Kirsten Uitdewilligen, 2024
Landscape Geography
College 2; Introductie historische geografie deel 1.
11 maart 2024
Diachroon – vergelijkend onderzoek door de tijd.
Historische geografie: bestudeert hoe het cultuurlandschap en de elementen en
structuren daarin tot stand zijn gekomen onder invloed van menselijk handelen.
‘Landscape’ means an area, as perceived by people, whose character is the result of
the action and interaction of natural and human factors.
Natuurlandschap: nadruk op landschap als gevolg van natuurlijke factoren.
Economisch landschap: nadruk op economische processen.
Sociaal landschap: sociale en culturele factoren staan centraal.
Door menselijke invloed verandert een natuurlandschap in een cultuurlandschap.
Retrospectief: verklaren van het huidige cultuurlandschap vanuit de
ontstaansgeschiedenis.
Retrogressief: het reconstrueren van een cultuurlandschap op een specifiek moment
in de geschiedenis.
Chronologisch: van verleden naar heden.
Vakgebieden van landschapsonderzoek.
- Fysische geografie; reconstructie van het landschap op een bepaald moment
in de tijd, kennis over de voormalige leefwereld.
- Paleo-ecologie; vergaren van inzicht in de relatie mens-vegetatie in het
verleden.
o Palynologie – stuifmeelmonsters uit venen, microscopische analyse.
- Archeologie; onderzoekt menselijk gedrag in het verleden, opgravingen.
- Historische geografie; klassieke bronnen, oorkonden, oude kaarten,
luchtfoto’s.
- Bouwhistorie; inzicht in ouderdom van een gebouw, stijlkenmerken,
dendrologie (= jaarringen hout).
College 3; Biodiversiteit & interacties.
11 maart 2024
Biodiversiteit:
- Genetische diversiteit binnen een soort.
- Taxonomische diversiteit binnen een gebied.
- Functionele diversiteit binnen een ecosysteem.
- Diversiteit van ecosystemen.
Wet van Darlington: S = CAZ
S – aantal soorten.
A – oppervlakte.
C – constante (soorten per oppervlakte).
Z – helling.
,Kirsten Uitdewilligen, 2024
Oorzaken uitsterven:
- Toename van mensenpopulatie.
- Habitatverlies.
- Fragmentatie.
- Verdroging, vermesting, verzuring en vervuiling.
- Klimaatverandering.
Competitie: interactie tussen individuen waas geen van beide voordeel bij heeft.
Exploitatie competitie: voedsel wat wordt gegeten door de één, is niet meer
beschikbaar voor de ander.
Herbivorie:
- Afweer door stekels of gifstoffen.
- Kan niet-eetbare soorten stimuleren.
- Kan eetbare soorten elimineren.
- Kan plandiversiteit bepalen.
- Kan successie afremmen.
Predatie:
- Verlies van soorten.
- Toename van biomassa.
Bottom-up: bodemvruchtbaarheid bepaalt plantenbiomassa en dat bepaalt de
aantallen herbivoren en predatoren.
Top-down: predatoren reduceren herbivoren en daarmee ‘bevrijden’ ze de planten.
College 4; Introductie water.
12 maart 2024
Uitdagingen zeespiegelstijging: kustbescherming, afvoer rivierwater, verzilting.
Water uit de rivieren kan niet in de zee stromen.
Gradiënt – daling waterpeil per eenheid van rivierlengte.
Stroomsnelheid – snelheid rivierwater in m sec-1.
Profiel – grootte en vorm van het rivierbed.
, Kirsten Uitdewilligen, 2024
Hoog Nederland = steile gradiënt, hoge stroomsnelheid, klein profiel, erosie.
Laag Nederland = kleine gradiënt, lage stroomsnelheid, groot profiel, sedimentatie.
Impact zware neerslag op het rioolsysteem:
- Onvoldoende transport capaciteit.
- Water stroomt uit putten.
- Ophoping van water in laaggelegen gebieden.
College 5; Introductie historische geografie deel 2.
12 maart 2024
Klassieke bronnen van Griekse of Romeinse schrijvers.
- Bijvoorbeeld het werk ‘Germania’ van Romeinse schrijver Tacitus, over een
veldslag in Nederlands gebied.
Archiefstukken: vooral over de elite of overheden -> vertekend, niet geheel waar
beeld.
- Bijvoorbeeld conflicten die worden vastgelegd in de archieven, kunnen
subjectief genoteerd zijn.
- Bijvoorbeeld een es: stuk akkergrond, opgehoogd door bemesting, eigendom
van individuele families -> overgedragen van generatie op generatie.
Oude kaarten dateren van na de middeleeuwen, verschillen in nauwkeurigheid.
- Hoe jonger de kaart, hoe accurater.
- In manuscriptkaarten werden conflicten toegelicht.
- Bijvoorbeeld een meting van de adressen van inwoners, zodat belasting geïnd
kon worden.
Crop marks: door de begroeiing van een gebied kun je zien wat de ondergrond is,
vaak goed zichtbaar in een luchtfoto.
Plaats- en veldnamen zeggen iets over;
- De ouderdom en gebruik van het gebied.
- Menselijke activiteit.
- Het karakter van het landschap.
De ouderdom van een naam kun je afleiden van de oudste vermelding en het
naamtype.
Bouwhistorie: ga uit van het hedendaagse landschap en de structuren die er nog zijn.
- Kijk naar stijl- en constructiekenmerken, archeologie of historische
vermeldingen.
- Dendrologie kijkt naar de jaarringen in hout.
Waarom veranderen landschappen?
- Veranderende behoeften van mensen.
- Abiotische en biotische processen (storm, grazende dieren,
klimaatverandering).
