Samenvatting plantenbescherming
Hoofdstuk 1: Inleiding
1. Introductie
Door de massale productie en selectie van planten door de mens zijn ze veel beschermende
eigenschappen verloren (bitterstoffen, bladoppervlakken...). Door een minder divers landschap
kunnen plagen de overhand nemen eens ze bijvoorbeeld op een veld zijn met één plantensoort,
kunnen ze enorm uitbreiden.
– Intensief agro-ecosysteem: één groot veld met één soort plant (mengculturen met
bijvoorbeeld twee gewassen zijn al minder kwetsbaar)
– Extensief agro-ecosysteem: voedselbossen, permacultuur … (nadeel = minder opbrengst)
Voorbeeld maïs: natuurlijke vorm van maïs is zeer klein en smal, veredelde vorm is veel groter,
meer zetmeel en veel aantrekkelijker voor plagen.
Voorbeeld slakrop: veredelde sla maakt bladeren over andere bladeren wat niet oppervlakte-
efficiënt is qua fotosynthese en vochtigheid creëert.
→ Cultuurplanten zijn veredeld om ideaal te zijn voor de mens, maar kunnen niet overleven zonder
bescherming.
2. Biotische en abiotische factoren
Plantenverliezen worden veroorzaakt door biotische en abiotische factoren
– Abiotische factoren = niet-levende zaken die plantenverliezen veroorzaken:
waterhoeveelheid, temperatuur, nutriënten aanwezigheid...
– Biotische factoren = levende zaken die plantenverliezen veroorzaken: onkruid (monocotylen
en dicotylen), pesten (insecten, slakken, vogels, zoogdiertjes...) of ziekten (schimmels,
virussen en bacteriën)
Schadebeelden veroorzaakt door deze factoren:
– Concurrentie voor groeifactoren: zoals plant die zon afneemt, voedingsstoffen afneemt of
water sneller opneemt.
– Beschadiging of functionele belemmering van essentiële plantenfuncties zoals fotosynthese
en stomata: bijvoorbeeld schade aan bladoppervlak door slakken, schimmels die
huidmondjes binnentreden en blad aantasten, vensterschade.
– Productie van mycotoxinen: schimmels maken mycotoxines aan die gevaarlijk zijn voor
mens en dier. Deze komen via de planten in dier of mensenvoeding terecht.
– Verstoring van plantenhormoonbalansen door bijvoorbeeld virussen. Voorbeeld koolzaad dat
knobbelachtige wortel krijgt door verstoorde hormoonbalans, hierdoor kunnen ze slechter
droogte verdragen.
– Bevuiling van te oogsten producten: esthetische schade waardoor producten minder waard
worden voor de consument
– Cosmetische schade: planten beschadiging in een tuin, er worden sterke producten gebruikt
om planten te beschermen die eigenlijk niet in ecosysteem horen.
, 3. Verliezen
De potentiële opbrengst – abiotische verliezen = de haalbare opbrengst zonder biotische verliezen.
De haalbare opbrengst – de actuele verliezen = actuele opbrengst, de opbrengst die huidig wordt
gerealiseerd mits enige biotische verliezen.
De primitieve opbrengst is de opbrengst die er nog zou gerealiseerd worden mits alle potentiële
verliezen zouden gebeuren (biotisch, zonder behandeling planten dus).
De omvang van verliezen hangt af van het tijdstip van de aantasting (fase waarin de plant zich
bevindt), omgevingsfactoren, tolerantie van de plant, agressiviteit van het pathogeen. Het gaat dus
om een samenkomst van plant, omgeving en de aantaster.
! Plantenbescherming is nodig om massale verliezen met alle gevolgen van dien in het verleden te
vermijden. In de huidige maatschappij is er dan nog is veel meer consumptie, met de beperkte
vruchtbare grond die we hebben, is de nodige opbrengst per m2 dus hoger geworden. Ook de
huidige klimaatveranderingen maken dit moeilijker.
