1 de student kan effectieve werkwijzen benoemen die het denken van leerlingen stimuleren
Denken stimuleren
- Blijf in gesprek
- Verbale interactie cruciaal
- Wedervragen
- Vermijd wie weet vragen
- W-vragen en hoe-vragen stellen
- Verschillende invalshoeken
Effectieve werkwijzen
- Werkvormen; woordspin, mindmap, samenwerken, betoog, tekening, filmpje, discussie
- Hulpmiddelen; reciprocal teaching, scaffolding
Criteria stellen denkvragen
- Individuele aanspreekbaarheid
- Veiligheid
- Structuur van de vraag
- Wachttijd
2 de student kan de 5 breinmythes benoemen en herkennen
De 5 breinmythes
- Het bestaan van verschillende leerstijlen; visueel, auditief, kinesthetisch. Het onderwijzen
van leerlingen in hun voorkeursleerstijl zou prestatie bevorderend werken.
Klopt niet; deze 3 leerstijlen worden in verschillende plekken in het brein verwerkt en zijn
met elkaar verbonden.
- Er zijn leerlingen die overwegend hun linkerhersenhelft gebruiken en leerlingen die
overwegend hun rechterhersenhelft gebruiken.
Klopt niet; verschillende delen zijn verantwoordelijk voor verschillende functies.
- Leerlingen kunnen multitasken.
Klopt niet; leerlingen zijn niet in staat twee taken tegelijk bewust uit te voeren.
- We gebruiken maar 10% van ons brein.
Klopt niet; we gebruiken ons hele brein.
- Educatieve brain-based programma’s zijn ondersteunend aan het leerproces.
Klopt niet; deze programma’s maken gebruik van metaforen die alleen maar een associatie
leggen met hersenfuncties.
3 de student kan de functies benoemen van de hippocampus, amygdala en prefrontale cortex en
uitleggen hoe hij hier rekening mee kan houden in de lespraktijk.
Hippocampus
- Opslag van informatie in het langetermijngeheugen
Amygdala
- Koppelt zintuigelijke informatie aan emotie
- Raakt snel oververhit bij pubers, minder remming
Prefrontale cortex
- Leerprocessen, complexe cognitieve vaardigheden geregeld
- Rond 24 uitgerijpt.
Pubers hebben moeite met behouden van overzicht en concentratie in taakgerichte situaties.
Verbindingen tussen gebieden nog niet volledig.
,4 de student kan het gedrag van leerlingen en studenten verklaren aan de hand van de ontwikkeling
van de hersenen. Denk o.a. aan uitstelgedrag, vergeetachtigheid, emotionele uitbarstingen en
faalangst.
Uitstelgedrag
Gezonde spanning = stimulerend, extra concentratie boost. Te veel spanning werkt tegen, blokkeert
denken/leren. Reguleren van emoties is een belangrijke vaardigheid.
Faalangst
Prestatie gebonden angst, bang om fouten te maken en te falen. Stress loopt op, slaat om in angst.
Het lichaam maakt adrenaline aan, fight of flight. Leerlingen blokkeren, weten niks meer en krijgen
een black-out.
Emotionele uitbarstingen
De amygdala is eerder ontwikkeld; het emotionele brein. De ongelijke ontwikkeling uit zich in
emotionele uitbarstingen.
5 de student kan in eigen woorden uitleggen hoe het brein functioneert aan de hand van thema’s;
functies van het geheugen, verwerken van informatie, aandacht en concentratie; chuncking, kracht
van het herhalen, mnemonische technieken, yerkes-dodson test, vergeetcurve.
Functies van het geheugen
- Encoding; opnemen van informatie
- Consolidation; verwerken, opbergen van informatie
- Retrieval; ophalen, terugvinden van informatie
Geheugen bestaat uit 3 componenten
- Zintuigelijke geheugen; visueel, auditief, tactiel
- Kortetermijngeheugen/werkgeheugen
- Langetermijngeheugen; geheugenspoor
Verwerken van informatie
- Betekenis van informatie; betekenisvolle, relevante informatie wordt beter opgeslagen
- Aandacht voor informatie; gerichte aandacht zorgt voor goede opslag informatie
- Herhaling van informatie; door herhaling gaat informatie van kortetermijngeheugen naar het
langetermijngeheugen
- Associëren, koppelen van de informatie; nieuwe kennis laat zich koppelen aan bestaande
kennis
Verschillende soorten aandacht
- Selectieve aandacht; voorrang kunnen geven aan belangrijke informatie.
- Gefocuste aandacht; doelbewust uitfilteren van prikkels om een taak goed te kunnen
volbrengen
- Verdeelde aandacht
- Volgehouden aandacht
Vergroten motivatie/concentratie
- Voorwaarden niveau; alle omgevingsvoorwaarden
- Instructie niveau
- Werkvorm niveau
- Leerling niveau; aandacht
, Yerkes-Dodson test
- Aandacht die geactiveerd wordt is afhankelijk van prikkel en emotie. Verveling is
onderprikkeling. De beste prestatie; optimaal stress niveau, optimal arousal. Arousal;
optimale alertheid brein.
