College 1 Inleiding poëzie
Wat is poëzie?
Dit is een moeilijke vraag en er is niet echt een definitie. Eerst moet je bepalen wat
voor teksten wel en geen poëzie is.
Het wezen van poëzie is het magische, de mythe. De tekst is ongrijpbaar. Aan de
andere heb je de techniek, zoals stijlfiguren, beeldspraak, rijm etc. Als je goed kijkt,
dan blijkt dat de techniek nodig is om tot het wezen te komen. Dit is wat we precies
gaan doen in de colleges.
Poëzie heeft iets ondoorgrondigs en onttrekt zich aan een aansluitende definitie.
Mensen hebben verschillende kenmerken in hun hoofd waarvan wij verwachten dat ze
in poëzie aanwezig zijn.
Op basis van deze verschillende optieken is er vaak discussie over wat poëzie is, of
iets nu wel of niet onder poëzie valt.
Kenmerken:
Al deze kenmerken kunnen voorkomen in gedichten, maar ook in de andere teksten.
Op basis van deze kenmerken kun je teksten indelen bij lyriek of proza.
1. Gevoelsuitstorting
Epiek (epos) = heldenverhalen (Ilias en Odyssee)
Drama (tragedie) =conflictsituaties
Lyriek (gedicht) = gevoelsuitstorting. Dit is de grondslag voor wat we nu poëzie
noemen. Er kunnen ook gedichten zijn waarin er wordt afgezet tegen emoties.
2. Metrum, rijm, strofebouw en figuurlijk taalgebruik
Natuurlijk zijn er ook proza teksten waar deze kenmerken voorkomen, denk aan
reclame teksten.
3. Monologische taalsituatie
De lyrische ik is een verteller die vertelt tegen niemand. De lezer krijgt hier
toevallig iets van mee. Er bestaan ook gedichten waarbij er niet monologisch
geschreven wordt, de tekst bevat dan een soort dialoog.
4. Momentaan
Dit betekent tijdloos (letterlijke opvatting). Het fenomeen tijd is afwezig hier. De
tijdscompenent is afwezig. In proza is er sprake van
versnelling/vertraging/flashback/flashfoward in tijd. Dit maakt een verhaal
spannend. In sommige gedichten zit overigens wel een tijdcomponent.
Tijdsindicatoren: tijd van werkwoorden. Veel gedichten zijn vaak in de
tegenwoordige tijd, doordat er een situatie, toestand of gedachte beschreven
wordt. Je kan ook kijken naar data, tijden, seizoenen etc. Tijd kan ook symbolisch
gebruikt worden, bijvoorbeeld de lente wordt gekoppeld aan jeugdigheid en de
herfst aan de laatste levensjaren.
5. Verheven taal- en beeldgebruik
Bij poëzie probeert een dichter met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk te
zeggen.
6. Harde returns
Deze komt meestal wel voor, misschien wel het kenmerk waaraan je poëzie kan
, herkennen. Hoe is de tekst op de pagina ingedeeld? Een harde return is een enter.
De persoon heeft concreet nagedacht over wanneer er een nieuwe regel begint.
Poëzie is niet een vorm waarin je niet leest van zin naar zin, maar van regel naar
regel. Er is nadruk gelegd op taalspel van regels in plaats van zinnen. Het breekt de
taalwetten. Denk ook aan taalfouten, leestekens en hoofdletters.
Van belang hierbij is: grondige onderbouwing op basis van de kenmerken hierboven.
Kijk niet alleen naar hoe je je voelt of wat de tekst betekent. Geef op basis van
taalmateriaal een onderbouwde analyse hiervan.
Als je poëzie leest, dan moet je je aanpassen naar de taalregels van poëzie. Het is dus
ook een mindset die je moet hebben.
Communicatiesituatie in de poëzie:
1. De leeshouding
2. De spreekhouding van de schrijver
3. De poëtische functie van taalgebruik
Leeshouding
De eerste keer dat je een gedicht leest, ga je vaak op zoek naar informatie en lees je
dus met de
referentiële functie. In gedichten schiet deze leeshouding tekort, omdat woorden vaak
een andere betekenis hebben en anders worden geordend. Bij een gedicht moet je
lezen volgens de regels van het taalspel. Dit noem je de poëtische leeshouding.