Verder is het ook belangrijk te beseffen dat er van de 350k beschreven plantensoorten maar 3000
voedsel leveren. Daarvan geven 10 soorten 95% van het voedsel: tarwe, rijst, maïs, aardappel,
bataat, suikerriet, maniok, bonen, kokos en banaan. Binnen deze soorten is er een enorme
genetische beperktheid, waardoor deze planten zeer vatbaar worden voor aantasters.
4. Biologische landbouw
Sinds de verlichting is er een sterke wetenschappelijke ontwikkeling omtrent chemische bemesting
en bestrijding, genetische selectie en mechanisatie.
Echter kwam pas later de realisatie wat de ecologische impact was van deze manier van landbouw.
Er wordt steeds meer geneigd naar biologische landbouw, er wordt meer een evenwicht gezocht
tussen People, Planet, Profit (3P's).
Twee soorten manieren om aan landbouw te doen:
– Land sparing: landbouw en natuur scheiden. Maximale voedselproductie op een zo klein
mogelijke oppervlakte zodat er ruimte vrijkomt voor puur natuur beheer.
➔ Conventioneel model: maximale productie die zeer veel effect heeft op bodem, milieu en
natuur. Het is een zeer intensieve manier van aan landbouw doen.
– Land sharing: landbouw en natuur worden met elkaar verwoven over een groot oppervlak.
➔ Ecologisch model: stimuleert biodiversiteit met 12% maar verlies in opbrengst zo'n
25%.
Er zal een evenwicht moeten gevonden worden tussen beide modellen. Op de biologische manier
zal er niet genoeg voedsel zijn voor iedereen met de beschikbare grond, op de conventionele manier
is de impact op klimaat, mens en dier te groot.
5. Pesticiden
Seq is het verspreidingsequivalent van een bepaalde pesticide en bepaalt dus hoe toxisch het is voor
de omgeving. Het weegt de gebruikte hoeveelheid actieve stof af op de ecotoxiciteit voor
waterorganismen en de verblijftijd in het milieu.
Het is belangrijk te beseffen dat zonder chemische plantenbescherming de verliezen enorm zouden
zijn, ze zijn dus onmisbaar. Het is belangrijk om effectiviteit, veiligheid, haalbaarheid en
betaalbaarheid samen te bekijken.
, 6. Plantenbescherming via IPM
Model van IPM, Integrated Pest Management, bestaat uit 8 principes.
• Preventie (voorkom beter dan genezen): gewasrotatie, kleine percelen gescheiden van
elkaar, conserverende bodembewerking, resistente of tolerante gewassen, evenwichte
bemesting voor sterke plant, bescherming nuttige organismen.
• Monitoring (blijven checken): welke organismen / schade zie ik terug op mijn gewas?
Wanneer treedt de schade op? Is het duurder om het te behandelen dan wat de verliezen mij
kosten?
➔ Visuele monitoring via veldwaarnemingen via bijvoorbeeld op elke hoek en midden van
veld te kijken, computermodellen, onderzoek stations of waarschuwingssystemen online,
teeltadviseurs zoals bij inagro, analyses ...
• Beslissen (behandel wanneer nodig)
• Curatief handelen, niet chemisch (hou chemie als laatste optie):
➔ Biologisch door middel van natuurlijke vijanden. Kunnen predatoren zijn waarbij de
plaag het voedsel is, kan een parasiet of parasitoïde zijn waar plaaginsect nodig is in deel
van levenscyclus. Ze kunnen polyfaag zijn of specifiek. Voorbeelden zijn
lieveheersbeestje, zweefvlieg, gaasvlieg, roofwants. Ze kunnen preventief, als reductie
of vertraging cyclus van het plaaginsect dienen.
➔ Mechanisch door omgevingsstress te veroorzaken die organisme niet kan verdragen:
temperatuur aanpassen, directe fysieke interactie door bijvoorbeeld manueel verwijderen
of branden, fysieke barrières zoals rijen in land of houtsnippers...
➔ Fysisch door bijvoorbeeld feromoonvallen
• Curatief chemisch met minste impact (bestrijd selectief): behandelen van planten die
aangetast zijn om schade te beperken. Dit met middelen die ons voedsel, water, lucht en
grond het minste impacteren. Dit kan aan de hand van fytoweb bijvoorbeeld.
