Taalbeschouwing 4b — tijdlijn
Alle taalontwikkelingen op een rijtje
De prehistorie (5000 v. Chr. — 500 n. Chr.)
RWNP
De Oudnederlandse dialecten (500 —1150)
De Middelnederlandse dialecten (1150 —1500)
Vroegnieuwnederlands-het ontstaan van de Nederlandse standaardtaal (1500 —1700)
Nieuwnederlands—cultivering van de schrijftaal (1700 —1900)
Aun
Modernnederlands—emancipatie van spreektaal en opmars taalpolitie (1900 —2000)
Middeleeuwen 500 — 1500
Renaissance 1500 — 1800
Moderne Tijd 1800 —nu
College1 JE + Goumaain
e Factoren taalverandering (interne en externe)
o Extern taalcontact tussen naburige talen, verschillende sociale groepen, jongeren/
ouderen en dialecttaal/ standaardtaal
o dyrveertaalstructuur als uitspraakgemak, efficiëntie, coherentie, vormen moeten
betekenisonderscheidend zijn en nieuwe woorden voor nieuwe dingen
e Van synthetisch naar analytisch
e Indo-Europees
College 2 — Germaans en West-Germaans
e Ontstaan Germaanse taal door:
1. De wet van Grimm
2. De wet van Verner
3. (Klinkerveranderingen)
4. Klemtoon kwam vast te liggen °
e Grammaticale kenmerken Germaans
1. Een sterk synthetische taal op het gebied van verbuiging, maar minder sterk dan het
proto-Indo-Europees.
2. Een sterk synthetische taal op het gebied van vervoeging, maar minder sterk dan het
proto-Indo-Europees.
3. Ontstaan van het bepaald lidwoord
4. Sterke tegenover zwakke verbuiging van adjectieven
5. Sterke tegenover zwakke werkwoorden
e West-Germaans
e De Hoogduitse klankverschuiving
"=" Dt (dag >tag)
= Pp > pf (appel > apfel)
= _P begin van een woord > pf (paard > pferd)
College 3 — Oudnederlands (500-1150 > Middeleeuwen)
e Oudnederlandse tekstfragmenten
1. Een zinnetje uit Lex Salica (8° eeuw)
mT 2 thi (Grimm)
2. Utrechtse doopgelofte (eind 8° eeuw)
=" Geen letter voor de wen de v
e Uuoden (woden)
e Uuercum (wercum)
, = De f aan het begin van woorden wordt later dit tijdperk een v.
3. Drie langere teksten van veel latere datum > Wachtendonckse psalmen 10° eeuw
= Zowel luft als lucht (op heterdaad betrapt)
4. Het eerste literaire zinnetje (1100)
= U in plaats van de v (uogala)
= Uu in plaats van w (uuat > wat & uue > we)
e Oudnederlandse klankveranderingen
1. olof al + dentaal > ou+ dentaal (+/- belangrijk)
2. ft > cht (+/- belangrijk)
3. f wordt stemhebbend aan begin woord (+ belangrijk)
4. r-metathesis (+ belangrijk)
5. Rekking van klinkers in open lettergrepen
6. Auslautverscherping (+ belangrijk)
7. Verzwakking onbeklemtoonde lettergrepen (+ belangrijk)
e Oudnederlandse grammaticale veranderingen
1. Werkwoordsvormen + persoonlijk vnw.
2. Het ontstaan van tweeledige ontkenning + niet
3. Het ontstaan van de voltooide tijden + hebben & zijn
4. Het ontstaan van de toekomende tijd met hulpwerkwoord zullen
College 4 — Middelnederlands (1150-1500 > Middeleeuwen)
e Middelnederlands
Î. Klank wegvallen van -e aan eind van woord
wegvallen van -n aan eind van woord
3. Spelling spellen lange klinkers
verdubbelen medeklinkers
ontstaan van ’t kofschip
4 Woordvormen naamvallen
meervoudsvormen
voornaamwoorden
G. Woordvorming -ig voor een bijv. naamwoord
5 Invloed vreemde talen /f/ vs. /v/ wordt betekenisonderscheidend
eindklemtoon in Franse leenwoorden
6 Zinsbouw inversie
grammaticalisatie van te
College 5 — Vroegnieuwnederlands (1500-1700 > Renaissance)
e Het streven naar een standaardtaal
1) Renaissance
2) Reformatie
3) Nationaal bewustzijn
e Klankverandering in het Vroegnieuwnederlands
1) keuze voorbeschaafde klanken
2) diftongering: beschrijven wat het is als dit verder niet voorkomt
e Spellingsbeginselen
1) beginsel 1: standaarduitspraak
2) beginsel 2: gelijkvormigheid
3) beginsel 3: etymologie
4) beginsel 4: analogie
e Woordvormen
o jij jullieen u
Alle taalontwikkelingen op een rijtje
De prehistorie (5000 v. Chr. — 500 n. Chr.)
