1
Literatuur week 1.
Schunk, D. (2012): Learning Theories
Leren: blijvende verandering in gedrag als resultaat van oefening of een andere vorm van ervaring.
Criteria van leren:
Leren houdt verandering In gedrag of in vermogen tot gedrag. Mensen leren wanneer ze in staat
in. zijn om iets anders te doen.
Leren is duurzaam in de Dit sluit tijdelijke gedragsveranderingen uit die worden veroorzaakt
tijd. door externe factoren.
Leren vindt plaats door Dit sluit erfelijke gedragsverandering uit.
ervaring.
Inferentieel: leren wordt indirect beoordeeld via de resultaten en de producten ervan.
Beoordeling: een formele manier om de status van studenten te bepalen op educatieve variabelen.
- Directe observaties: effectief wanneer het gedrag duidelijk is en weinig interpretatie vereist.
Maar mist misschien onderliggende processen. Daarnaast betekent afwezigheid van gedrag
niet per se dat er geen leren plaatsvindt.
- Schriftelijke reacties: testen en opdrachten. Zijn effectief en breed inzetbaar, maar prestaties
kunnen beïnvloed worden door externe factoren.
- Mondelinge reacties: antwoorden op vragen. Geven inzicht in begrip, maar kunnen beïnvloed
worden door spreekangst of taalproblemen.
- Beoordeling door anderen: leraren of ouders bieden objectiviteit en inzicht in leerprocessen.
- Zelfrapportages: vragenlijst of interviews. Geeft direct inzicht in gedachten en motivaties,
maar kan leiden tot sociaal wenselijke antwoorden.
Epistemologie: de studie van de oorsprong, aard, grenzen en methoden van kennis.
- Hoe kunnen we weten?
- Hoe kunnen we iets nieuws leren?
- Wat is de bron van kennis?
Relationisme: kennis komt voort uit rede, zonder afhankelijk te zijn van de zintuigen. Mensen
vertrouwen niet alleen op wat ze zien, horen of voelen, maar kunnen door logisch nadenken tot
diepere inzichten komen.
Plato: maakt onderscheid tussen de twee manieren waarop mensen kennis verwerven:
1. Kennis via zintuigen: is onbetrouwbaar omdat de wereld voortdurend verandert.
2. Kennis via rede: is de ware kennis.
René Descartes: methode van systematische twijfel: "Ik denk, dus ik ben.”
Empirisme: ervaring is de enige bron van kennis.
,2
Aristoteles: geloofde dat onze geest indrukken uit de buitenwereld verwerkt en ordent. De fysieke
wereld is de bron van alle kennis.
John Locke: stelde dat de menselijke geest bij de geboorte een tabula rasa is. Er zijn geen
aangeboren ideeën kennis wordt verworven door ervaring.
1. Zintuigelijke indrukken: van de externe wereld.
2. Reflecties op deze indrukken: waarbij de geest ideeën combineert en verwerkt.
Structuralisme: geloofden dat het menselijk bewustzijn wetenschappelijk onderzocht kon worden en
richtten zich op de structuur van mentale processen combinatie van associationisme en
experimenteel onderzoek.
Belangrijkste onderzoeksmethode binnen structuralisme introspectie: vorm van zelfanalyse waarbij
proefpersonen hun directe ervaringen met objecten of gebeurtenissen rapporteerden.
- Methode bleek onbetrouwbaar en negeerde hogere cognitieve processen.
- Kritiek droeg bij aan de opkomst van het behaviorisme.
Functionalisme: benadrukt dat mentale processen organismen helpen aanpassen aan hun omgeving.
- Bewustzijn werd beschouwd als een continu proces.
- Geen verzameling losse elementen.
- Werd beïnvloed door evolutietheorie.
Theorieën: bieden een wetenschappelijk onderbouwd kader om observaties te interpreteren en
onderzoek met de praktijk te verbinden. Theorieën en onderzoek zijn essentieel voor het begrijpen
van leren.
Soorten onderzoek:
- Correlationeel onderzoek: onderzoekt relaties tussen variabelen. Hoewel het verbanden kan
identificeren, kan het geen oorzakelijke relaties vaststellen.
- Experimenteel onderzoek: manipuleert variabelen om oorzaak-gevolgrelaties te bepalen.
