Inhoudsopgave
DEEL 1: KWALITATIEF
2 HC 1: kwalitatief
4 HC 2: kwalitatief
7 HC 3: kwalitatief
10 HC 4: kwalitatief
13 HC 5: kwalitatief
14 Begrippenlijst Kwalitatief
DEEL 2: CORRELATIONEEL
19 HC 6: correlationeel
22 HC 7: correlationeel
24 HC 8: correlationeel
26 Begrippenlijst Correlationeel
DEEL 3: EXPERIMENTEEL
32 HC 10: experimenteel
36 HC 11: experimenteel
37 HC 12: experimenteel
40 Begrippenlijst Experimenteel
DEEL 4: INTEGRITEIT
42 HC 14: integriteit
45 HC 15: responsie
46 Begrippenlijst Integriteit
*Hoorcollege 9 en 13 ontbreken: dit waren responsiecolleges.
1
, DEEL 1: KWALITATIEF
HC 1 - kennismaking
Vragen? E-mail formulier op Blackboard.
In hoorcolleges: onderstreepte woorden voor in woordenlijst.
Voorbeeld: wordt je narcistisch van instagram? Social media biedt er een platform voor, maar het is nog niet
bewezen dat er een oorzakelijk verband is (youtube filmpje theorie).
Autoriteit die het zegt?
Empirisch onderzoek! -> systematische waarnemingen
Wat is goed wetenschappelijk onderzoek?
Empirisch -> gebaseerd op systematische waarnemingen
Controleerbaar -> op een systematische manier weergeven bv aan wie je je vragen stelt en hoe je
onderzoekt
Peer review -> anderen die je onderzoek extra checken voordat iets gepubliceerd wordt
Probabilistisch (niet deterministisch, dus niet 100% zeker) -> zoeken naar iets dat heel waarschijnlijk is,
‘onze data ondersteunt de theorie’ en niet ‘onze data bewijst dat de theorie waar is’).
theorie / idee
onderzoeksvraag
onderzoeksontwerp (hoe kan ik het het best onderzoeken? Vragenlijsten bv)
hypothesen (alleen bij kwantitatief onderzoek)
data verzamelen
data-analyse
1. Ondersteunt data de theorie? Goed.
2
, 2. Ondersteunt data theorie niet? Onderzoeksontwerp aanpassen.
1. Kenmerken van een goede wetenschappelijke theorie
1. Ondersteund door data uit wetenschappelijk onderzoek
2. Goed onderzoek is falsifieerbaar -> moet weerlegd kunnen worden adhv verzamelde gegevens
3. Spaarzaam (parsimonious) -> een theorie moet zo simpel mogelijk gehouden worden, het is niet nodig
om hem complexer te maken als een eenvoudige theorie volstaat.
2. Kenmerken van een goede onderzoeksvraag
Twee soorten onderzoeksvragen:
1. Fundamenteel (basic) -> bij een kennisvraag / kennisprobleem, meer algemeen
Bv ‘Worden jongeren narcistisch van het gebruik van social media’ -> over jongeren in het algemeen,
theoretische relatie tussen social media en narcisme
2. Toegepast (applied) -> bij een praktijkprobleem (aanwijsbare situatie) (vaak beleidvragen ter
grondslag)
Bv als oprichter van Facebook gaat onderzoeken hoe hij facebook anders kan inrichten zodat jongeren
niet narcistisch worden -> specifiek praktijkvoorbeeld, namelijk facebook
Bv ‘Als een basisschool een bepaald beleid heeft waardoor jongeren geen instagram meer mogen
gebruiken op die school, worden ze dan minder narcistisch?’
3. Kenmerken van een goed onderzoeksontwerp
Wat voor soort empirische gegevens worden verzameld?
Kwalitatieve (woorden, interviews, doorvragen) of kwantitatieve (getallen waarmee je wilt rekenen)
gegevens?
Bij wie worden empirische gegevens verzameld? Welke soort mensen / bevolkingsgroep?
3
, HC 2 – kwalitatief onderzoek
Doel kwalitatief onderzoek:
sociale fenomenen begrijpen vanuit natuurlijke context
empirische patronen te vinden (in gesproken of geschreven teksten, observaties)
die een startpunt kunnen zijn voor theorievorming -> nieuwe theorie ontwikkelen of oude aanpassen
Kenmerken kwalitatief onderzoek
1. Onderzoeker is geïnteresseerd in de natuurlijke omgeving van de respondent (bv van de ouderen)
Bv: Culturele verschillen in de zorg voor ouderen
2. Onderzoeker is geïnteresseerd in de hele context (bv van de student)
Holistische / contextuele benadering = je wilt alles meenemen in je onderzoek
Bv: Motieven om te daten bij eerstejaars studenten
3. Onderzoeker is geïnteresseerd in de perspectieven van de respondent -> perspectieven centraal
Bv: De ideeën van Amerikanen over het recht op wapenbezit
4. Inductie: Via specifieke observaties probeert de onderzoeker
De sociale werkelijkheid te omschrijven in al haar diversiteit
Naar algemeenheden te zoeken die nieuwe theorieën vormen of bestaande theorieën aanpassen
o Inductie: van individueel naar algemeen
5. De onderzoeker is nadrukkelijk aanwezig bij de dataverzameling
Grappig: mensen scheppen meer op over zichzelf als de interviewer jong en aantrekkelijk is. Van
tevoren dus bedenken of de interviewer een buitenstaander is, of juist een participant.
Bv: als je een groep studenten zou vragen naar drugsgebruik krijg je andere antwoorden als je een
buitenstaander het laat vragen dan wanneer een van de studenten de vragen zou stellen.
Wat wordt er onderzocht?
Voorbeeld van de ouderen: theorie waarom zij zouden gaan daten zou eenzaamheid kunnen zijn.
Wat zou de motivatie kunnen zijn van eerstejaars studenten (in Utrecht, of nog specifieker: in KOM) om te gaan
daten?
Ezelsbruggetje -> SPI (C) E
Setting: waar, in welke context?
Perspective (of Population): voor wie?
Interest: wat?
(Comparison: vergeleken met wie / wat?)
Evaluation: met welk resultaat?
Bv examenvraag: zit er een comparison in deze onderzoeksvraag?
o Wat zijn motieven (evaluation) om te daten (interest) bij eerstejaars studenten
(perspective) in Nederland (setting)?
Hoe worden data verzameld? (hoe zet je je onderzoeksontwerp op?)
De onderzoeksvraag heeft betrekking op motieven om te daten.
Kwalitatief interview in het geval van de datingvraag.
Kwalitatief interview -> een gesprek waarin de interviewer vragen stelt aan de geïnterviewde over:
Ideeën
Motieven
Ervaringen
(gedragingen: misschien is observeren makkelijker)
Met betrekking tot een sociaal fenomeen.
Non-verbale interacties zijn ook heel belangrijk!
De geïnterviewde is informant (als de persoon bepaalde informatie is, bv deskundige) of respondent
interviewer effect
Soorten interviews
4