Hoofdstuk 1: Inleiding
1. Introductie
Door de massale productie en selectie van planten door de mens zijn ze veel beschermende
eigenschappen verloren (bitterstoffen, bladoppervlakken...). Door een minder divers landschap
kunnen plagen de overhand nemen eens ze bijvoorbeeld op een veld zijn met één plantensoort,
kunnen ze enorm uitbreiden.
– Intensief agro-ecosysteem: één groot veld met één soort plant (mengculturen met
bijvoorbeeld twee gewassen zijn al minder kwetsbaar)
– Extensief agro-ecosysteem: voedselbossen, permacultuur … (nadeel = minder opbrengst)
Voorbeeld maïs: natuurlijke vorm van maïs is zeer klein en smal, veredelde vorm is veel groter,
meer zetmeel en veel aantrekkelijker voor plagen.
Voorbeeld slakrop: veredelde sla maakt bladeren over andere bladeren wat niet oppervlakte-
efficiënt is qua fotosynthese en vochtigheid creëert.
→ Cultuurplanten zijn veredeld om ideaal te zijn voor de mens, maar kunnen niet overleven zonder
bescherming.
2. Biotische en abiotische factoren
Plantenverliezen worden veroorzaakt door biotische en abiotische factoren
– Abiotische factoren = niet-levende zaken die plantenverliezen veroorzaken:
waterhoeveelheid, temperatuur, nutriënten aanwezigheid...
– Biotische factoren = levende zaken die plantenverliezen veroorzaken: onkruid (monocotylen
en dicotylen), pesten (insecten, slakken, vogels, zoogdiertjes...) of ziekten (schimmels,
virussen en bacteriën)
Schadebeelden veroorzaakt door deze factoren:
– Concurrentie voor groeifactoren: zoals plant die zon afneemt, voedingsstoffen afneemt of
water sneller opneemt.
– Beschadiging of functionele belemmering van essentiële plantenfuncties zoals fotosynthese
en stomata: bijvoorbeeld schade aan bladoppervlak door slakken, schimmels die
huidmondjes binnentreden en blad aantasten, vensterschade.
– Productie van mycotoxinen: schimmels maken mycotoxines aan die gevaarlijk zijn voor
mens en dier. Deze komen via de planten in dier of mensenvoeding terecht.
– Verstoring van plantenhormoonbalansen door bijvoorbeeld virussen. Voorbeeld koolzaad dat
knobbelachtige wortel krijgt door verstoorde hormoonbalans, hierdoor kunnen ze slechter
droogte verdragen.
– Bevuiling van te oogsten producten: esthetische schade waardoor producten minder waard
worden voor de consument
– Cosmetische schade: planten beschadiging in een tuin, er worden sterke producten gebruikt
om planten te beschermen die eigenlijk niet in ecosysteem horen.
, 3. Verliezen
De potentiële opbrengst – abiotische verliezen = de haalbare opbrengst zonder biotische verliezen.
De haalbare opbrengst – de actuele verliezen = actuele opbrengst, de opbrengst die huidig wordt
gerealiseerd mits enige biotische verliezen.
De primitieve opbrengst is de opbrengst die er nog zou gerealiseerd worden mits alle potentiële
verliezen zouden gebeuren (biotisch, zonder behandeling planten dus).
De omvang van verliezen hangt af van het tijdstip van de aantasting (fase waarin de plant zich
bevindt), omgevingsfactoren, tolerantie van de plant, agressiviteit van het pathogeen. Het gaat dus
om een samenkomst van plant, omgeving en de aantaster.
! Plantenbescherming is nodig om massale verliezen met alle gevolgen van dien in het verleden te
vermijden. In de huidige maatschappij is er dan nog is veel meer consumptie, met de beperkte
vruchtbare grond die we hebben, is de nodige opbrengst per m2 dus hoger geworden. Ook de
huidige klimaatveranderingen maken dit moeilijker.