Hoewel het inzicht kan bieden in oorzaken is het vaak beperkt.
- Kwalitatief onderzoek: richt zich op diepgaande beschrijvingen en interpretaties van
gebeurtenissen. Het biedt rijke data, maar is minder generaliseerbaar en tijdrovend.
- Laboratoriumonderzoek: biedt controle over storende factoren.
- Veldonderzoek: is realistischer en maakt resultaten beter generaliseerbaar.
Leertheorie en onderwijspraktijk worden vaak als afzonderlijk gezien, maar in feite zouden ze elkaar
moeten aanvullen. Geen van beide is voldoende om goed lesgeven en leren te garanderen.
Theorie en praktijk helpen elkaar te verfijnen.
- Theorie alleen kan het belang van situationele factoren niet volledig vastleggen.
- Praktische ervaring zonder theorie is situationeel specifiek en mist een overkoepelend kader
om kennis van lesgeven en leren te organiseren.
Gedragstheorieën: verklaren leren in termen van waarneembare gebeurtenissen.
Cognitieve theorieën: houden rekening met cognities, overtuigingen, waarden en affecten.
,3
Newton et al. (2020): The Case for Pragmatic Evidence-Based Higher Education: A Useful Way
Forward?
Evidence-Based: benaderingen waarbij beslissingen worden genomen op basis van het best
beschikbare bewijs. Dit in combinatie met professionele expertise en de behoeften van
belanghebbende.
In het hoger onderwijs wordt een vergelijkbare aanpak voorgesteld, waarbij onderwijs beslissingen
worden gebaseerd op empirisch bewijs, praktijkervaring en de specifieke context van docenten en
studenten.
Het toepassen van evidence-based praktijken in het hoger onderwijs stuit op diverse uitdagingen:
Complexiteit en variabiliteit van onderwijs contexten:
- Onderwijsinstellingen verschillen van elkaar in studentensamenstelling, onderwijscultuur,
beschikbare middelen en beleidsstructuren.
- Wat in de ene onderwijscontext werkt is niet direct overdraagbaar naar een andere
onderwijscontext.
Toegankelijkheid van onderzoek:
- Docenten en beleidsmakers hebben vaak niet direct toegang tot relevante en actuele
onderwijsonderzoeken.
- Veel docenten baseren hun onderwijspraktijk eerder op ervaring en intuïtie dan op
wetenschappelijke bevindingen.
Weerstand tegen verandering:
- In veel onderwijsinstellingen zijn traditionele onderwijsmethoden diepgeworteld en wordt
verandering als een uitdaging ervaren.
- Er is soms een kloof tussen onderzoekers en onderwijspraktijk, waarbij wetenschappelijk
onderzoek als niet direct relevant of toepasbaar wordt beschouwd.
Gebrek aan ondersteuning en middelen:
- Toepassen van evidence-based onderwijspraktijken vereist tijd, middelen en training.
Pragmatische benadering: een aanpak waarbij de focus ligt op praktische bruikbaarheid en
effectiviteit, in plaats van vasthouden aan theorie of abstracte principes. Het draait om het vinden
van de beste oplossing binnen een specifieke context, waarbij flexibiliteit en aanpassing centraal
staan.
Contextualisatie. Aanpassen van onderzoek evidentie aan de specifieke omstandigheden en
behoeften van een onderwijsinstelling.
Samenwerking. Bevorderen van samenwerking tussen onderzoekers en praktijkmensen om
relevante en toepasbare kennis te creëren.
Continue Regelmatig evalueren en bijstellen van praktijken op basis van feedback en
reflectie. nieuwe inzichten.
, 4
Door een pragmatische benadering van evidence-based onderwijs te hanteren, kunnen instellingen
voor hoger onderwijs beter inspelen op de unieke uitdagingen van hun specifieke contexten.
Voordelen van pragmatische benadering:
Verhoogde Door onderwijs beslissingen te baseren op empirisch bewijs en
onderwijskwaliteit. praktijkervaring, kunnen instellingen effectiever inspelen op de
leerbehoeften van studenten.
Professionele Docenten krijgen de kans om zich continu te verbeteren en
ontwikkeling docenten. innovatieve onderwijsstrategieën te implementeren.
Betere student Studenten profiteren van beter onderbouwde en effectieve
resultaten. onderwijspraktijken, wat hun leerervaring en prestaties verbetert.