Betekenis toekennen aan vormaspecten (rijm, ritme, metrum etc.). Bijvoorbeeld: als
twee woorden rijmen, ze waarschijnlijk in betekenis ook een overeenkomst hebben. Je
kent dus betekenis toe aan de rijm.
De spreekhouding van de schrijver
Het lyrische subject of lyrische-ik spreekt de lezer meestal niet toe. De dichter is niet
dezelfde persoon als de lyrische ik van het gedicht. De identiteit van de lyrische ik
probeer je vast te stellen aan de hand van indirecte gegevens in het gedicht. Deze
lyrische ik geeft het woord meestal niet af, het is dus geen dialoog (monologisch). De
aangesprokene is soms genoemd, soms impliciet. Dit is dus niet de lezer. De lezer
luistert de dichter eigenlijk af.
De poëtische functie van taalgebruik
Er zijn verschillende functies van taal.
- Informatieve of referentiële functie = overbrengen van informatie
- Expressieve of emotie functie = uiten van gevoel
- Fatische functie = op gang houden van sociaal verkeer = “alles goed, buurvrouw”
- Metalinguale functie = uitspraken over een taal = “ik word moet met een -d en niet
met een -t”
- Appelatieve of directieve functie = als je een appel wilt doen op de ontvanger =
“luister eens”
- Poëtische functie = de vorm van de boodschap staat centraal: er is aandacht op de
manier waarop de boodschap tot stand kwam. Er is dus aandacht voor taaluiting.
Deze laatste functie brengt ons tot het centrale principe van foregrounding, dit is het
op de voorgrond plaatsen van de taaluiting zélf. Het taalgebruik is afwijkend van wat
we normaal tegenkomen.
Dit kan op twee manieren:
1. Deviatie = afwijking van het normale, alledaagse taalgebruik (bijvoorbeeld
grammaticaregels)
2. Equivalentie = vormen van herhaling van taalmateriaal.
, Foregrounding werkt op vijf verschillende niveaus, dit behandelen we in de komende
vijf colleges.
Wat is poëzie?
Dit is een moeilijke vraag en er is niet echt een definitie. Eerst moet je bepalen wat
voor teksten wel en geen poëzie is.
Het wezen van poëzie is het magische, de mythe. De tekst is ongrijpbaar. Aan de
andere heb je de techniek, zoals stijlfiguren, beeldspraak, rijm etc. Als je goed kijkt,
dan blijkt dat de techniek nodig is om tot het wezen te komen. Dit is wat we precies
gaan doen in de colleges.
Poëzie heeft iets ondoorgrondigs en onttrekt zich aan een aansluitende definitie.
Mensen hebben verschillende kenmerken in hun hoofd waarvan wij verwachten dat ze
in poëzie aanwezig zijn.
Op basis van deze verschillende optieken is er vaak discussie over wat poëzie is, of
iets nu wel of niet onder poëzie valt.
Kenmerken:
Al deze kenmerken kunnen voorkomen in gedichten, maar ook in de andere teksten.
Op basis van deze kenmerken kun je teksten indelen bij lyriek of proza.
1. Gevoelsuitstorting
Epiek (epos) = heldenverhalen (Ilias en Odyssee)
Drama (tragedie) =conflictsituaties
Lyriek (gedicht) = gevoelsuitstorting. Dit is de grondslag voor wat we nu poëzie
noemen. Er kunnen ook gedichten zijn waarin er wordt afgezet tegen emoties.
2. Metrum, rijm, strofebouw en figuurlijk taalgebruik
Natuurlijk zijn er ook proza teksten waar deze kenmerken voorkomen, denk aan
reclame teksten.
3. Monologische taalsituatie
De lyrische ik is een verteller die vertelt tegen niemand. De lezer krijgt hier
toevallig iets van mee. Er bestaan ook gedichten waarbij er niet monologisch
geschreven wordt, de tekst bevat dan een soort dialoog.
4. Momentaan
Dit betekent tijdloos (letterlijke opvatting). Het fenomeen tijd is afwezig hier. De
tijdscompenent is afwezig. In proza is er sprake van
versnelling/vertraging/flashback/flashfoward in tijd. Dit maakt een verhaal
spannend. In sommige gedichten zit overigens wel een tijdcomponent.
