cafeïne, tabak
De invloed van vaders (roken, alcohol gebruik, gezonde voeding etc.)
2. De belangrijkste complicaties uitleggen die kunnen optreden
tijdens de geboorte en uitleggen welke gevolgen dit kan
hebben voor de ontwikkeling van het kind
Bevalling – Geboorte:
1. Te vroeg (Prematuur: minder dan 38 weken)
2. Te licht (Wegen minder dan 2500 gr.)
3. Te laat (Postmatuur: 2 wk na uitgerekende datum nog id baarmoeder)
4. Zeer laag (Minder dan 1250 gr. En/of minder dan 30 wk in de baarmoeder)
Cognitieve/psychische problemen bij een baby die te vroeg of te licht geboren is:
Meer energie naar lichamelijke overleving -> en minder naar de
prikkelverwerking/ cognitieve ontwikkeling
Mogelijke gevolgen:
o Leerproblemen
o Aandachtsproblemen
o Lager IQ
o Gedragsproblemen
o Fysieke coördinatie
Wonderen van een pasgeboren baby:
Reflexen: zuigreflex, slikreflex, knipperen, zoekreflex
Zintuigen: reuk, tast, zicht, gehoor, smaak
Leren (imiteren, nadoen)
Sociale vaardigheden
, 3. Voor de levensfase: “babytijd”, de motorische, cognitieve,
sociale en persoonlijkheidsontwikkeling van het gezonde
kind omschrijven
Babytijd: Sensomotorische fase
Motorische ontwikkeling:
1. 0-3 mnd hoofd oprichten, observeren
2. 3-6 mnd grijpen, doelgericht pakken
3. 5-8 mnd zitten
4. 8-10 mnd kruipen
5. 9-15 mnd lopen (vasthouden)
6. 12-24 mnd loslopen
Cognitieve ontwikkeling (Piaget)
Babytijd: sensomotorische fase
Peuter- kleuterleeftijd: pre-operationele fase het gebruik van symbolisch
denken groeit. Het vermogen om te redeneren ontstaat en het gebruik
van begrippen neemt toe
Schoolleeftijd: Concreet-operationele fase
Adolescentie: Formeel – operationele fase
Hoe leert een baby de wereld kennen?
Schema: Hoe zien wij de wereld
Adaptie: Aanpassen aan de omgeving. Hierdoor ontstaat kennis
o Assimilatie: Iets nieuws plaatsen in iets dat je al kent
VB: kind ziet iets harig, wit, zacht = kat. Vervolgens zet hij
nog iets harigs, wit, zacht maar is een hond. Kind noemt het
als een kat.
o Accommodatie: Bijstellen van je denkbeeld, aanpassen
VB: Wat ik eerst als kat dacht, maar door verschillende
aspecten heb ik door dat het een hond is.
Substadiu Wanneer
m
1. Eenvoudige reflexen: 0-1 mnd
Zuigreflex, grijpreflex om de vinger
2. Primair circulaire reacties: 1-4 mnd
Kind doet een handeling, omdat hij dat zelf fijn vindt.
Bv: duim in de mond
3. Secundair circulaire reacties: 4-8 mnd
Beseffen wat het voorwerp betekent, de rammelaar
maakt geluid, als je het schudt word je blij.
4. Coördinatie van secundaire circulaire reacties: 8-12 mnd
Kiezen wat prettig is, pakken waar er behoefte aan is.
Objectpermanentie
5. Tertiaire circulaire reacties: 12-18
Doet kleine mini experimentjes, wat is de reactie van mnd
mijn omgeving van mijn gedrag. Wat gebeurt er als ik
, iets laat vallen
6. Het begin van denken: mentale representatie 18-24
Symbolisch denken, doen alsof, begin beredeneren mnd
Objectpermanentie:
1. Kindje is niet bewust van rammelaar. Hij is gewoon weg.
2. Kindje gaat zoeken naar de rammelaar. Kind wordt bewust dat het object
aanwezig is, ook al ziet hij het niet.
Casus:
Boris – 13 maanden. Zelfstandig de trap opgeklommen, verloor zijn evenwicht en
is van de trap gerold. Huilen en bult op zijn hoofd. Voor de zekerheid een check
bij de eerste hulp.
Social referencing: checkt bij vader of het oké is, baby in een nieuwe
omgeving, kan ik dit vertrouwen, veiligheidsfiguur
Vreemdenangst: Kijkt weg als arts hem aanspreekt, kijkt blij als vader hem
aanspreekt (vanaf 10 mnd)
Scheidingsangst: Moet scan laten maken, vader moet om afstandje wachten.
Kind brult het uit.
Zelfbesef: Start met zien wie ik ben (spiegel)
- Empathie/ theory of mind: Het vermogen om te beseffen dat ik ben ik en jij
bent jij. Heb mijn gedachten en gevoelens en jij hebt jouw gedachten en
gevoelens (4 à 5 jaar)
Persoonlijkheid, verschillen tussen baby’s: temperament
Moeilijke baby’s, veel huilen etc.
Geremde baby’s: afwachtend, kat uit de boom kijken
Gemakkelijke baby’s
Godness of fit: Gaat de ontwikkeling goed, hoe groeit het kind op
Eriksons psycho-sociale ontwikkeling: De veranderingen die optreden in hoe
we naar onszelf kijken en hoe we aankijken tegen onze interacties met anderen
Vertrouwen versus wantrouwen (1-18 mnd)