100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten 4,6 TrustPilot
logo-home
College aantekeningen

Stappenplan alle hoorcolleges inleiding verbintenissenrecht

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
17
Geüpload op
04-04-2025
Geschreven in
2023/2024

In dit document staan de stappen omschreven die bij elke week horen, ook zijn de arresten erin opgenomen. De stof komt allemaal voort uit de hoorcolleges en er is uitgebreid meegeschreven met bijna alles wat de docent zegt. Met deze samenvatting heb ik een mooi cijfer gehaald.

Meer zien Lees minder










Oeps! We kunnen je document nu niet laden. Probeer het nog eens of neem contact op met support.

Documentinformatie

Geüpload op
4 april 2025
Aantal pagina's
17
Geschreven in
2023/2024
Type
College aantekeningen
Docent(en)
Jurie bos
Bevat
Alle colleges

Voorbeeld van de inhoud

Week 2

Bedrog: artikel 3:44 lid 1 jo. lid 3
1. Een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling bewegen.
2. Opzettelijk handelen: de ander willens en wetens misleiden met het oogmerk die
ander tot een rechtshandeling te bewegen door:
• Onjuiste mededeling
• Door het willens en wetens verzwijgen van enig feit.
• Een andere kunstgreep
- Vervalsing van bepaalde documenten of iemand die zogenaamd een
bepaald beroep heeft wat niet zo is.
3. Causaal verband tussen bedrog en verrichten van de rechtshandeling.
• Als wederpartij de ander niet had bedrogen, dan zou de ander de
rechtshandeling niet onder dezelfde voorwaarden hebben verricht.
• Subjectieve toets: zou deze bedrogene de rechtshandeling nog hebben
verricht als we het bedrog van de wederpartij zouden wegdenken?
- Deskundigheid derde kan daartoe een rol spelen.
- Reclame-uiting is op zichzelf nog geen bedrog.
4. Rechtsgevolg indien voldaan aan alle toepassingsvereisten is vernietigbaarheid
van de rechtshandeling volgens lid 1.

Dwaling: artikel 6:228 lid 1 en 2 BW
Startpunt: is er sprake van een overeenkomst conform art. 6:217 lid 1 BW?
1. De dwalende heeft een onjuiste voorstelling van zaken over een of meer essentiële
eigenschappen van de prestatie van de wederpartij.
2. Een causaal verband tussen de onjuiste voorstelling van zaken en het aangaan van
de overeenkomst.
• De dwalende moet de overeenkomst hebben gesloten op grond van het feit
dat hij in dwaling verkeerde.
3. Een van de gevaltypen uit sub a t/m c:
• Onjuiste inlichting (sub a)
• Zwijgen bij mededelingsplicht (sub b)
- Had wederpartij weet van bepaalde feiten? (geen onderzoeksplicht)
- Wist of behoorde de wederpartij te weten dat eigenschap essentieel is
voor de dwalende?
- Had de wederpartij er rekening mee moeten houden dat de dwalende,
dwaalde?
- Mag wederpartij redelijkerwijs veronderstellen dat de deskundige die de
dwalende eventueel bijstaat, de dwalende zal inlichten?
- Brengen maatschappelijke opvattingen met zich mee dat de
wederpartij de dwalende ‘uit de droom moest helpen’?
• Wederzijdse dwaling (sub c)
- Wederpartij ging ook uit van onjuiste veronderstelling en heeft ertoe
geleid dat er een overeenkomst tot stand is gekomen (bijv.
verkopersdwaling).
4. Het kenbaarheidsvereiste (art. 6:228 lid 1 sub a en c)
• Voor de wederpartij was kenbaar dat de omstandigheid waaromtrent werd
gedwaald, voor de dwalende van essentieel belang was.
- Als dat niet kenbaar is voor de wederpartij, kan ‘dwalende’ geen
succesvol beroep doen op dwaling.




5. Verweren op grond van lid 2:

,• De dwaling betreft een uitsluitende toekomstige omstandigheid (zuiver
toekomstige omstandigheid)
- Er wordt gedwaald over feiten die zich nog niet hebben voorgedaan op
het moment dat de overeenkomst wordt aangegaan (bijv. speculatie).
- HR Booy/Wisman: Indien de dwalende hoopt dat zich bepaalde feiten
zullen voordoen en op basis daarvan een overeenkomst sluit en de
feiten zich uiteindelijk niet voordoen, maar de dwalende daar toch
vanuit mocht gaan aangezien de wederpartij de dwalende ervan heeft
verzekerd dat die feiten zich in de toekomst zullen voordoen. In dat
geval is er geen beroep mogelijk op het verweer uit lid 2 door de
wederpartij. Er was geen reden voor Wisman om te twijfelen aan de
mededelingen die zijn gedaan door Booy (Baris & Riezenkamp).
• De dwaling behoort voor rekening van de dwalende te blijven in verband met
de aard van de overeenkomst (dwalingskans verdisconteerd - verkoop kunst),
de in het verkeer geldende opvattingen (verkopersdwaling) of
omstandigheden van het geval (deskundigheid betrokken partijen - verschil) =
onderzoeksplicht dwalende, afwijking van die norm eventueel door:
- Was het feit voor de dwalende eenvoudig te ontdekken?
- Heeft dwalende het redelijkerwijs mogelijke werk verricht om feit boven
water te krijgen?
- Wat is het verschil in deskundigheid van de partijen?

