1.1 Standpunten en argumenten
Standpunten zijn meningen van sprekers. Dit kan onderbouwd worden met
argumenten (standpunt), maar dat hoeft niet (gewoon een mening). In sommige
gevallen zijn standpunten moeilijk te herkennen:
“Het wordt mooi weer vandaag. (Standpunt) De zwaluwen vliegen over. (Argument)”
Standpunten en argumenten staan in relatie tot eerdere uitspraken. We noemen een
uitspraak pas een standpunt of een argument als er sprake is van een
ondersteuningsrelatie tussen de uitspraken (dit wordt aangeduid met signaalwoorden
zie §1.5).
Centrale begrippen:
- Argumentatie
Een samenstel van standpunt en argument(en) (betoog).
- Standpunt of conclusie
De uitspraak die wordt ondersteund. Dit kun je herkennen aan de zin waarover te
twisten valt.
- Argumenten
De uitspraak die een andere uitspraak ondersteunt. Een argument kun je herkennen
aan feitelijkheden. Argumenten bevatten feiten waardoor je standpunt (mening)
onderbouwd worden.
- Tegenargument
Een uitspraak die een andere uitspraak ontkracht.
- Argumenteren
Een uitspraak verdedigen door een of meer andere uitspraken ter ondersteuning
aan te voeren.
Als spreker probeer je aan te tonen dat een standpunt juist of correct is. Dit blijkt uit
het aandragen van één of meerdere argumenten. Het geheel vormt dan een betoog.
Kennelijk realiseert de spreker zich dat het standpunt betwistbaar is. In wezen richt hij
zich op anderen die het er niet mee eens zijn, je wilt diegene overtuigen. Soms is een
uitspraak een feit en hoeven er geen argumenten te komen. Feitelijke uitspraken
kunnen wel ingezet worden in een discussie, dan krijgen deze feitelijke uitspraken de
rol van standpunt. Een voorbeeld: het wel of niet opwarmen van de aarde. Op het
moment dat de tegenpartij geen tegenwerpingen meer doet is deze overtuigd van een
bepaald standpunt.
1.2 Redeneringen
Standpunt en argument zijn pas echt aan elkaar te relateren als je er een
verbindende uitspraak (verzwegen argument) bij denkt. Soort algemene
stelregel, voorbeeld:
Je moet die smartphone niet kopen (standpunt). Op verschillende blogs werd hij slecht
beoordeeld (argument). Als een smartphone slechte beoordelingen heeft op blogs,
dan moet je hem niet kopen (verbindende uitspraak).
Deze optelsom van deze drie noemen we een redenering. De meeste redeneringen
zijn als ijsbergen: we krijgen niet meer dan tweederde te zien. Denk maar aan ons
, dagelijks taalgebruik: we praten niet in redeneringen. We gebruiken standpunten en
argumenten, de verbindende uitspraak bedenken we er zelf bij en spreken we niet uit.
Redeneringen = standpunt + argument. Die laatste twee vormen de VBU.
De verbindende uitspraak is vaak onuitgesproken. Voorbeeld:
Pieter zal dit jaar niet halen (standpunt/conclusie).
Hij heeft dit jaar nauwelijks gestudeerd (argument)
Als je niet studeert, dan haal je het niet (verbindende uitspraak, onuitgesproken)
Het kan ook in andere vormen voorkomen dan hierboven. Hierbij laat je wat anders
weg dan de verbindende uitspraak, in gedachte vult de ander dit aan:
- Het standpunt wordt weggelaten
Pieter heeft vrijwel niet gestudeerd. En je weet: als je niet studeert, dan haal je het
jaar niet.
Standpunt: Pieter zal het jaar wel niet halen.
- Het argument wordt weggelaten
Pieter zal dit jaar niet halen, want als je niet studeert dan haal je het jaar niet.
Argument: Pieter heeft nauwelijks gestudeerd.
1.8 Logos, ethos, pathos
Er zijn verschillende typen argumentatie die een rol spelen in de overtuiging.
Aristoteles hanteerde de volgende driedeling. Een combinatie hiervan is het best.
1. Logos
Inhoudelijke argumenten, die appelleren aan het verstand en tot logische
conclusies leiden. Het gaat vaak om cijfers, feiten en andere concrete bewijzen. Dit
is de puurste vorm van argumentatie: 1 + 1 = 2.
Voorbeeld: komende jaren moet het autoverkeer drastisch worden
teruggedrongen. Autorijden leidt tot enorme luchtvervuiling.
2. Ethos
Je persoonlijke geloofwaardigheid. Hierbij hebben de spreker en zijn functie veel
invloed op de argumentatie. De deskundigheid van de spreker heeft veel
overtuiging. Elementen in je toespraak kunnen je ethos bevorderen: humor,
glasheldere en strakke uitleg, emotioneel slotwoord etc. Hoe hoger de ethos van
de spreker, hoe welwillender het publiek staat tegenover zijn/haar ideeën.
Voorbeeld: als jurist voel ik me geroepen om er alles aan te doen om deze zaak uit
te zoeken.
3. Pathos
Deze argumentatie speelt in op de gevoelens van het publiek. Dit wordt veel
gedaan in reclames: gevoelens van zelfvertrouwen en competenties door een
nieuwe deodorant. Gepaste vorm en dosering is hierbij belangrijk, anders verandert
het snel in drogredenen en propaganda. Pathos kan ook zijn dat je begrip toont
voor of rekening houdt met weerstand en gevoeligheden van het publiek.
Voorbeeld: Yes we can (campagne Obama).
