Methodological issues in the direct observation of
parent-child interaction: do observational findings
reflect the natural behavior of participants?
Gardner, F. (2000)
Wat bestudeert dit onderzoek?
Dit artikel onderzoekt of er tijdens het observeren van interacties tussen
kinderen of tussen ouders en kinderen wel ‘’natuurlijk’’ gedrag optreedt. Die
assumptie wordt namelijk wel gedaan, maar dit is van groot belang om ook
wetenschappelijk vast te stellen.
Dit artikel probeert vast te stellen in welke mate observationele bevindingen
beïnvloedt worden door:
de aanwezigheid van de observator → reactiviteitseffect
de aard van de taak die de observator geeft → spontaan gedrag of
opdracht
de locatie van de observatie → thuis of kliniek
De eerste systematische observaties werden rond 1930 ontwikkeld. Rond 1970
werden codeersystemen ontwikkeld om vragen te kunnen beanwtoorden over
de ouder-kind interactie in gezinnen waar bij kinderen een gedragsprobleem is
vastgesteld.
Wat zijn de voor- en nadelen van observationele meetinstrumenten?
Voordelen:
a. observaties kunnen gedaan worden in een natuurlijke omgeving, zoals
thuis. Maar heel zeldzaam wordt er geobserveerd in een natuurlijke
omgeving buitenshuis, zoals in de supermarkt.
Literatuur 1 1
, b. Observatietechnieken geven een doorkijkje in ‘’echt’’ gedrag waar de
onderzoekers in geïnteresseerd zijn. Deze gedragingen kunnen op een
consistente en betrouwbare manier worden vastgesteld door de
onderzoeker. De participanten kunnen deze dingen niet zelf rapporteren.
c. Ook geeft het unieke informatie over hoeveelheiden en proporties van
meer stabiele kenmerken in mensen, zoals agressie.
d. Directe observatie-technieken hebben ervoor gezorgd dat we nu meer
begrijpen hoe de ouder-kind interactie psychopathologie bij het kind
beïnvloedt en hoe we dit kunnen behandelen.
Nadeel:
a. Het kost enorm veel tijd om observatoren te trainen, de observaties uit te
voeren, te coderen en te controleren voor
interbeoordelaarsbetrouwbaarheid.
Wat is de validiteit van observatie instrumenten?
Het is belangrijk om te weten dat de betrouwbaarheid van een meetinstrument
een beperking zet op de validiteit. Als de betrouwbaarheid (consistentie en
reproduceerbaarheid van data) laag is, dan is er een grens aan hoe geldig de
meting kan zijn, omdat inconsistente metingen geen betrouwbare basis
vormen voor een correcte interpretatie. Dan is zo’n observatie dus
automatisch ook niet valide (je meet niet wat je wil meten).
Meestal worden er bij observaties adequate niveaus van
interbeoordelaarsbetrouwbaarheid vastgesteld. Onderzoekers rapporteren
echter niet altijd de test-hertest betrouwbaarheid bij observaties. Het grote
probleem hiervoor is dat onderzoekers vaak niet de bronnen hebben om
voldoende sessies te observeren bij dezelfde participant. Als er ook nog eens
een hoog niveau van dag-tot-dag variabiliteit in gedrag is, kan dit ervoor
zorgen dat bepaald gedrag maar weinig voorkomt tijdens observaties. En
hiermee kan natuurlijk geen goede test-hertest betrouwbaarheid worden
vastgesteld.
Er zijn echter wel methoden om de data te corrigeren voor dit soort natuurlijke
variabiliteit in gedag. Bepaalde onderzoekers benadrukken dit belang en gever
aan dat er anders een gevaar is van het onderschatten van effecten van
interventies en van theoretisch belangrijke variabelen.
Literatuur 1 2
, Een aantal studies probeerden ook de hoeveelheid convergentie tussen
observatie- en zelfrapportage meetinstrumenten vast te stellen. Het bleek dat
er maar gemiddelde tot lage convergentie is. Dit zegt dus dat zelfrapportages
en observaties beide een unieke informatiebron zijn.
