Hoofdstuk 2: theoretische aspecten van de psychodiagnostiek
De discipline van psychiatrie:
- diagnostiek: gericht op het onderkennen van psychopathologie
- uitgangspunt was van oorsprong het medische model, dat ziekte centraal stelt
- arts ziet bij ziekte een samenhang tussen oorzaken, die leiden tot ziekteproces
dat resulteert in symptomen, die soms in samenhang (als syndroom) optreden.
Symptomen maken ontwikkeling door, waarover een voorspelling (prognose)
gedaan kan worden, zijn middels bepaalde interventies te behandelen wat zorgt
voor een bepaalde afloop
- differentiaaldiagnose: onderzoek te doen naar de verschijnselen die het verschil
maken tussen het ene beeld en het andere
- analoge denktrant: begrip ziekte wordt vervangen door begrip stoornis, wat
verwijst naar problemen in persoonlijk, rationeel en beroepsmatig functioneren
van een persoon die lijdensdruk geven
vaststellen van oorzaken voor specifieke symptomencomplexen bleek lastiger,
en beloop van stoornissen bleek lastig te voorspellen
- begrip ‘’syndroom’’ op voorgrond: een groep symptomen die met elkaar in een
min of meer vast verband voorkomen
symptoom: verwijst naar bepaald gedrag, een perceptie of een cognitie
- psychiatrische classificatie: het ordenen en groeperen van symptomen om tot
de aanwezigheid van een syndroom te kunnen besluiten. Meest gebruikte
systeem: DSM. Waarde van classificatiesysteem ligt vooral in standaardisering
van het gebruik van termen, wat van belang is voor onderzoek maar ook voor
communicatie met ouders
- comorbiditeit: gelijktijdig sprake van meer dan één stoornis
classificatiesysteem kan dit zelf veroorzaken door overlappende criteria
De DSM:
- eerste versie: 1952, belangrijk mijlpaal in ontwikkeling classificatie van
psychische stoornissen
- 1968: voor het eerst aandacht voor stoornissen bij jeugdigen
- 2022: text revision: structuur DSM bleef behouden, maar er zijn nieuwe
inzichten toegevoegd
- elke stoornis wordt omschreven via diagnostische criteria, die vaak weer
concrete symptomen kennen waarvan bepaald aanwezigheid benodigd is voor
,voldoen criterium. Inschatting van ernst, prevalentie, ontwikkeling en beloop,
bedreigende en prognostische factoren, elke stoornis krijgt aparte code
De discipline van de ontwikkelingspsychologie:
- rond 1900: meer belangstelling voor verloop ontwikkeling kinderen. Doel:
empirische kennis gebruiken voor praktijk van opvoeding, onderwijs en
hulpverlening. Ook grote belangstelling in meten van individuele verschillen.
Twee vraagstellingen staan centraal:
-> 1. Hoe kan het ontwikkelingsverloop worden begrepen?
-> 2. Welke condities beïnvloeden ontwikkeling op positieve of negatieve wijze?
- Vanuit hieruit: empirisch, fundamenteel en klinisch georiënteerd
wetenschappelijk onderzoek naar ontwikkelingsprocessen, ontwikkelingsfasen en
de volgorde van deze fasen gedurende de levensloop
- ontwikkeling verloopt zowel continu als discontinu: fasen ontstaan door de
onderlinge interactie van de zich continu ontwikkelende processen die daarbij
betrokken zijn. daarbij gaat het zowel om processen binnen het individu, maar
ook om de interactie tussen het individu en de fysieke en sociaal-emotionele
omgeving.
- klinische ontwikkelingspsychologie: men richt zich specifiek op de in hun
ontwikkeling bedreigde kinderen
ASEBA: achenbach system of empirically based assessment
- familie van vragenlijsten waarbij child behavior checklist, teachers report form
en youth self-report de bekendste zijn.
- alle vragenlijsten beogen competenties en een breed spectrum aan
probleemgedrag te meten. Bevatten allerlei gedragssymptomen en kunnen
worden ondergebracht in acht syndroomschalen:
1. Angstig/depressief (internaliseren)
2. Teruggetrokken/depressief (internaliseren)
3. Lichamelijke klachten (internaliseren)
4. Sociale problemen
5. Denkproblemen
6. Aandachtsproblemen
7. Regelovertredend gedrag (externaliseren)
8. Agressief gedrag (externaliseren)
De discipline van orthopedagogiek:
- de pedagogiek voor het ‘specifiek opvoeden’, het ‘bieden van opvoedingshulp
,aan betrokkenen bij een opvoedingsstagnatie’, met als doel ‘herstel van het
gewone leven’
- handelingsgerichtheid van orthopedagogiek maakte reflectie op de doelen van
opvoeding een belangrijk onderdeel van het vak
- aandacht voor de context, vraaggericht werken
Psychodynamische theorie:
- ontwikkeld door Freud, uitgewerkt door dochter Anna Freud voor ontwikkeling
van kinderen.
