College 1
Werkwoorden I
Tijdens college
Werkwoorden vormen de kern van de zin. Het gezegde bestaat hier immers ook uit.
Werkwoorden:
- Morfologisch
Onderscheiden zich van alle andere woordsoorten door bijzondere flexie: vervoeging
(werkwoorden die veranderen van spelling, is wordt zijn etc.). Flexie is dat een klein
bekertje lijkt op het woord beker. We hebben geen heel nieuw woord voor een
kleine beker.
- Syntactisch
Kunnen verbonden worden met een persoonlijk voornaamwoord in de
onderwerpsvorm. Werkwoorden passen zich aan aan het onderwerp (persoonlijk
voornaamwoord).
- Semantisch
Werkwoorden drukken een handeling of werking uit (ruim interpreteren). Dit wordt
vaak op basisscholen gedaan.
Werkwoorden vallen te verdelen in drie soorten (deze moet je benoemen):
1. Hulpwerkwoorden
2. Zelfstandige werkwoorden
3. Koppelwerkwoorden
Werkwoorden zijn makkelijk te herkennen als persoonsvorm. Uiteraard zijn er meer
werkwoorden in een zin. We gaan dit college kijken naar wat voor soort werkwoord elk
werkwoord is.
Vraag: welk werkwoord is het belangrijkste werkwoord? Dit is heel makkelijk als er
maar één werkwoord in de zin staat, dit is de pv. Op het moment dat er meer
werkwoorden in de zin staat is de pv direct niet meer het belangrijkste werkwoord.
Dit is dubieus, maar wel waar.
Jan kon over straat lopen.
Lopen is het belangrijkste werkwoord, want kon is pv.
Jan heeft over straat moeten kunnen lopen.
Eerst haal je de pv (heeft)weg, dan wordt moeten de pv dus die haal je weg. Dan is
kunnen de pv, dis haal weg. Lopen blijft over en is dus het belangrijkste werkwoord.
Het belangrijkste werkwoord heet het zelfstandige werkwoord of een
koppelwerkwoord. Welke van de twee ligt aan het WWG (zelfstandig werkwoord) of
NWG (koppelwerkwoord). Rest van de werkwoorden in een zin zijn
hulpwerkwoorden. Hulpwerkwoorden zijn neutraal en kunnen bij elk gezegde.
Jan is (kww) een boef.
Jan is (hww) een boef geweest (kww).
Jan blijkt (hww) een boef te zijn (hww) geweest (kww).
Jan blijkt (hww) een boef te kunnen (hww) zijn (hww) geweest (kww).
Hulpwerkwoorden heeft vijf vormen:
,1. Hulpwerkwoord van tijd (HWWT)
Hebben of zijn
De zin moet in de voltooide tijd staan (zijn/hebben + voltooid deelwoord)
Voorbeeld: Jan heeft een grote karper gevangen
2. Hulpwerkwoord van aspect (HWWA)
Werkwoorden die aangeven dat de handeling gaat beginnen = gaan of komen
Werkwoorden kunnen ook nog aangeven dat de handeling voortduurt = zijn,
blijven, zitten, staan, lopen en hangen
Voorbeeld: de mensen zijn ruzie aan het maken
3. Hulpwerkwoord van de lijdende vorm (HWWLV)
Een bedrijvende zin kun je met worden en zijn omzetten in de lijdende vorm
Altijd bij passieve zinnen
De dansschool is bezocht door Simone —> dit is geen HWWT (ondanks voltooide
tijd), het is een passieve zin, dus altijd HWWLV
4. Hulpwerkwoord van modaliteit (HWWM)
Modaliteit is het fenomeen dat er voor zorgt dat we nuance kunnen aanbrengen in
taal. Voorbeeld: misschien, eventueel. Deze woorden brengen nodigen uit tot
dialoog.
HWWM drukken uit dat iets zeker of onzeker is, het geeft de zin een bepaalde
houding ten opzichte van de bedeling van de zin, iets onzekers.