Om welke drie redenen is het belangrijk dat observaties ook natuurlijk gedrag
reflecteren?
Vanuit een aantal theoretische perspectieven is het belangrijk dat de
observaties die een onderzoeker doet ook een reflectie zijn van de
werkelijkheid en dus real-life gedrag laten zien.
1. Observatie instrumenten worden gebruikt als uitkomsten van een aantal
belangrijke RCT’s van interventies. Hier staat of valt dus de uitkomst van
zo’n RCT mee!
2. Als we de bevindingen van longitudinaal onderzoek willen vertalen in
nieuwe interventies, dan is het essentieel dat het ouderlijk gedrag wat we
observeren ook lijkt op dat wat diegene dagelijks doet en wat het kind
dagelijks meemaakt.
3. Veel klinische professionals gebruiken systematische observaties ook om
interacties te analyseren en de functionele relatie tussen ouder en kind te
bestuderen.
Hoe hangt validiteit van observaties ook af van de theoretische achtergrond
van een onderzoek?
De kern van dit stukje is dat de validiteit van observatiemetingen afhangt van
de theoretische achtergrond van het onderzoek.
In onderzoek naar ouderschap en gedragsproblemen wordt vaak uitgegaan
van sociale leertheorie, die stelt dat het gedrag van een kind wordt beïnvloed
door het gedrag van andere gezinsleden. Daarom moet observatieonderzoek
in dit veld de echte interacties en processen, zoals negatieve bekrachtiging,
weerspiegelen om valide te zijn.
Dit verschilt van onderzoek naar bijvoorbeeld persoonlijkheid of hechting,
waar observaties worden gebruikt om iets indirects te meten, zoals een
onderliggende hechtingsstijl. In dat geval is het minder belangrijk of het
Literatuur 1 3
, geobserveerde gedrag representatief is voor het dagelijks leven; het gaat er
vooral om of het gedrag voorspellingen uit de theorie ondersteunt.
Kort gezegd: de validiteit van observatie hangt af van het doel van het
onderzoek. In sociale leertheorie moet observatie directe interacties
weerspiegelen, terwijl in hechtingsonderzoek de interpretatie van gedrag
belangrijker is dan de representativiteit ervan.
Wat is bekend over de reactiviteit op de aanwezigheid van de observator?
Het is niet mogelijk om een pure vergelijking te maken tussen gedrag wanneer
iemand wel en niet geobserveerd wordt, zonder undercover te gaan (wat
ethisch niet wenselijk is). Er zijn wel een aantal andere benaderingen om hier
iets over te weten te komen:
verschillende niveaus van zichtbaarheid van de onderzoeker vergelijken.
Dit met de assumtie dat er reactiviteit is als iemand geobserveerd wordt.
Er werd in onderzoek echter geeen verschil tussen deze niveaus
gevonden, dus ofwel er is maar een klein effect van reactiviteit, ofwel deze
effecten variëren niet met verschillende niveaus (maar dit lijkt
onwaarschijnlijk).
reactiviteit zal verminderen met de tijd, dus je kunt vergelijken hoe
reactiviteit is over verschillende sessies. Waarschijnlijk zal er dan tijdens
het eerste deel van een sessie of een eerste sessie van een serie een
groter effect van reactiviteit zijn. Maar uit onderzoek bleken geen
systematische veranderingen in de tijd.
Er zijn wel een aantal factoren vastgesteld die samenhangen met reactiviteit:
leeftijd of geslacht van het kind, geslacht van de ouder, bekendheid van de
participanten met de observator en de setting.
a. oudere kinderen en kinderen die meer gevoelig of angstig zijn,
reageren heftiger op het feit dat ze geobserveerd worden
b. vaders laten meer invloed zien van geobserveerd worden dan moeders
Op basis hiervan kunnen we concluderen dat de reactiviteit op de
observator geen groot gevaar vormt voor de validiteit van observationele
data. Over video-opnames is niet bekend of deze effecten hetzelfde zijn. Er
Literatuur 1 4