Onjuiste herhaling (Van patat met veel zout houd ik niet van)
Tautologie (Hij poogt alles te proberen)
Pleaonasme (Witte sneeuw)
Contaminatie (De auto kost duur)
Dubbele ontkenning (Ik heb nooit geen tijd)
Zowel...als
- Als > vergelijking
- Dan > verschil
Zij > onderwerp (Zij hebben gewonnen)
Hun > bezittelijk voornaamwoord of meewerkend voorwerp (Dat is hun huis)
Hen > lijdend voorwerp (Ik heb hen gezien)
Dat > verwijzen naar een zelfstandig naamwoord (Het paard dat in de wei staat)
Wat > na een voornaamwoord (Datgene wat fout gaat)
Te danken aan > positief (Dat goede cijfer heb je te danken aan jezelf)
Te wijten aan > negatief (Dat slechte cijfer heb je te wijten aan jezelf)
Vergeten zijn > niet meer weten (Ik ben zijn naam vergeten)
Vergeten hebben > vergeten te doen (Ik heb vergeten mijn fiets op slot te zetten)
Hij beseft
Hij realiseert zich
Hij ergert zich
Hij irriteert