Kirsten Uitdewilligen, 2024
Geo-information Science for Planning and Design
Week 1
College 1-2; introductie GIS
Maandag 13 mei 2024
Geo-informatie, alle informatie die een locatie heeft.
Geo-information systems – 5 componenten:
- Mensen
- Software
- Data
- Procedure
- Hardware (computers, etc.)
Geo-data aan de basis van de 5 M’s:
1. Mapping.
2. Measurement.
3. Monitoring.
4. Modelling (vergelijken van tijd en ruimte).
5. Management (participatie, scenario’s, feedback).
1. Spatial perception (conceptual).
Wat is wel/niet een fenomeen in mijn onderzoek, en hoe ga ik dat weergeven?
Spatial perception gaat over dingen die belangrijk zijn zoals:
- Definitie
- Level van detail
- Schaal
Doel en context zijn cruciaal.
Discrete fenomenen:
- Thematisch.
- Categorieën die je kunt indelen op
bijvoorbeeld landgebruik.
- Discontinu.
Continue fenomenen:
- De functie van de locatie.
- Zoals bijvoorbeeld de hoogte (het is er altijd).
Virtueel fenomeen:
- Iets wat er wel is, maar wat je niet direct ziet.
- Bijvoorbeeld eigendom van een land, of een gemeente of provincie.
- Grenzen zijn er wel, maar die voel je niet altijd.
Tangible fenomeen:
- Iets wat je direct kunt zien/aanraken (je kunt er echt tegenaan lopen).
,Kirsten Uitdewilligen, 2024
2. Spatial representation (formalized).
Beschrijf de data op een bepaalde manier.
Formele beschrijving van de waargenomen fenomenen die onderwerp zijn van
wetenschappelijk onderzoekwn.
Continu -> fields -> locatie bepaalt functie.
Discreet -> objecten -> grens bepaalt functie.
3. Geometric data structure (geometric formalization).
Hoe zet ik de omschreven data naar een computerprogramma?
Vector data model (aangeven in kaarten):
- Punt – 0 dimensies, locatie.
- Lijn – 1 dimensie, locatie, lengte, vorm (wegen, waterwegen).
- Oppervlakte – 2 dimensies, locatie, lengte, vorm (percelen, wateroppervlakken).
In Arcgis: punt = point, lijn = polyline, oppervlakte = polygon.
Raster data model (cellen/rasters in kaarten):
- Punt – 1 cel.
- Lijn – opvolging van cellen naast elkaar.
- Oppervlakte – groep cellen bij elkaar.
Omschrijven van de realiteit: thematisch (wat?), geometrisch (waar?), temporaal
(wanneer?).
College 3-4; Real world into geodata.
Dinsdag 14 mei 2024
4. Geo-spatial database (operational).
Locatie en coördinatie.
Topologie: ruimtelijke relatie tussen
objecten.
Kadaster – houdt bij welk land van wie is.
Een shapefile heeft geen topologie.
Gehele tabel in ArcGis = entity.
Attributen = velden.
, Kirsten Uitdewilligen, 2024
Kwalitatieve data – kun je op een manier beschrijven.
- Nominale data: verschil tussen verschillende data, geen rangorde (zoals
landgebruik).
- Ordinale data: verschil in belang van verschillende data, bepaalde rangorde.
Kwantitatieve data – alles met getallen.
- Interval: afstand, kan negatieve getallen bevatten
- Ratio: absolute nulwaarde
Relational data model: op basis van de unieke waarden van attributen kun je
verschillende tabellen aan elkaar plakken.
- Join – permanent,
- Relate – tijdelijk, meerdere attributen koppelen aan 1 attribuut van een andere
tabel.
- Merge – permanent, structuur van tabellen moet precies hetzelfde zijn.
In een raster zit geen topologie, iedere cel is al anders.
- Integer raster: nominaal, ordinaal = kwalitatief; verschillende rasters worden
opgeslagen als getallen die een beschrijving meegeven = value attribute table.
- Floating point raster: interval, ratio = kwantitatief; zo veel unieke waarden, er kan
geen value attribute table gemaakt worden.
Je ID/unique identifier moet uniek zijn, er kunnen geen dubbele waarden in staan (zoals
meerdere keren het getal 2, dan is het niet meer uniek).
Geo-data acquisition.
1. Welke data heb ik nodig?
2. Hoe kan ik aan deze data komen (data framework -> data harvest, data handle)
Basisregistratie: een door de overheid officieel aangewezen registratie met daarin
gegevens die door alle overheidsinstellingen verplicht worden gebruikt bij de uitvoering
van publiekrechtelijke taken.
Omgevingswet: gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen.
Deze nieuwe wet voegt oude wetten samen en bevat regels voor wat er buiten te zien,
horen of ruiken is.
Spatial Data Infrastructure SDI
- Een frame, een serie akkoorden van; standaard, policies, technologieën.
Metadata – beschrijving van de data (data over de data).
- Documenteert de wie, wat, waar, wanneer, hoe en waarom van een databron.
Three-tier architecture: clients, services, data store.
WMS – Web Map Service
PDOK – belangrijkste ingang van Nederlandse data.
