§8.1 DE STRUCTUUR VAN DNA
Chromatine → DNA en histonen.
Nucleosomen → bolletjes van histonen met DNA eromheen. Functies:
1. door spiralisatie past DNA in de celkern
2. DNA wordt beschermd door nucleosomen
Chromosomen → sterk gespiraliseerd chromatine
DNA bestaat uit → nucleotide (ATCG), fosfaatgroep en stikstofbase.
Nucleotiden → A complementair met T en C complementair met G.
DNA replicatie → lees aantekeningen odb.
PCR (polymerase-kettingreactie) → knippen van DNA in kleine stukjes. Hiervoor
nodig:
- DNA-polymerase
- te kopiëren stuk DNA
- heel veel nucleotiden
- primers
Proces:
1. DNA wordt verhit tot 95℃, zodat het denatureert, zodat het denatureert
2. temperatuur gaat omlaag en primers erbij
3. temperatuur gaat weer omhoog en DNA-pol en nucleotiden worden toegevoegd
a. verlenging → langs de enkelstrengse DNA dingen worden nieuwe
strengen gevormd
Sequensen → vaststellen van de nucleotidenvolgorde van DNA.
1. DNA wordt heel vaak gekopierd m.b.v. PCR
2. heel veel nucleotiden en een kleiner aantal dideoxynucleotiden, waardoor de stukjes
DNA gebonden worden aan de nucleotiden/ddnucleotiden. Als DNA bindt aan een
ddN, stopt de reactie. Zo ontstaan er veel stukjes DNA van verschillende lengtes.
3. door gelelektroforese komt er een kleurtje aan het stukje DNA wat dan afgelezen
wordt aan de kleur. Hierdoor kan je uiteindelijk de hele DNA volgorde achterhalen.
Multifactoreel overerfbaar → meerdere genen, levensstijlen en
omgevingsfactoren zijn verantwoordelijk voor het krijgen van een ziekte.
§8.2 TRANSCRIPTIE: DNA OVERSCHRIJVEN
DNA transcriptie → lees aantekeningen odb.
Promotor → plek met specifieke DNA volgorde waar transcriptie begint.
Hier bindt RNA-polymerase
Terminator → plek met specifieke DNA volgorde waar transcriptie eindigt.
Transcriptiefactoren → bepalen of een gen wel of niet wordt afgelezen.
Introns → delen van het gen die niet coderen voor aminozuren
, Exons → delen van het gen die wel coderen voor aminozuren
Splicing → introns worden afgebroken. Nu is het mRNA klaar. Hierdoor is het
mogelijk dat er toch elke keer net verschillende aminozuren ontstaan.
Epigenetica → studie van erfelijke wijzigingen zonder verandering van
nucleotidenvolgorde.
Genomische afstempeling → tijdens de embryonale ontwikkeling worden er
genen aan of uitgezet. Dit wordt doorgegeven tijdens differentiatie van cellen.
Epigenetische factoren → bepalen toestand (open of gesloten) van delen van
genoom
- DNA-methylering → een methylgroep wordt gebonden aan cytosine,
waardoor genexpressie verhinderd wordt. Dit is wel een omkeerbaar
proces. Doordat in de differentiatie verschillende genen gemethyleerd
worden, zijn niet in alle cellen dezelfde genen actief. Methylering door
omgevingsfactoren kan soms doorgegeven worden aan
voortplantingscellen; hongerwinter.
- RNA’s → microRNA’s en ncRNA’s hebben invloed op het open/gesloten zijn
van (delen van) chromosoom. Ook kan dsRNA betrokken zijn bij het
inactiveren van een gen.
- Nucleosoom → structuur waarin DNA verpakt is. De histon-eiwitten waaruit
deze bestaan kunnen veranderd worden, waardoor het chromatine meer
open/gesloten kan worden
§8.3 DE GENETISCHE CODE
Eiwitten bestaan uit aminozuren. Elk aminozuur bestaat uit een triplet (drie nucleotiden).
Codon → drie mRNA-basen die coderen voor een aminozuur.
Essentiële aminozuren → de van buitenaf aangevoerde aminozuren.
Triplet →
- eerste letter → heeft te maken met de verbinding waaruit het aminozuur
gemaakt wordt
- tweede letter → staat in verband met de oplosbaarheid van het aminozuur
in water. Meest hydrofiel: A, meest hydrofoob: T.
- derde letter → waarschijnlijk is deze er door toeval.
Puntmutatie → meestal blijft het aminozuur hetzelfde, maar soms wordt het
aminozuur veranderd. Meestal is dat niet heftig, want de natuurlijke code en
selectie heeft ervoor gezorgd dat er zo min mogelijk schade kan plaatsvinden.
Niet-coderend DNA → promotoren, terminatoren, transcriptiefactoren, introns,
pseudogenen en niet-coderend RNA.
Pseudogenen → hebben structuur van gen, maar geven geen eiwit.
Niet-coderend RNA → hebben genregulerende functies. DNA delen die
hiervoor
coderen heten RNA-genes.
Microsatellieten → herhaling van nucleotidereeksen. Dit erf je en het