- problemen uit vroege kinderjaren spelen belangrijke rol in ontstaan van latere
problematiek.
- Psychodynamische psychodiagnostiek heeft een structurele en een dynamisch
component, structurele component omvat:
-- Het id (de primaire drijfveren van het individu)
-- Het superego, dat betstaat uit de door socialisatie en opvoeding in de loop van
de tijd geinternaliseerde regels (vergelijkbaar met het geweten)
-- Het ego, dat bemiddelt tussen id en superego, het gedrag organiseert en er
later in de ontwikkeling over reflecteert.
- Nadruk ligt op conflicten tussen krachten. Intrapsychische ontwikkeling is de
uitkomst van het conflict tussen strevingen van individu en de ontwikkelingstaken
waarmee het wordt geconfronteerd
- De verwerking van elk nieuw conflict wordt beïnvloedt door de wijze waarop het
voorgaande conflict is opgelost, omdat zij daarbij worden gereactiveerd.
Daardoor is veel aandacht voor ambivalenties in belevingen en relaties.
- developmental lines: beogen handvatten te geven voor diagnostiek. Actuele
omgeving van kind is van groot belang. Die omgeving betreft bijv. de personen
met wie het kind zich identificeert, maar ook de wijdere maatschappelijke context
die normen en waarden bepaalt.
De gehechtheidstheorie:
- gehechtheid: duurzame affectieve relatie tussen een kind en zijn/haar
opvoeders
- begrippen van sensitiviteit (vermogen van een opvoeder om signalen van een
kind waar te nemen), en responsiviteit (het vermogen van de opvoeder om
adequaat re reageren op de waargenomen signalen)
- sensitieve responsiviteit leidt tot een cirkel van veiligheid.
, - kwaliteit van gehechtheid kan zowel een risicofactor als een beschermende
factor zijn voor psychische gezondheid
Leertheorie:
- probleemgedrag kan zowel ontlokt wordendoor bepaald eraan voorafgaande
stimuli (antecedente variabelen) als bekrachtigd kan worden door erop volgende
stimuli (consequente variabelen)
- welke factoren lokken gedrag uit / bekrachtigen gedrag
- gedrag wordt aangeleerd door de bekrachtigende werking van de gevolgen
ervan of door de triggerende werking van te antecedenten
Systeemtheorie:
1. De ecologische theorie (Bronfenbrenner): de meest algemene theorie over de
interactie tussen individu en omgeving. Theorie onderscheidt een aantal
systeemniveaus.
Niveau 1: microsystemen – groepen waar het kind zelf deel van uitmaakt (gezin,
school, sportclub, vriendengroep). Het gaat in een microsysteem niet alleen om
activiteiten, rollen en relaties van individu maar ook om materiele kenmerken van
die situatie en de wijze waarop het kind dit ervaart. Microsystemen zijn
proximaal: liggen dichtbij het kind
Niveau 2: mesosystemen – de relaties die de diverse microsystemen waar het
kind deel van uitmaakt met elkaar hebben. Contact ouder en docent bijv
Niveau 3: exosystemen – kind neemt hier niet direct aan deel, maar wordt er wel
door beinvloedt. Meer distaal te noemen. Bijv. werk van ouders, rechtsysteem,
sociale voorzieningen
Niveau 4: macrosysteem- relaties tussen de exosystemen. Culturele elementen
van land/regio. Meest distaal en het traagst veranderend
Niveau 5: tijd – chronosysteem: periode en tijdperk waarin het kind opgroeit.
2. Gezinstherapeutische theorieën
- structurele gezinstherapie: het gezin is een zichzelf organiserend en steeds
veranderend systeem, met een hierarchie, subsystemen (ouders en kinderen) en
partiele systemen (bijv. een vader-zoonrelatie). Grenzen tussen die subsystemen
kunnen door omstandigheden vervormd raken, bijv. door parentificatie.