Voorbeeld = kunnen, zullen, mogen, moeten, laten en willen + schijnbare kww
Voorbeeld = Jan kan zich zomaar vergist hebben
Voorbeeld = Sam schijnt ziek te zijn
5. Hulpwerkwoord van causaliteit (HWWC)
Doen en laten
Komen niet vaak voor
Het werkwoord geeft een causaal verband aan
Jan deed Simon blozen.
Marieke liet Joris struikelen.
,College 1
Werkwoorden I
Verder oefenen
Oefening 1.1 - wijs het belangrijkste werkwoord.
1. Josephine heeft altijd al singer-songwriter willen zijn.
2. Zoiets moet je niet meteen willen kunnen oplossen.
3. Ik zou nooit verliefd kunnen worden op een techneut.
4. Joyce begon toch een beetje onzeker te worden.
5. Ik ben een alom gevreesde strafrechtadvocaat geweest.
6. Ik ben wel eens op Paaseiland geweest.
7. Jij begint ook steeds meer op je vader te lijken.
8. Die Pieter lijkt een zeer geschikte peer te zijn.
9. Hij schijnt zich soms flink te kunnen misdragen.
10.Hoe lang zou de zon nog schijnen?
11.Hij schijnt een geweldige voetballer te zijn geweest.
12.Zou je nog even hier kunnen blijven?
13.Zou je nog even trainer van ons team kunnen blijven?
14.Ik zou jou wel eens beter willen leren kennen.
15.Lisette schijnt haar kinderen altijd te laten winnen bij spelletjes.
Oefening 1.2 - bepaal eerst hoeveel gezegdes de zin heeft. Kortom hoofd- en
bijzinnen. Bepaald vervolgens het belangrijkste werkwoord.
1. Van Sylvia moet gezegd mogen worden dat ze niet zo aardig is gebleken te zijn.
Hoofdzin: gezegd
Bijzin: zijn
2. Om je gelijk te kunnen krijgen, mag je best een leugen vertellen.
Bijzin: krijgen
Hoofdzin: vertellen
3. Dat jij nooit hebt hoeven fietsen, heb ik nooit willen begrijpen.
Bijzin: fietsen
Hoofdzin: begrijpen
4. Je lijkt je nog niet gerealiseerd te hebben dat ik gewoonweg niet kan omgaan met
iemand die op Donald Trump heeft gestemd.
Hoofdzin: gerealiseerd
Bijzin: omgaan
Bijzin: gestemd
5. Terwijl jij nog aan het nadenken was over je toekomst, hebben je broers en zussen
al besloten dat ze docent willen worden.
Bijzin: nadenken
Hoofdzin: besloten
Bijzin: worden
Oefening 1.3 - categorieën hulpwerkwoorden
1. Ik wil dat bewaren voor morgen.
HWWM
, 2. Ik kan je niet vergeven.
HWWM
3. Je hoeft je spruitjes niet op te eten vanavond.
HWWM
4. Ik zal je dat rapport zo snel mogelijk geven.
HWWM
5. Hij moest op minstens 60 cm van de schilderijen blijven.
HWWM
6. Zou het nog gaan regenen vandaag?
HWWM
7. Hij lijkt er geen zin in te hebben.
HWWM
8. Dat briefje van €100 bleek vals te zijn.
HWWM
9. De meeste wielrenners schijnen doping te gebruiken.
HWWM
10.Maarten begon ernstig te twijfelen aan zijn gevoel voor humor.
HWWA
11.Ik ging eens een ommetje lopen met de hond.
HWWA
12.Wacht, ik kom je helpen.
HWWA
13.Pierre was een boek aan het lezen.
HWWA
14.De kinderen lopen weer enorm te schreeuwen.
HWWA
15.De ouders van Johan stonden te juichen.
HWWA
16.Die vrouw daar zit me aan te staren.
HWWA
17.Ik heb gisteren een nieuwe auto gekocht.
HWWT
18.Wij waren nog nooit met de kinderen in de dierentuin geweest.
HWWT
19.De hond liet mij flink schrikken met zijn geblaf.
HWWC
20.Ik deed Herman struikelen bij de gymles.