Tijdsindicatoren: tijd van werkwoorden. Veel gedichten zijn vaak in de
tegenwoordige tijd, doordat er een situatie, toestand of gedachte beschreven
wordt. Je kan ook kijken naar data, tijden, seizoenen etc. Tijd kan ook symbolisch
gebruikt worden, bijvoorbeeld de lente wordt gekoppeld aan jeugdigheid en de
herfst aan de laatste levensjaren.
5. Verheven taal- en beeldgebruik
Bij poëzie probeert een dichter met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk te
zeggen.
6. Harde returns
Deze komt meestal wel voor, misschien wel het kenmerk waaraan je poëzie kan
, herkennen. Hoe is de tekst op de pagina ingedeeld? Een harde return is een enter.
De persoon heeft concreet nagedacht over wanneer er een nieuwe regel begint.
Poëzie is niet een vorm waarin je niet leest van zin naar zin, maar van regel naar
regel. Er is nadruk gelegd op taalspel van regels in plaats van zinnen. Het breekt de
taalwetten. Denk ook aan taalfouten, leestekens en hoofdletters.
Van belang hierbij is: grondige onderbouwing op basis van de kenmerken hierboven.
Kijk niet alleen naar hoe je je voelt of wat de tekst betekent. Geef op basis van
taalmateriaal een onderbouwde analyse hiervan.
Als je poëzie leest, dan moet je je aanpassen naar de taalregels van poëzie. Het is dus
ook een mindset die je moet hebben.
Communicatiesituatie in de poëzie:
1. De leeshouding
2. De spreekhouding van de schrijver
3. De poëtische functie van taalgebruik
Leeshouding
De eerste keer dat je een gedicht leest, ga je vaak op zoek naar informatie en lees je
dus met de
referentiële functie. In gedichten schiet deze leeshouding tekort, omdat woorden vaak
een andere betekenis hebben en anders worden geordend. Bij een gedicht moet je
lezen volgens de regels van het taalspel. Dit noem je de poëtische leeshouding.
Betekenis toekennen aan vormaspecten (rijm, ritme, metrum etc.). Bijvoorbeeld: als
twee woorden rijmen, ze waarschijnlijk in betekenis ook een overeenkomst hebben. Je
kent dus betekenis toe aan de rijm.
De spreekhouding van de schrijver
Het lyrische subject of lyrische-ik spreekt de lezer meestal niet toe. De dichter is niet
dezelfde persoon als de lyrische ik van het gedicht. De identiteit van de lyrische ik
probeer je vast te stellen aan de hand van indirecte gegevens in het gedicht. Deze
lyrische ik geeft het woord meestal niet af, het is dus geen dialoog (monologisch). De
aangesprokene is soms genoemd, soms impliciet. Dit is dus niet de lezer. De lezer
luistert de dichter eigenlijk af.
De poëtische functie van taalgebruik
Er zijn verschillende functies van taal.
- Informatieve of referentiële functie = overbrengen van informatie
- Expressieve of emotie functie = uiten van gevoel
- Fatische functie = op gang houden van sociaal verkeer = “alles goed, buurvrouw”
- Metalinguale functie = uitspraken over een taal = “ik word moet met een -d en niet
met een -t”
- Appelatieve of directieve functie = als je een appel wilt doen op de ontvanger =
“luister eens”
- Poëtische functie = de vorm van de boodschap staat centraal: er is aandacht op de
manier waarop de boodschap tot stand kwam. Er is dus aandacht voor taaluiting.
Deze laatste functie brengt ons tot het centrale principe van foregrounding, dit is het
op de voorgrond plaatsen van de taaluiting zélf. Het taalgebruik is afwijkend van wat
we normaal tegenkomen.
Dit kan op twee manieren:
1. Deviatie = afwijking van het normale, alledaagse taalgebruik (bijvoorbeeld
grammaticaregels)
2. Equivalentie = vormen van herhaling van taalmateriaal.
, Foregrounding werkt op vijf verschillende niveaus, dit behandelen we in de komende
vijf colleges.