De belangrijkste functies:
- Ademhaling = opname van zuurstof en afgifte van koolstofdioxide.
- Bloedsomloop= transport van zuurstof, voedingsstoffen en
afvalstoffen.
- Spijsvertering=afbreken en opnemen van voedingsstoffen.
- Uitscheiding=verwijderen van afvalstoffen via urine, ontlasting en
zweet.
- Beweging= mogelijk gemaakt door spieren en botten.
- Regulatie en aansturing= gereguleerd door het zenuw-en
hormoonstelsel.
- Voortplanting= zorgt voor voortplanting en instandhouding van
soort.
Om deze functies uit te voeren werkt het lichaam met verschillende
organen en stelsels:
- Ademhalingsstelsel longen, luchtwegen en middenrif.
- Bloedvatenstelsel hart, bloedvaten en bloed.
- Spijsverteringsstelsel maag, darmen, lever en alvleesklier.
- Zenuwstelsel hersenen, ruggenmerg en zenuwen.
- Hormoonstelsel hypofyse, schildklier, bijnieren en alvleesklier
- Voortplanting stelsel testikels, eierstokken en baarmoeder.
De organen en stelsels werken samen en worden aangestuurd:
- Het ademhalingsstelsel en de bloedsomloop werken samen om
zuurstof naar de cellen te brengen en koolstofdioxide af te voeren.
- De bloesomloop verbindt alles door zuurstof (via RBC),
voedingsstoffen en hormonen door het lichaam te transporteren.
- Het spijsverteringsstelsel en het bloedvatenstelsel zorgen ervoor dat
voedingsstoffen uit voedsel worden opgenomen en naar cellen
worden gebracht.
- Het uitscheidingsstelsel verwijderd afvalstoffen om het lichaam in
balans te houden.
- Het zenuwstelsel stuurt signalen naar organen en spieren om
functies zoals ademhaling en beweging te coördineren (geleid
elektrische impulsen).
Milieu interieur (interne milieu): Dit verwijst naar de vloeistoffen in en
rondom de cellen (zoals bloed, lymfe, weefselvocht). Het milieu interieur is
belangrijk omdat het de omgeving biedt waarin cellen kunnen
functioneren en metabolische processen kunnen plaatsvinden.
, Milieu exterieur (externe milieu): Dit is alles buiten het lichaam. Het
omvat alles wat we waarnemen, zoals de lucht, voedsel, water en
omgevingsomstandigheden. Het lichaam staat voortdurend in contact met
dit externe milieu, bijvoorbeeld via ademhaling, voeding, en zintuigen.
Water
Water is cruciaal voor het functioneren van het lichaam vanwege de
volgende eigenschappen:
Oplosmiddel: Water is het belangrijkste oplosmiddel in het lichaam.
Het lost zouten, mineralen, eiwitten, en andere stoffen op, wat
noodzakelijk is voor het transport en de chemische reacties die
plaatsvinden in cellen.
Regulatie van temperatuur: Water heeft een hoog specifiek
warmte-vermogen, wat betekent dat het moeilijk is om de
temperatuur van water snel te verhogen of te verlagen. Dit helpt het
lichaam om de temperatuur te reguleren.
Transportfunctie: Water helpt bij het transport van
voedingsstoffen, zuurstof en afvalstoffen door het lichaam via bloed,
lymfe en andere lichaamsvloeistoffen.
Chemische reacties: Water is essentieel voor veel chemische
reacties in het lichaam, zoals enzymreacties en metabolisme, die
nodig zijn voor de opbouw (anabolisme) en afbraak (katabolisme)
van stoffen.
Smeermiddel: Water fungeert als smeermiddel voor gewrichten,
organen, en spieren, waardoor wrijving wordt verminderd en
beweging mogelijk wordt.
Water is essentieel voor het lichaam omdat het cruciaal is voor het
behoud van de gezondheid en overleving. Zonder water kan het lichaam
slechts enkele dagen functioneren. Alle chemische en
stofwisselingsprocessen in het lichaam vereisen een waterige omgeving.
Water speelt een belangrijke rol bij het afvoeren van afvalstoffen uit het
lichaam via urine en zweet, waarbij giftige stoffen effectief worden
uitgescheiden. Daarnaast is water van groot belang voor de spijsvertering,
omdat het helpt bij de afbraak en opname van voedingsstoffen in de
darmen. Kortom, water is onmisbaar voor het goed functioneren van het
lichaam en voor het behoud van een gezonde stofwisseling.
Water in het lichaam is verdeeld over verschillende compartimenten, die
samen zorgen voor een goede werking van cellen en organen. De twee
belangrijkste compartimenten zijn:
- Intracellulaire vloeistof (ruimte): ook wel ICV, is water binnen in de
cellen.
- Extracellulaire vloeistof (ruimte): ook wel ECV, is het water buiten de
cellen verdeeld over verschillende ruimtes.