HWWC
Werkwoorden I
Tijdens college
Werkwoorden vormen de kern van de zin. Het gezegde bestaat hier immers ook uit.
Werkwoorden:
- Morfologisch
Onderscheiden zich van alle andere woordsoorten door bijzondere flexie: vervoeging
(werkwoorden die veranderen van spelling, is wordt zijn etc.). Flexie is dat een klein
bekertje lijkt op het woord beker. We hebben geen heel nieuw woord voor een
kleine beker.
- Syntactisch
Kunnen verbonden worden met een persoonlijk voornaamwoord in de
onderwerpsvorm. Werkwoorden passen zich aan aan het onderwerp (persoonlijk
voornaamwoord).
- Semantisch
Werkwoorden drukken een handeling of werking uit (ruim interpreteren). Dit wordt
vaak op basisscholen gedaan.
Werkwoorden vallen te verdelen in drie soorten (deze moet je benoemen):
1. Hulpwerkwoorden
2. Zelfstandige werkwoorden
3. Koppelwerkwoorden
Werkwoorden zijn makkelijk te herkennen als persoonsvorm. Uiteraard zijn er meer
werkwoorden in een zin. We gaan dit college kijken naar wat voor soort werkwoord elk
werkwoord is.
Vraag: welk werkwoord is het belangrijkste werkwoord? Dit is heel makkelijk als er
maar één werkwoord in de zin staat, dit is de pv. Op het moment dat er meer
werkwoorden in de zin staat is de pv direct niet meer het belangrijkste werkwoord.
Dit is dubieus, maar wel waar.
Jan kon over straat lopen.
Lopen is het belangrijkste werkwoord, want kon is pv.
Jan heeft over straat moeten kunnen lopen.
Eerst haal je de pv (heeft)weg, dan wordt moeten de pv dus die haal je weg. Dan is
kunnen de pv, dis haal weg. Lopen blijft over en is dus het belangrijkste werkwoord.
Het belangrijkste werkwoord heet het zelfstandige werkwoord of een
koppelwerkwoord. Welke van de twee ligt aan het WWG (zelfstandig werkwoord) of
NWG (koppelwerkwoord). Rest van de werkwoorden in een zin zijn
hulpwerkwoorden. Hulpwerkwoorden zijn neutraal en kunnen bij elk gezegde.
Jan is (kww) een boef.
Jan is (hww) een boef geweest (kww).
Jan blijkt (hww) een boef te zijn (hww) geweest (kww).
Jan blijkt (hww) een boef te kunnen (hww) zijn (hww) geweest (kww).
Hulpwerkwoorden heeft vijf vormen:
,1. Hulpwerkwoord van tijd (HWWT)
Hebben of zijn
De zin moet in de voltooide tijd staan (zijn/hebben + voltooid deelwoord)
Voorbeeld: Jan heeft een grote karper gevangen
2. Hulpwerkwoord van aspect (HWWA)
Werkwoorden die aangeven dat de handeling gaat beginnen = gaan of komen
Werkwoorden kunnen ook nog aangeven dat de handeling voortduurt = zijn,
blijven, zitten, staan, lopen en hangen
Voorbeeld: de mensen zijn ruzie aan het maken
3. Hulpwerkwoord van de lijdende vorm (HWWLV)
Een bedrijvende zin kun je met worden en zijn omzetten in de lijdende vorm
Altijd bij passieve zinnen
De dansschool is bezocht door Simone —> dit is geen HWWT (ondanks voltooide
tijd), het is een passieve zin, dus altijd HWWLV
4. Hulpwerkwoord van modaliteit (HWWM)
Modaliteit is het fenomeen dat er voor zorgt dat we nuance kunnen aanbrengen in
taal. Voorbeeld: misschien, eventueel. Deze woorden brengen nodigen uit tot
dialoog.
HWWM drukken uit dat iets zeker of onzeker is, het geeft de zin een bepaalde
houding ten opzichte van de bedeling van de zin, iets onzekers.