Geo-information Science for Planning and Design
Week 1
College 1-2; introductie GIS
Maandag 13 mei 2024
Geo-informatie, alle informatie die een locatie heeft.
Geo-information systems – 5 componenten:
- Mensen
- Software
- Data
- Procedure
- Hardware (computers, etc.)
Geo-data aan de basis van de 5 M’s:
1. Mapping.
2. Measurement.
3. Monitoring.
4. Modelling (vergelijken van tijd en ruimte).
5. Management (participatie, scenario’s, feedback).
1. Spatial perception (conceptual).
Wat is wel/niet een fenomeen in mijn onderzoek, en hoe ga ik dat weergeven?
Spatial perception gaat over dingen die belangrijk zijn zoals:
- Definitie
- Level van detail
- Schaal
Doel en context zijn cruciaal.
Discrete fenomenen:
- Thematisch.
- Categorieën die je kunt indelen op
bijvoorbeeld landgebruik.
- Discontinu.
Continue fenomenen:
- De functie van de locatie.
- Zoals bijvoorbeeld de hoogte (het is er altijd).
Virtueel fenomeen:
- Iets wat er wel is, maar wat je niet direct ziet.
- Bijvoorbeeld eigendom van een land, of een gemeente of provincie.
- Grenzen zijn er wel, maar die voel je niet altijd.
Tangible fenomeen:
- Iets wat je direct kunt zien/aanraken (je kunt er echt tegenaan lopen).
,Kirsten Uitdewilligen, 2024
2. Spatial representation (formalized).
Beschrijf de data op een bepaalde manier.
Formele beschrijving van de waargenomen fenomenen die onderwerp zijn van
wetenschappelijk onderzoekwn.
Continu -> fields -> locatie bepaalt functie.
Discreet -> objecten -> grens bepaalt functie.
3. Geometric data structure (geometric formalization).
Hoe zet ik de omschreven data naar een computerprogramma?
Vector data model (aangeven in kaarten):
- Punt – 0 dimensies, locatie.
- Lijn – 1 dimensie, locatie, lengte, vorm (wegen, waterwegen).
- Oppervlakte – 2 dimensies, locatie, lengte, vorm (percelen, wateroppervlakken).
In Arcgis: punt = point, lijn = polyline, oppervlakte = polygon.
Raster data model (cellen/rasters in kaarten):
- Punt – 1 cel.
- Lijn – opvolging van cellen naast elkaar.
- Oppervlakte – groep cellen bij elkaar.
Omschrijven van de realiteit: thematisch (wat?), geometrisch (waar?), temporaal
(wanneer?).
College 3-4; Real world into geodata.
Dinsdag 14 mei 2024
4. Geo-spatial database (operational).
Locatie en coördinatie.
Topologie: ruimtelijke relatie tussen
objecten.
Kadaster – houdt bij welk land van wie is.
Een shapefile heeft geen topologie.
Gehele tabel in ArcGis = entity.
Attributen = velden.
, Kirsten Uitdewilligen, 2024
Kwalitatieve data – kun je op een manier beschrijven.
- Nominale data: verschil tussen verschillende data, geen rangorde (zoals
landgebruik).
- Ordinale data: verschil in belang van verschillende data, bepaalde rangorde.
Kwantitatieve data – alles met getallen.
- Interval: afstand, kan negatieve getallen bevatten
- Ratio: absolute nulwaarde
Relational data model: op basis van de unieke waarden van attributen kun je
verschillende tabellen aan elkaar plakken.
- Join – permanent,
- Relate – tijdelijk, meerdere attributen koppelen aan 1 attribuut van een andere
tabel.
- Merge – permanent, structuur van tabellen moet precies hetzelfde zijn.
In een raster zit geen topologie, iedere cel is al anders.
- Integer raster: nominaal, ordinaal = kwalitatief; verschillende rasters worden
opgeslagen als getallen die een beschrijving meegeven = value attribute table.
- Floating point raster: interval, ratio = kwantitatief; zo veel unieke waarden, er kan
geen value attribute table gemaakt worden.
Je ID/unique identifier moet uniek zijn, er kunnen geen dubbele waarden in staan (zoals
meerdere keren het getal 2, dan is het niet meer uniek).
Geo-data acquisition.
1. Welke data heb ik nodig?
2. Hoe kan ik aan deze data komen (data framework -> data harvest, data handle)
Basisregistratie: een door de overheid officieel aangewezen registratie met daarin
gegevens die door alle overheidsinstellingen verplicht worden gebruikt bij de uitvoering
van publiekrechtelijke taken.
Omgevingswet: gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen.
Deze nieuwe wet voegt oude wetten samen en bevat regels voor wat er buiten te zien,
horen of ruiken is.
Spatial Data Infrastructure SDI
- Een frame, een serie akkoorden van; standaard, policies, technologieën.
Metadata – beschrijving van de data (data over de data).
- Documenteert de wie, wat, waar, wanneer, hoe en waarom van een databron.
Three-tier architecture: clients, services, data store.
WMS – Web Map Service
PDOK – belangrijkste ingang van Nederlandse data.