4.3 Redeneringen 2.0
Standpunten zijn meningen van sprekers. Dit kan onderbouwd worden met
argumenten (standpunt), maar dat hoeft niet (gewoon een mening). In sommige
gevallen zijn standpunten moeilijk te herkennen:
“Het wordt mooi weer vandaag. (Standpunt) De zwaluwen vliegen over. (Argument)”
Standpunten en argumenten staan in relatie tot eerdere uitspraken. We noemen een
uitspraak pas een standpunt of een argument als er sprake is van een
ondersteuningsrelatie tussen de uitspraken (dit wordt aangeduid met signaalwoorden
zie §1.5).
Centrale begrippen:
- Argumentatie
Een samenstel van standpunt en argument(en) (betoog).
- Standpunt of conclusie
De uitspraak die wordt ondersteund. Dit kun je herkennen aan de zin waarover te
twisten valt.
- Argumenten
De uitspraak die een andere uitspraak ondersteunt. Een argument kun je herkennen
aan feitelijkheden. Argumenten bevatten feiten waardoor je standpunt (mening)
onderbouwd worden.
- Tegenargument
Een uitspraak die een andere uitspraak ontkracht.
- Argumenteren
Een uitspraak verdedigen door een of meer andere uitspraken ter ondersteuning
aan te voeren.
Als spreker probeer je aan te tonen dat een standpunt juist of correct is. Dit blijkt uit
het aandragen van één of meerdere argumenten. Het geheel vormt dan een betoog.
Kennelijk realiseert de spreker zich dat het standpunt betwistbaar is. In wezen richt hij
zich op anderen die het er niet mee eens zijn, je wilt diegene overtuigen. Soms is een
uitspraak een feit en hoeven er geen argumenten te komen. Feitelijke uitspraken
kunnen wel ingezet worden in een discussie, dan krijgen deze feitelijke uitspraken de
rol van standpunt. Een voorbeeld: het wel of niet opwarmen van de aarde. Op het
moment dat de tegenpartij geen tegenwerpingen meer doet is deze overtuigd van een
bepaald standpunt.
1.2 Redeneringen
Standpunt en argument zijn pas echt aan elkaar te relateren als je er een
verbindende uitspraak (verzwegen argument) bij denkt. Soort algemene
stelregel, voorbeeld:
Je moet die smartphone niet kopen (standpunt). Op verschillende blogs werd hij slecht
beoordeeld (argument). Als een smartphone slechte beoordelingen heeft op blogs,
dan moet je hem niet kopen (verbindende uitspraak).
Deze optelsom van deze drie noemen we een redenering. De meeste redeneringen
zijn als ijsbergen: we krijgen niet meer dan tweederde te zien. Denk maar aan ons
, dagelijks taalgebruik: we praten niet in redeneringen. We gebruiken standpunten en
argumenten, de verbindende uitspraak bedenken we er zelf bij en spreken we niet uit.
Redeneringen = standpunt + argument. Die laatste twee vormen de VBU.
De verbindende uitspraak is vaak onuitgesproken. Voorbeeld:
Pieter zal dit jaar niet halen (standpunt/conclusie).
Hij heeft dit jaar nauwelijks gestudeerd (argument)
Als je niet studeert, dan haal je het niet (verbindende uitspraak, onuitgesproken)
Het kan ook in andere vormen voorkomen dan hierboven. Hierbij laat je wat anders
weg dan de verbindende uitspraak, in gedachte vult de ander dit aan:
- Het standpunt wordt weggelaten
Pieter heeft vrijwel niet gestudeerd. En je weet: als je niet studeert, dan haal je het
jaar niet.
Standpunt: Pieter zal het jaar wel niet halen.
- Het argument wordt weggelaten
Pieter zal dit jaar niet halen, want als je niet studeert dan haal je het jaar niet.
Argument: Pieter heeft nauwelijks gestudeerd.
1.8 Logos, ethos, pathos
Er zijn verschillende typen argumentatie die een rol spelen in de overtuiging.
Aristoteles hanteerde de volgende driedeling. Een combinatie hiervan is het best.
1. Logos
Inhoudelijke argumenten, die appelleren aan het verstand en tot logische
conclusies leiden. Het gaat vaak om cijfers, feiten en andere concrete bewijzen. Dit
is de puurste vorm van argumentatie: 1 + 1 = 2.
Voorbeeld: komende jaren moet het autoverkeer drastisch worden
teruggedrongen. Autorijden leidt tot enorme luchtvervuiling.
2. Ethos
Je persoonlijke geloofwaardigheid. Hierbij hebben de spreker en zijn functie veel
invloed op de argumentatie. De deskundigheid van de spreker heeft veel
overtuiging. Elementen in je toespraak kunnen je ethos bevorderen: humor,
glasheldere en strakke uitleg, emotioneel slotwoord etc. Hoe hoger de ethos van
de spreker, hoe welwillender het publiek staat tegenover zijn/haar ideeën.
Voorbeeld: als jurist voel ik me geroepen om er alles aan te doen om deze zaak uit
te zoeken.
3. Pathos
Deze argumentatie speelt in op de gevoelens van het publiek. Dit wordt veel
gedaan in reclames: gevoelens van zelfvertrouwen en competenties door een
nieuwe deodorant. Gepaste vorm en dosering is hierbij belangrijk, anders verandert
het snel in drogredenen en propaganda. Pathos kan ook zijn dat je begrip toont
voor of rekening houdt met weerstand en gevoeligheden van het publiek.
Voorbeeld: Yes we can (campagne Obama).
4.3 Redeneringen 2.0