• Kernvraag: ‘Rust er op de dwalende een onderzoeksplicht en weegt deze
zwaarder dan de mededelingsplicht van de wederpartij?’
- Baris/Riezenkamp: Op de dwalende kan een onderzoeksplicht rusten,
maar in de regel mag de dwalende afgaan op de juistheid van de
inlichtingen die de wederpartij heeft gedaan (nader uitgewerkt in
Booy/Wisman).
- Van der Beek/Van Dartel: De mededelingsplicht van de wederpartij
gaat in beginsel voor de eventuele onderzoeksplicht van de dwalende.
- Offringa/Vinck & Van Rosberg: Het enkele feit dat een partij haar
onderzoeksplicht naar bepaalde relevante feiten verzaakt, sluit niet uit
dat de andere partij terzake van diezelfde gegevens alsnog een
mededelingsplicht heeft. Dit strekt ertoe bescherming te bieden aan
onvoorzichtige kopers tegen nadelige gevolgen van dwaling
veroorzaakt door het verzwijgen ban relevante gegevens.

• Dat op dwalende onderzoeksplicht kan rusten, laat onverlet dat de dwalende
in de regel mag afgaan op de juistheid van de door de wederpartij gedane
mededelingen (sub a):
- Baris/Riezenkamp & Booy/Wisman
• De mededelingsplicht van de ene partij, gaat in beginsel voor de eventuele
onderzoeksplicht van de dwalende (sub b):
- Van der Beek/Van Dartel & Offringa/ Vinck & Van Rosberg
• Hoe meer deskundigheid bij de ene partijen, des te minder aanleiding de
mededelingsplicht of onderzoeksplicht van de andere partij zwaarder te laten
wegen.
- Deskundige dwalende v. ondeskundige wederpartij
- Deskundige wederpartij v. ondeskundige dwalende

, Week 3

Bedreiging: artikel 3:44 lid 1 jo. lid 2 BW
1. Een ander met enig nadeel bedreigen
• In persoon of in goed (vermogen) of een bedreiging aan derde van de
bedreigde
2. Bedreiging heeft een onrechtmatig karakter
• Het handelen waarmee wordt gedreigd kan op zichzelf al onrechtmatig zijn
(bijv. dreiging met mishandeling).
• Het handelen op zichzelf kan ook niet onrechtmatig zijn (bijv. aangeven bij de
belastingdienst), maar als B dat doet om A te bewegen tot het sluiten van een
overeenkomst in het voordeel van B dan is dat wel een onrechtmatige
bedreiging.
3. Causaal verband tussen de bedreiging en het verrichten van de rechtshandeling
• Objectieve toetsing: hoe zou een redelijk oordelend mens handelen?
- Het gaat er dus niet om hoe de betreffende persoon met kennis en
ervaring zou handelen.

Misbruik van omstandigheden: artikel 3:44 lid 1 jo. lid 4 BW
1. Er moet sprake zijn van een bijzondere omstandigheid: economische of geestelijke
kwetsbaarheid
• Zie opsomming in lid 4, echter niet limitatief.
2. Causaal verband tussen omstandigheid en verrichten van de rechtshandeling
• Zou A deze rechtshandeling ook hebben verricht wanneer hij niet in de
bijzondere omstandigheid verkeert zoals nu het geval is?
3. De wederpartij bevordert de totstandkoming van de rechtshandeling
• Actieve en passieve handelingen
- Soms al voldoende dat B bepaalde verklaring van A in ontvangst neemt
4. Het kenbaarheidsvereiste
• Weet of behoort B te weten dat de ander door de omstandigheid wordt
bewogen.
5. Wederpartij zou zich, alles afwegende, van het bevorderen van de rechtshandeling
moeten onthouden (maatschappelijke maatstaven):
• Hangt af van alle feiten en omstandigheden van het geval.
• Gezichtspunten aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of dat het geval
is:
- Wat is de aard van de bijzondere omstandigheid waarin de misbruikte
verkeerde? (economisch of geestelijk)
- Op welke wijze heeft misbruiker, misbruik van die omstandigheid
gemaakt? (bijv. geld afgetroggeld of seksueel misbruik)
- Wat is de aard van de verhouding die (al) tussen de misbruiker en
misbruikte bestond? (overwichtspositie: onbekende, gezagsverhouding
of machtsverhouding denk aan werkgever – werknemer of student –
docent)
- Wat is het aard van het nadeel dat de misbruikte lijdt als gevolg van de
rechtshandeling die is verricht? (financieel of fysiek)
• Ameva/Van Rooij: dat er nadeel is geleden, is geen vereiste om succesvol
beroep te kunnen doen op misbruik van omstandigheden.
€8,99
Krijg toegang tot het volledige document:

100% tevredenheidsgarantie
Direct beschikbaar na je betaling
Lees online óf als PDF
Geen vaste maandelijkse kosten

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
lawstudentvu

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
lawstudentvu Vrije Universiteit Amsterdam
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
9 maanden
Aantal volgers
0
Documenten
2
Laatst verkocht
2 maanden geleden

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Veelgestelde vragen