- Platentektoniek (historisch).
Landscape Geography
College 2; Introductie historische geografie deel 1.
11 maart 2024
Diachroon – vergelijkend onderzoek door de tijd.
Historische geografie: bestudeert hoe het cultuurlandschap en de elementen en
structuren daarin tot stand zijn gekomen onder invloed van menselijk handelen.
‘Landscape’ means an area, as perceived by people, whose character is the result of
the action and interaction of natural and human factors.
Natuurlandschap: nadruk op landschap als gevolg van natuurlijke factoren.
Economisch landschap: nadruk op economische processen.
Sociaal landschap: sociale en culturele factoren staan centraal.
Door menselijke invloed verandert een natuurlandschap in een cultuurlandschap.
Retrospectief: verklaren van het huidige cultuurlandschap vanuit de
ontstaansgeschiedenis.
Retrogressief: het reconstrueren van een cultuurlandschap op een specifiek moment
in de geschiedenis.
Chronologisch: van verleden naar heden.
Vakgebieden van landschapsonderzoek.
- Fysische geografie; reconstructie van het landschap op een bepaald moment
in de tijd, kennis over de voormalige leefwereld.
- Paleo-ecologie; vergaren van inzicht in de relatie mens-vegetatie in het
verleden.
o Palynologie – stuifmeelmonsters uit venen, microscopische analyse.
- Archeologie; onderzoekt menselijk gedrag in het verleden, opgravingen.
- Historische geografie; klassieke bronnen, oorkonden, oude kaarten,
luchtfoto’s.
- Bouwhistorie; inzicht in ouderdom van een gebouw, stijlkenmerken,
dendrologie (= jaarringen hout).
College 3; Biodiversiteit & interacties.
11 maart 2024
Biodiversiteit:
- Genetische diversiteit binnen een soort.
- Taxonomische diversiteit binnen een gebied.
- Functionele diversiteit binnen een ecosysteem.
- Diversiteit van ecosystemen.
Wet van Darlington: S = CAZ
S – aantal soorten.
A – oppervlakte.
C – constante (soorten per oppervlakte).
Z – helling.
,Kirsten Uitdewilligen, 2024
Oorzaken uitsterven:
- Toename van mensenpopulatie.
- Habitatverlies.
- Fragmentatie.
- Verdroging, vermesting, verzuring en vervuiling.
- Klimaatverandering.
Competitie: interactie tussen individuen waas geen van beide voordeel bij heeft.
Exploitatie competitie: voedsel wat wordt gegeten door de één, is niet meer
beschikbaar voor de ander.
Herbivorie:
- Afweer door stekels of gifstoffen.
- Kan niet-eetbare soorten stimuleren.
- Kan eetbare soorten elimineren.
- Kan plandiversiteit bepalen.
- Kan successie afremmen.
Predatie:
- Verlies van soorten.
- Toename van biomassa.
Bottom-up: bodemvruchtbaarheid bepaalt plantenbiomassa en dat bepaalt de
aantallen herbivoren en predatoren.
Top-down: predatoren reduceren herbivoren en daarmee ‘bevrijden’ ze de planten.
College 4; Introductie water.
12 maart 2024
Uitdagingen zeespiegelstijging: kustbescherming, afvoer rivierwater, verzilting.
Water uit de rivieren kan niet in de zee stromen.
Gradiënt – daling waterpeil per eenheid van rivierlengte.
Stroomsnelheid – snelheid rivierwater in m sec-1.
Profiel – grootte en vorm van het rivierbed.
, Kirsten Uitdewilligen, 2024
Hoog Nederland = steile gradiënt, hoge stroomsnelheid, klein profiel, erosie.
Laag Nederland = kleine gradiënt, lage stroomsnelheid, groot profiel, sedimentatie.
Impact zware neerslag op het rioolsysteem:
- Onvoldoende transport capaciteit.
- Water stroomt uit putten.
- Ophoping van water in laaggelegen gebieden.
College 5; Introductie historische geografie deel 2.
12 maart 2024
Klassieke bronnen van Griekse of Romeinse schrijvers.
- Bijvoorbeeld het werk ‘Germania’ van Romeinse schrijver Tacitus, over een
veldslag in Nederlands gebied.
Archiefstukken: vooral over de elite of overheden -> vertekend, niet geheel waar
beeld.
- Bijvoorbeeld conflicten die worden vastgelegd in de archieven, kunnen
subjectief genoteerd zijn.
- Bijvoorbeeld een es: stuk akkergrond, opgehoogd door bemesting, eigendom
van individuele families -> overgedragen van generatie op generatie.
Oude kaarten dateren van na de middeleeuwen, verschillen in nauwkeurigheid.
- Hoe jonger de kaart, hoe accurater.
- In manuscriptkaarten werden conflicten toegelicht.
- Bijvoorbeeld een meting van de adressen van inwoners, zodat belasting geïnd
kon worden.
Crop marks: door de begroeiing van een gebied kun je zien wat de ondergrond is,
vaak goed zichtbaar in een luchtfoto.
Plaats- en veldnamen zeggen iets over;
- De ouderdom en gebruik van het gebied.
- Menselijke activiteit.
- Het karakter van het landschap.
De ouderdom van een naam kun je afleiden van de oudste vermelding en het
naamtype.
Bouwhistorie: ga uit van het hedendaagse landschap en de structuren die er nog zijn.
- Kijk naar stijl- en constructiekenmerken, archeologie of historische
vermeldingen.
- Dendrologie kijkt naar de jaarringen in hout.
Waarom veranderen landschappen?
- Veranderende behoeften van mensen.
- Abiotische en biotische processen (storm, grazende dieren,
klimaatverandering).
- Platentektoniek (historisch).