Verder is het ook belangrijk te beseffen dat er van de 350k beschreven plantensoorten maar 3000
voedsel leveren. Daarvan geven 10 soorten 95% van het voedsel: tarwe, rijst, maïs, aardappel,
bataat, suikerriet, maniok, bonen, kokos en banaan. Binnen deze soorten is er een enorme
genetische beperktheid, waardoor deze planten zeer vatbaar worden voor aantasters.
4. Biologische landbouw
Sinds de verlichting is er een sterke wetenschappelijke ontwikkeling omtrent chemische bemesting
en bestrijding, genetische selectie en mechanisatie.
Echter kwam pas later de realisatie wat de ecologische impact was van deze manier van landbouw.
Er wordt steeds meer geneigd naar biologische landbouw, er wordt meer een evenwicht gezocht
tussen People, Planet, Profit (3P's).
Twee soorten manieren om aan landbouw te doen:
– Land sparing: landbouw en natuur scheiden. Maximale voedselproductie op een zo klein
mogelijke oppervlakte zodat er ruimte vrijkomt voor puur natuur beheer.
➔ Conventioneel model: maximale productie die zeer veel effect heeft op bodem, milieu en
natuur. Het is een zeer intensieve manier van aan landbouw doen.
– Land sharing: landbouw en natuur worden met elkaar verwoven over een groot oppervlak.
➔ Ecologisch model: stimuleert biodiversiteit met 12% maar verlies in opbrengst zo'n
25%.
Er zal een evenwicht moeten gevonden worden tussen beide modellen. Op de biologische manier
zal er niet genoeg voedsel zijn voor iedereen met de beschikbare grond, op de conventionele manier
is de impact op klimaat, mens en dier te groot.
5. Pesticiden
Seq is het verspreidingsequivalent van een bepaalde pesticide en bepaalt dus hoe toxisch het is voor
de omgeving. Het weegt de gebruikte hoeveelheid actieve stof af op de ecotoxiciteit voor
waterorganismen en de verblijftijd in het milieu.
Het is belangrijk te beseffen dat zonder chemische plantenbescherming de verliezen enorm zouden
zijn, ze zijn dus onmisbaar. Het is belangrijk om effectiviteit, veiligheid, haalbaarheid en
betaalbaarheid samen te bekijken.
, 6. Plantenbescherming via IPM
Model van IPM, Integrated Pest Management, bestaat uit 8 principes.
• Preventie (voorkom beter dan genezen): gewasrotatie, kleine percelen gescheiden van
elkaar, conserverende bodembewerking, resistente of tolerante gewassen, evenwichte
bemesting voor sterke plant, bescherming nuttige organismen.
• Monitoring (blijven checken): welke organismen / schade zie ik terug op mijn gewas?
Wanneer treedt de schade op? Is het duurder om het te behandelen dan wat de verliezen mij
kosten?
➔ Visuele monitoring via veldwaarnemingen via bijvoorbeeld op elke hoek en midden van
veld te kijken, computermodellen, onderzoek stations of waarschuwingssystemen online,
teeltadviseurs zoals bij inagro, analyses ...
• Beslissen (behandel wanneer nodig)
• Curatief handelen, niet chemisch (hou chemie als laatste optie):
➔ Biologisch door middel van natuurlijke vijanden. Kunnen predatoren zijn waarbij de
plaag het voedsel is, kan een parasiet of parasitoïde zijn waar plaaginsect nodig is in deel
van levenscyclus. Ze kunnen polyfaag zijn of specifiek. Voorbeelden zijn
lieveheersbeestje, zweefvlieg, gaasvlieg, roofwants. Ze kunnen preventief, als reductie
of vertraging cyclus van het plaaginsect dienen.
➔ Mechanisch door omgevingsstress te veroorzaken die organisme niet kan verdragen:
temperatuur aanpassen, directe fysieke interactie door bijvoorbeeld manueel verwijderen
of branden, fysieke barrières zoals rijen in land of houtsnippers...
➔ Fysisch door bijvoorbeeld feromoonvallen
• Curatief chemisch met minste impact (bestrijd selectief): behandelen van planten die
aangetast zijn om schade te beperken. Dit met middelen die ons voedsel, water, lucht en
grond het minste impacteren. Dit kan aan de hand van fytoweb bijvoorbeeld.