Samenwerking Onderwijsinstellingen kunnen een brug slaan tussen de academische
onderzoek en praktijk. wereld en de onderwijspraktijk, wat leidt tot meer relevant en
bruikbaar onderwijsonderzoek.
Slavin, R. E. (2002). Evidence Based Education Policies: Transforming Educational Practice and
Research.
Het onderwijs loopt achter op andere wetenschappelijke disciplines. Hoewel er veel kennis over
effectief onderwijs, wordt deze bijna nooit toegepast.
- Veel onderzoek naar onderwijs experimenten zijn vaak theoretisch en kortlopend.
- Weinig praktische toepassing.
- De impact van onderwijsonderzoek op onderwijspraktijk is beperkt.
Er is nu meer aandacht voor wetenschappelijk onderbouwde hervormingen in het onderwijsbeleid.
Als nieuw onderzoek succesvol is kan dit een opwaartse spiraal veroorzaken meer onderzoek leidt
tot succesvolle programma’s meer financiering van effectieve onderwijsprogramma’s.
- Onderwijsonderzoek moet zich richten op herhaalbare en grootschalige programma’s.
- Deze helpen beleidsmakers bij hun beslissingen.
- Alleen gerandomiseerde experimenten leveren voldoende bewijs om onderwijsinterventies
te evalueren en bias te vermijden duur en complex.
Niet-experimenteel onderzoek: correlatie- en beschrijvend onderzoek. Is waardevol voor het
identificeren van variabelen en het ontwikkelen van theorieën.
Experimenteel onderzoek: noodzakelijk voor het bepalen van effectieve onderwijsprogramma’s en
beleid.
Ondanks het belang van evidence-based beleid is er vaak weerstand tegen grondig onderzoek.
- Onderzoekers kunnen het oneens zijn over interpretaties twijfel.
- Belangrijk dat een onafhankelijke commissie regelmatig onderzoek beoordeeld en consensus
bereiken over onderwijsstrategieën.
- Scholen moeten niet zomaar evidence-based programma’s toepassen, maar zorgen voor een
goede uitvoering in hun specifieke context.
Literatuur week 1.
Schunk, D. (2012): Learning Theories
Leren: blijvende verandering in gedrag als resultaat van oefening of een andere vorm van ervaring.
Criteria van leren:
Leren houdt verandering In gedrag of in vermogen tot gedrag. Mensen leren wanneer ze in staat
in. zijn om iets anders te doen.
Leren is duurzaam in de Dit sluit tijdelijke gedragsveranderingen uit die worden veroorzaakt
tijd. door externe factoren.
Leren vindt plaats door Dit sluit erfelijke gedragsverandering uit.
ervaring.
Inferentieel: leren wordt indirect beoordeeld via de resultaten en de producten ervan.
Beoordeling: een formele manier om de status van studenten te bepalen op educatieve variabelen.
- Directe observaties: effectief wanneer het gedrag duidelijk is en weinig interpretatie vereist.
Maar mist misschien onderliggende processen. Daarnaast betekent afwezigheid van gedrag
niet per se dat er geen leren plaatsvindt.
- Schriftelijke reacties: testen en opdrachten. Zijn effectief en breed inzetbaar, maar prestaties
kunnen beïnvloed worden door externe factoren.
- Mondelinge reacties: antwoorden op vragen. Geven inzicht in begrip, maar kunnen beïnvloed
worden door spreekangst of taalproblemen.
- Beoordeling door anderen: leraren of ouders bieden objectiviteit en inzicht in leerprocessen.
- Zelfrapportages: vragenlijst of interviews. Geeft direct inzicht in gedachten en motivaties,
maar kan leiden tot sociaal wenselijke antwoorden.
Epistemologie: de studie van de oorsprong, aard, grenzen en methoden van kennis.
- Hoe kunnen we weten?
- Hoe kunnen we iets nieuws leren?
- Wat is de bron van kennis?
Relationisme: kennis komt voort uit rede, zonder afhankelijk te zijn van de zintuigen. Mensen
vertrouwen niet alleen op wat ze zien, horen of voelen, maar kunnen door logisch nadenken tot
diepere inzichten komen.