- Watzlawick: onderscheid is meer afkomstig tussen inhouds- en
betrekkingsniveau van communicatie: tegenstrijdigheden kunnen daarin een bron
van grote stress zijn
- contextuele therapie: benadrukt rol van loyaliteit van kinderen naar hun ouders
De discipline van psychiatrie:
- diagnostiek: gericht op het onderkennen van psychopathologie
- uitgangspunt was van oorsprong het medische model, dat ziekte centraal stelt
- arts ziet bij ziekte een samenhang tussen oorzaken, die leiden tot ziekteproces
dat resulteert in symptomen, die soms in samenhang (als syndroom) optreden.
Symptomen maken ontwikkeling door, waarover een voorspelling (prognose)
gedaan kan worden, zijn middels bepaalde interventies te behandelen wat zorgt
voor een bepaalde afloop
- differentiaaldiagnose: onderzoek te doen naar de verschijnselen die het verschil
maken tussen het ene beeld en het andere
- analoge denktrant: begrip ziekte wordt vervangen door begrip stoornis, wat
verwijst naar problemen in persoonlijk, rationeel en beroepsmatig functioneren
van een persoon die lijdensdruk geven
vaststellen van oorzaken voor specifieke symptomencomplexen bleek lastiger,
en beloop van stoornissen bleek lastig te voorspellen
- begrip ‘’syndroom’’ op voorgrond: een groep symptomen die met elkaar in een
min of meer vast verband voorkomen
symptoom: verwijst naar bepaald gedrag, een perceptie of een cognitie
- psychiatrische classificatie: het ordenen en groeperen van symptomen om tot
de aanwezigheid van een syndroom te kunnen besluiten. Meest gebruikte
systeem: DSM. Waarde van classificatiesysteem ligt vooral in standaardisering
van het gebruik van termen, wat van belang is voor onderzoek maar ook voor
communicatie met ouders
- comorbiditeit: gelijktijdig sprake van meer dan één stoornis
classificatiesysteem kan dit zelf veroorzaken door overlappende criteria
De DSM:
- eerste versie: 1952, belangrijk mijlpaal in ontwikkeling classificatie van
psychische stoornissen
- 1968: voor het eerst aandacht voor stoornissen bij jeugdigen
- 2022: text revision: structuur DSM bleef behouden, maar er zijn nieuwe
inzichten toegevoegd
- elke stoornis wordt omschreven via diagnostische criteria, die vaak weer
concrete symptomen kennen waarvan bepaald aanwezigheid benodigd is voor
,voldoen criterium. Inschatting van ernst, prevalentie, ontwikkeling en beloop,
bedreigende en prognostische factoren, elke stoornis krijgt aparte code
De discipline van de ontwikkelingspsychologie:
- rond 1900: meer belangstelling voor verloop ontwikkeling kinderen. Doel:
empirische kennis gebruiken voor praktijk van opvoeding, onderwijs en
hulpverlening. Ook grote belangstelling in meten van individuele verschillen.
Twee vraagstellingen staan centraal:
-> 1. Hoe kan het ontwikkelingsverloop worden begrepen?
-> 2. Welke condities beïnvloeden ontwikkeling op positieve of negatieve wijze?
- Vanuit hieruit: empirisch, fundamenteel en klinisch georiënteerd
wetenschappelijk onderzoek naar ontwikkelingsprocessen, ontwikkelingsfasen en
de volgorde van deze fasen gedurende de levensloop
- ontwikkeling verloopt zowel continu als discontinu: fasen ontstaan door de
onderlinge interactie van de zich continu ontwikkelende processen die daarbij
betrokken zijn. daarbij gaat het zowel om processen binnen het individu, maar
ook om de interactie tussen het individu en de fysieke en sociaal-emotionele
omgeving.
- klinische ontwikkelingspsychologie: men richt zich specifiek op de in hun
ontwikkeling bedreigde kinderen
ASEBA: achenbach system of empirically based assessment
- familie van vragenlijsten waarbij child behavior checklist, teachers report form
en youth self-report de bekendste zijn.
- alle vragenlijsten beogen competenties en een breed spectrum aan
probleemgedrag te meten. Bevatten allerlei gedragssymptomen en kunnen
worden ondergebracht in acht syndroomschalen:
1. Angstig/depressief (internaliseren)
2. Teruggetrokken/depressief (internaliseren)
3. Lichamelijke klachten (internaliseren)
4. Sociale problemen
5. Denkproblemen
6. Aandachtsproblemen
7. Regelovertredend gedrag (externaliseren)
8. Agressief gedrag (externaliseren)
De discipline van orthopedagogiek:
- de pedagogiek voor het ‘specifiek opvoeden’, het ‘bieden van opvoedingshulp
,aan betrokkenen bij een opvoedingsstagnatie’, met als doel ‘herstel van het
gewone leven’
- handelingsgerichtheid van orthopedagogiek maakte reflectie op de doelen van
opvoeding een belangrijk onderdeel van het vak
- aandacht voor de context, vraaggericht werken
Psychodynamische theorie:
- ontwikkeld door Freud, uitgewerkt door dochter Anna Freud voor ontwikkeling
van kinderen.