Voorbeeld = kunnen, zullen, mogen, moeten, laten en willen + schijnbare kww
Voorbeeld = Jan kan zich zomaar vergist hebben
Voorbeeld = Sam schijnt ziek te zijn
5. Hulpwerkwoord van causaliteit (HWWC)
Doen en laten
Komen niet vaak voor
Het werkwoord geeft een causaal verband aan
Jan deed Simon blozen.
Marieke liet Joris struikelen.
,College 1
Werkwoorden I
Verder oefenen
Oefening 1.1 - wijs het belangrijkste werkwoord.
1. Josephine heeft altijd al singer-songwriter willen zijn.
2. Zoiets moet je niet meteen willen kunnen oplossen.
3. Ik zou nooit verliefd kunnen worden op een techneut.
4. Joyce begon toch een beetje onzeker te worden.
5. Ik ben een alom gevreesde strafrechtadvocaat geweest.
6. Ik ben wel eens op Paaseiland geweest.
7. Jij begint ook steeds meer op je vader te lijken.
8. Die Pieter lijkt een zeer geschikte peer te zijn.
9. Hij schijnt zich soms flink te kunnen misdragen.
10.Hoe lang zou de zon nog schijnen?
11.Hij schijnt een geweldige voetballer te zijn geweest.
12.Zou je nog even hier kunnen blijven?
13.Zou je nog even trainer van ons team kunnen blijven?
14.Ik zou jou wel eens beter willen leren kennen.
15.Lisette schijnt haar kinderen altijd te laten winnen bij spelletjes.
Oefening 1.2 - bepaal eerst hoeveel gezegdes de zin heeft. Kortom hoofd- en
bijzinnen. Bepaald vervolgens het belangrijkste werkwoord.
1. Van Sylvia moet gezegd mogen worden dat ze niet zo aardig is gebleken te zijn.
Hoofdzin: gezegd
Bijzin: zijn
2. Om je gelijk te kunnen krijgen, mag je best een leugen vertellen.
Bijzin: krijgen
Hoofdzin: vertellen
3. Dat jij nooit hebt hoeven fietsen, heb ik nooit willen begrijpen.
Bijzin: fietsen
Hoofdzin: begrijpen
4. Je lijkt je nog niet gerealiseerd te hebben dat ik gewoonweg niet kan omgaan met
iemand die op Donald Trump heeft gestemd.
Hoofdzin: gerealiseerd
Bijzin: omgaan
Bijzin: gestemd
5. Terwijl jij nog aan het nadenken was over je toekomst, hebben je broers en zussen
al besloten dat ze docent willen worden.
Bijzin: nadenken
Hoofdzin: besloten
Bijzin: worden
Oefening 1.3 - categorieën hulpwerkwoorden
1. Ik wil dat bewaren voor morgen.
HWWM
, 2. Ik kan je niet vergeven.
HWWM
3. Je hoeft je spruitjes niet op te eten vanavond.
HWWM
4. Ik zal je dat rapport zo snel mogelijk geven.
HWWM
5. Hij moest op minstens 60 cm van de schilderijen blijven.
HWWM
6. Zou het nog gaan regenen vandaag?
HWWM
7. Hij lijkt er geen zin in te hebben.
HWWM
8. Dat briefje van €100 bleek vals te zijn.
HWWM
9. De meeste wielrenners schijnen doping te gebruiken.
HWWM
10.Maarten begon ernstig te twijfelen aan zijn gevoel voor humor.
HWWA
11.Ik ging eens een ommetje lopen met de hond.
HWWA
12.Wacht, ik kom je helpen.
HWWA
13.Pierre was een boek aan het lezen.
HWWA
14.De kinderen lopen weer enorm te schreeuwen.
HWWA
15.De ouders van Johan stonden te juichen.
HWWA
16.Die vrouw daar zit me aan te staren.
HWWA
17.Ik heb gisteren een nieuwe auto gekocht.
HWWT
18.Wij waren nog nooit met de kinderen in de dierentuin geweest.
HWWT
19.De hond liet mij flink schrikken met zijn geblaf.
HWWC
20.Ik deed Herman struikelen bij de gymles.
HWWC