Plato: maakt onderscheid tussen de twee manieren waarop mensen kennis verwerven:
1. Kennis via zintuigen: is onbetrouwbaar omdat de wereld voortdurend verandert.
2. Kennis via rede: is de ware kennis.
René Descartes: methode van systematische twijfel: "Ik denk, dus ik ben.”
Empirisme: ervaring is de enige bron van kennis.
,2
Aristoteles: geloofde dat onze geest indrukken uit de buitenwereld verwerkt en ordent. De fysieke
wereld is de bron van alle kennis.
John Locke: stelde dat de menselijke geest bij de geboorte een tabula rasa is. Er zijn geen
aangeboren ideeën kennis wordt verworven door ervaring.
1. Zintuigelijke indrukken: van de externe wereld.
2. Reflecties op deze indrukken: waarbij de geest ideeën combineert en verwerkt.
Structuralisme: geloofden dat het menselijk bewustzijn wetenschappelijk onderzocht kon worden en
richtten zich op de structuur van mentale processen combinatie van associationisme en
experimenteel onderzoek.
Belangrijkste onderzoeksmethode binnen structuralisme introspectie: vorm van zelfanalyse waarbij
proefpersonen hun directe ervaringen met objecten of gebeurtenissen rapporteerden.
- Methode bleek onbetrouwbaar en negeerde hogere cognitieve processen.
- Kritiek droeg bij aan de opkomst van het behaviorisme.
Functionalisme: benadrukt dat mentale processen organismen helpen aanpassen aan hun omgeving.
- Bewustzijn werd beschouwd als een continu proces.
- Geen verzameling losse elementen.
- Werd beïnvloed door evolutietheorie.
Theorieën: bieden een wetenschappelijk onderbouwd kader om observaties te interpreteren en
onderzoek met de praktijk te verbinden. Theorieën en onderzoek zijn essentieel voor het begrijpen
van leren.
Soorten onderzoek:
- Correlationeel onderzoek: onderzoekt relaties tussen variabelen. Hoewel het verbanden kan
identificeren, kan het geen oorzakelijke relaties vaststellen.
- Experimenteel onderzoek: manipuleert variabelen om oorzaak-gevolgrelaties te bepalen.
Hoewel het inzicht kan bieden in oorzaken is het vaak beperkt.
- Kwalitatief onderzoek: richt zich op diepgaande beschrijvingen en interpretaties van
gebeurtenissen. Het biedt rijke data, maar is minder generaliseerbaar en tijdrovend.
- Laboratoriumonderzoek: biedt controle over storende factoren.
- Veldonderzoek: is realistischer en maakt resultaten beter generaliseerbaar.
Leertheorie en onderwijspraktijk worden vaak als afzonderlijk gezien, maar in feite zouden ze elkaar
moeten aanvullen. Geen van beide is voldoende om goed lesgeven en leren te garanderen.
Theorie en praktijk helpen elkaar te verfijnen.
- Theorie alleen kan het belang van situationele factoren niet volledig vastleggen.
- Praktische ervaring zonder theorie is situationeel specifiek en mist een overkoepelend kader
om kennis van lesgeven en leren te organiseren.
Gedragstheorieën: verklaren leren in termen van waarneembare gebeurtenissen.
Cognitieve theorieën: houden rekening met cognities, overtuigingen, waarden en affecten.
,3
Newton et al. (2020): The Case for Pragmatic Evidence-Based Higher Education: A Useful Way
Forward?
Evidence-Based: benaderingen waarbij beslissingen worden genomen op basis van het best
beschikbare bewijs. Dit in combinatie met professionele expertise en de behoeften van
belanghebbende.
In het hoger onderwijs wordt een vergelijkbare aanpak voorgesteld, waarbij onderwijs beslissingen
worden gebaseerd op empirisch bewijs, praktijkervaring en de specifieke context van docenten en
studenten.
Het toepassen van evidence-based praktijken in het hoger onderwijs stuit op diverse uitdagingen:
Complexiteit en variabiliteit van onderwijs contexten:
- Onderwijsinstellingen verschillen van elkaar in studentensamenstelling, onderwijscultuur,
beschikbare middelen en beleidsstructuren.
- Wat in de ene onderwijscontext werkt is niet direct overdraagbaar naar een andere
onderwijscontext.