- problemen uit vroege kinderjaren spelen belangrijke rol in ontstaan van latere
problematiek.
- Psychodynamische psychodiagnostiek heeft een structurele en een dynamisch
component, structurele component omvat:
-- Het id (de primaire drijfveren van het individu)
-- Het superego, dat betstaat uit de door socialisatie en opvoeding in de loop van
de tijd geinternaliseerde regels (vergelijkbaar met het geweten)
-- Het ego, dat bemiddelt tussen id en superego, het gedrag organiseert en er
later in de ontwikkeling over reflecteert.
- Nadruk ligt op conflicten tussen krachten. Intrapsychische ontwikkeling is de
uitkomst van het conflict tussen strevingen van individu en de ontwikkelingstaken
waarmee het wordt geconfronteerd
- De verwerking van elk nieuw conflict wordt beïnvloedt door de wijze waarop het
voorgaande conflict is opgelost, omdat zij daarbij worden gereactiveerd.
Daardoor is veel aandacht voor ambivalenties in belevingen en relaties.
- developmental lines: beogen handvatten te geven voor diagnostiek. Actuele
omgeving van kind is van groot belang. Die omgeving betreft bijv. de personen
met wie het kind zich identificeert, maar ook de wijdere maatschappelijke context
die normen en waarden bepaalt.
De gehechtheidstheorie:
- gehechtheid: duurzame affectieve relatie tussen een kind en zijn/haar
opvoeders
- begrippen van sensitiviteit (vermogen van een opvoeder om signalen van een
kind waar te nemen), en responsiviteit (het vermogen van de opvoeder om
adequaat re reageren op de waargenomen signalen)
- sensitieve responsiviteit leidt tot een cirkel van veiligheid.
, - kwaliteit van gehechtheid kan zowel een risicofactor als een beschermende
factor zijn voor psychische gezondheid
Leertheorie:
- probleemgedrag kan zowel ontlokt wordendoor bepaald eraan voorafgaande
stimuli (antecedente variabelen) als bekrachtigd kan worden door erop volgende
stimuli (consequente variabelen)
- welke factoren lokken gedrag uit / bekrachtigen gedrag
- gedrag wordt aangeleerd door de bekrachtigende werking van de gevolgen
ervan of door de triggerende werking van te antecedenten
Systeemtheorie:
1. De ecologische theorie (Bronfenbrenner): de meest algemene theorie over de
interactie tussen individu en omgeving. Theorie onderscheidt een aantal
systeemniveaus.
Niveau 1: microsystemen – groepen waar het kind zelf deel van uitmaakt (gezin,
school, sportclub, vriendengroep). Het gaat in een microsysteem niet alleen om
activiteiten, rollen en relaties van individu maar ook om materiele kenmerken van
die situatie en de wijze waarop het kind dit ervaart. Microsystemen zijn
proximaal: liggen dichtbij het kind
Niveau 2: mesosystemen – de relaties die de diverse microsystemen waar het
kind deel van uitmaakt met elkaar hebben. Contact ouder en docent bijv
Niveau 3: exosystemen – kind neemt hier niet direct aan deel, maar wordt er wel
door beinvloedt. Meer distaal te noemen. Bijv. werk van ouders, rechtsysteem,
sociale voorzieningen
Niveau 4: macrosysteem- relaties tussen de exosystemen. Culturele elementen
van land/regio. Meest distaal en het traagst veranderend
Niveau 5: tijd – chronosysteem: periode en tijdperk waarin het kind opgroeit.
2. Gezinstherapeutische theorieën
- structurele gezinstherapie: het gezin is een zichzelf organiserend en steeds
veranderend systeem, met een hierarchie, subsystemen (ouders en kinderen) en
partiele systemen (bijv. een vader-zoonrelatie). Grenzen tussen die subsystemen
kunnen door omstandigheden vervormd raken, bijv. door parentificatie.
- Watzlawick: onderscheid is meer afkomstig tussen inhouds- en
betrekkingsniveau van communicatie: tegenstrijdigheden kunnen daarin een bron
van grote stress zijn
- contextuele therapie: benadrukt rol van loyaliteit van kinderen naar hun ouders