RWNP
De Oudnederlandse dialecten (500 —1150)
De Middelnederlandse dialecten (1150 —1500)
Vroegnieuwnederlands-het ontstaan van de Nederlandse standaardtaal (1500 —1700)
Nieuwnederlands—cultivering van de schrijftaal (1700 —1900)
Aun
Modernnederlands—emancipatie van spreektaal en opmars taalpolitie (1900 —2000)
Middeleeuwen 500 — 1500
Renaissance 1500 — 1800
Moderne Tijd 1800 —nu
College1 JE + Goumaain
e Factoren taalverandering (interne en externe)
o Extern taalcontact tussen naburige talen, verschillende sociale groepen, jongeren/
ouderen en dialecttaal/ standaardtaal
o dyrveertaalstructuur als uitspraakgemak, efficiëntie, coherentie, vormen moeten
betekenisonderscheidend zijn en nieuwe woorden voor nieuwe dingen
e Van synthetisch naar analytisch
e Indo-Europees
College 2 — Germaans en West-Germaans
e Ontstaan Germaanse taal door:
1. De wet van Grimm
2. De wet van Verner
3. (Klinkerveranderingen)
4. Klemtoon kwam vast te liggen °
e Grammaticale kenmerken Germaans
1. Een sterk synthetische taal op het gebied van verbuiging, maar minder sterk dan het
proto-Indo-Europees.
2. Een sterk synthetische taal op het gebied van vervoeging, maar minder sterk dan het
proto-Indo-Europees.
3. Ontstaan van het bepaald lidwoord
4. Sterke tegenover zwakke verbuiging van adjectieven
5. Sterke tegenover zwakke werkwoorden
e West-Germaans
e De Hoogduitse klankverschuiving
"=" Dt (dag >tag)
= Pp > pf (appel > apfel)
= _P begin van een woord > pf (paard > pferd)
College 3 — Oudnederlands (500-1150 > Middeleeuwen)
e Oudnederlandse tekstfragmenten
1. Een zinnetje uit Lex Salica (8° eeuw)
mT 2 thi (Grimm)
2. Utrechtse doopgelofte (eind 8° eeuw)
=" Geen letter voor de wen de v
e Uuoden (woden)
e Uuercum (wercum)
, = De f aan het begin van woorden wordt later dit tijdperk een v.
3. Drie langere teksten van veel latere datum > Wachtendonckse psalmen 10° eeuw
= Zowel luft als lucht (op heterdaad betrapt)
4. Het eerste literaire zinnetje (1100)
= U in plaats van de v (uogala)
= Uu in plaats van w (uuat > wat & uue > we)
e Oudnederlandse klankveranderingen
1. olof al + dentaal > ou+ dentaal (+/- belangrijk)
2. ft > cht (+/- belangrijk)
3. f wordt stemhebbend aan begin woord (+ belangrijk)
4. r-metathesis (+ belangrijk)
5. Rekking van klinkers in open lettergrepen
6. Auslautverscherping (+ belangrijk)
7. Verzwakking onbeklemtoonde lettergrepen (+ belangrijk)
e Oudnederlandse grammaticale veranderingen
1. Werkwoordsvormen + persoonlijk vnw.
2. Het ontstaan van tweeledige ontkenning + niet
3. Het ontstaan van de voltooide tijden + hebben & zijn
4. Het ontstaan van de toekomende tijd met hulpwerkwoord zullen
College 4 — Middelnederlands (1150-1500 > Middeleeuwen)
e Middelnederlands
Î. Klank wegvallen van -e aan eind van woord
wegvallen van -n aan eind van woord
3. Spelling spellen lange klinkers
verdubbelen medeklinkers
ontstaan van ’t kofschip
4 Woordvormen naamvallen
meervoudsvormen
voornaamwoorden
G. Woordvorming -ig voor een bijv. naamwoord
5 Invloed vreemde talen /f/ vs. /v/ wordt betekenisonderscheidend
eindklemtoon in Franse leenwoorden
6 Zinsbouw inversie
grammaticalisatie van te
College 5 — Vroegnieuwnederlands (1500-1700 > Renaissance)
e Het streven naar een standaardtaal
1) Renaissance
2) Reformatie
3) Nationaal bewustzijn
e Klankverandering in het Vroegnieuwnederlands
1) keuze voorbeschaafde klanken
2) diftongering: beschrijven wat het is als dit verder niet voorkomt
e Spellingsbeginselen
1) beginsel 1: standaarduitspraak
2) beginsel 2: gelijkvormigheid
3) beginsel 3: etymologie
4) beginsel 4: analogie
e Woordvormen
o jij jullieen u