Toegankelijkheid van onderzoek:
- Docenten en beleidsmakers hebben vaak niet direct toegang tot relevante en actuele
onderwijsonderzoeken.
- Veel docenten baseren hun onderwijspraktijk eerder op ervaring en intuïtie dan op
wetenschappelijke bevindingen.
Weerstand tegen verandering:
- In veel onderwijsinstellingen zijn traditionele onderwijsmethoden diepgeworteld en wordt
verandering als een uitdaging ervaren.
- Er is soms een kloof tussen onderzoekers en onderwijspraktijk, waarbij wetenschappelijk
onderzoek als niet direct relevant of toepasbaar wordt beschouwd.
Gebrek aan ondersteuning en middelen:
- Toepassen van evidence-based onderwijspraktijken vereist tijd, middelen en training.
Pragmatische benadering: een aanpak waarbij de focus ligt op praktische bruikbaarheid en
effectiviteit, in plaats van vasthouden aan theorie of abstracte principes. Het draait om het vinden
van de beste oplossing binnen een specifieke context, waarbij flexibiliteit en aanpassing centraal
staan.
Contextualisatie. Aanpassen van onderzoek evidentie aan de specifieke omstandigheden en
behoeften van een onderwijsinstelling.
Samenwerking. Bevorderen van samenwerking tussen onderzoekers en praktijkmensen om
relevante en toepasbare kennis te creëren.
Continue Regelmatig evalueren en bijstellen van praktijken op basis van feedback en
reflectie. nieuwe inzichten.
, 4
Door een pragmatische benadering van evidence-based onderwijs te hanteren, kunnen instellingen
voor hoger onderwijs beter inspelen op de unieke uitdagingen van hun specifieke contexten.
Voordelen van pragmatische benadering:
Verhoogde Door onderwijs beslissingen te baseren op empirisch bewijs en
onderwijskwaliteit. praktijkervaring, kunnen instellingen effectiever inspelen op de
leerbehoeften van studenten.
Professionele Docenten krijgen de kans om zich continu te verbeteren en
ontwikkeling docenten. innovatieve onderwijsstrategieën te implementeren.
Betere student Studenten profiteren van beter onderbouwde en effectieve
resultaten. onderwijspraktijken, wat hun leerervaring en prestaties verbetert.
Samenwerking Onderwijsinstellingen kunnen een brug slaan tussen de academische
onderzoek en praktijk. wereld en de onderwijspraktijk, wat leidt tot meer relevant en
bruikbaar onderwijsonderzoek.
Slavin, R. E. (2002). Evidence Based Education Policies: Transforming Educational Practice and
Research.
Het onderwijs loopt achter op andere wetenschappelijke disciplines. Hoewel er veel kennis over
effectief onderwijs, wordt deze bijna nooit toegepast.
- Veel onderzoek naar onderwijs experimenten zijn vaak theoretisch en kortlopend.
- Weinig praktische toepassing.
- De impact van onderwijsonderzoek op onderwijspraktijk is beperkt.
Er is nu meer aandacht voor wetenschappelijk onderbouwde hervormingen in het onderwijsbeleid.
Als nieuw onderzoek succesvol is kan dit een opwaartse spiraal veroorzaken meer onderzoek leidt
tot succesvolle programma’s meer financiering van effectieve onderwijsprogramma’s.
- Onderwijsonderzoek moet zich richten op herhaalbare en grootschalige programma’s.
- Deze helpen beleidsmakers bij hun beslissingen.
- Alleen gerandomiseerde experimenten leveren voldoende bewijs om onderwijsinterventies
te evalueren en bias te vermijden duur en complex.
Niet-experimenteel onderzoek: correlatie- en beschrijvend onderzoek. Is waardevol voor het
identificeren van variabelen en het ontwikkelen van theorieën.
Experimenteel onderzoek: noodzakelijk voor het bepalen van effectieve onderwijsprogramma’s en
beleid.
Ondanks het belang van evidence-based beleid is er vaak weerstand tegen grondig onderzoek.
- Onderzoekers kunnen het oneens zijn over interpretaties twijfel.
- Belangrijk dat een onafhankelijke commissie regelmatig onderzoek beoordeeld en consensus
bereiken over onderwijsstrategieën.
- Scholen moeten niet zomaar evidence-based programma’s toepassen, maar zorgen voor een
goede uitvoering in hun specifieke context.