Chuncking
- Chunck; patroon/betekenisvolle eenheid van informatie. Door verbinden van chuncks aan
associaties kun je beter onthouden.
Herhalen
- Actief ophalen van informatie uit geheugen.
Vergeeturve
- Het steeds minder onthouden naarmate de tijd verstrijkt. Gespreid leren beïnvloed de curve.
Vaker herhalen = beter onthouden = minder studiemomenten nodig. Hoe groter de afstand
van leermomenten, hoe groter het leereffect.
Mnemotechnieken
- Praktisch hulpmiddel voor effectief ophalen/borgen informatie in het brein. Onthouden door
zintuigelijke ervaringen. Werkt ondersteunend, organiserend, structurerend. Vergroot
geheugen capaciteit niet.
- Plaatsmethode, PQRST-methode, mindmap.
6 De student kan de sleutels tot het openen van hersenpoorten van leerlingen, hoe leerlingen
geprikkeld/uitgedaagd kunnen worden, herkennen/toepassen inde lespraktijk.
De sleutels
- Emotie
- Inspiratie
- Passie
- Flow
- Zintuigen
- Nieuwe stimuli
7 de student kan de koppeling tussen emoties en leren herkennen en beschrijven.
Cross-overeffect; de bevlogenheid van een docent die wordt overgebracht op leerlingen. Wanneer
leerlingen in een positieve stemming zijn, maakt hun brein dopamine aan. Dopamine zorgt voor
betere aandacht, plezierig gevoel. Dit heeft een positief effect op leer en geheugenprestaties.
Denken stimuleren
- Blijf in gesprek
- Verbale interactie cruciaal
- Wedervragen
- Vermijd wie weet vragen
- W-vragen en hoe-vragen stellen
- Verschillende invalshoeken
Effectieve werkwijzen
- Werkvormen; woordspin, mindmap, samenwerken, betoog, tekening, filmpje, discussie
- Hulpmiddelen; reciprocal teaching, scaffolding
Criteria stellen denkvragen
- Individuele aanspreekbaarheid
- Veiligheid
- Structuur van de vraag
- Wachttijd
2 de student kan de 5 breinmythes benoemen en herkennen
De 5 breinmythes
- Het bestaan van verschillende leerstijlen; visueel, auditief, kinesthetisch. Het onderwijzen
van leerlingen in hun voorkeursleerstijl zou prestatie bevorderend werken.
Klopt niet; deze 3 leerstijlen worden in verschillende plekken in het brein verwerkt en zijn
met elkaar verbonden.
- Er zijn leerlingen die overwegend hun linkerhersenhelft gebruiken en leerlingen die
overwegend hun rechterhersenhelft gebruiken.
Klopt niet; verschillende delen zijn verantwoordelijk voor verschillende functies.
- Leerlingen kunnen multitasken.
Klopt niet; leerlingen zijn niet in staat twee taken tegelijk bewust uit te voeren.
- We gebruiken maar 10% van ons brein.
Klopt niet; we gebruiken ons hele brein.
- Educatieve brain-based programma’s zijn ondersteunend aan het leerproces.
Klopt niet; deze programma’s maken gebruik van metaforen die alleen maar een associatie
leggen met hersenfuncties.
3 de student kan de functies benoemen van de hippocampus, amygdala en prefrontale cortex en
uitleggen hoe hij hier rekening mee kan houden in de lespraktijk.
Hippocampus
- Opslag van informatie in het langetermijngeheugen
Amygdala
- Koppelt zintuigelijke informatie aan emotie
- Raakt snel oververhit bij pubers, minder remming
Prefrontale cortex
- Leerprocessen, complexe cognitieve vaardigheden geregeld
- Rond 24 uitgerijpt.
Pubers hebben moeite met behouden van overzicht en concentratie in taakgerichte situaties.
Verbindingen tussen gebieden nog niet volledig.
,4 de student kan het gedrag van leerlingen en studenten verklaren aan de hand van de ontwikkeling
van de hersenen. Denk o.a. aan uitstelgedrag, vergeetachtigheid, emotionele uitbarstingen en
faalangst.
Uitstelgedrag
Gezonde spanning = stimulerend, extra concentratie boost. Te veel spanning werkt tegen, blokkeert
denken/leren. Reguleren van emoties is een belangrijke vaardigheid.
Faalangst
Prestatie gebonden angst, bang om fouten te maken en te falen. Stress loopt op, slaat om in angst.
Het lichaam maakt adrenaline aan, fight of flight. Leerlingen blokkeren, weten niks meer en krijgen
een black-out.
Emotionele uitbarstingen
De amygdala is eerder ontwikkeld; het emotionele brein. De ongelijke ontwikkeling uit zich in
emotionele uitbarstingen.
5 de student kan in eigen woorden uitleggen hoe het brein functioneert aan de hand van thema’s;
functies van het geheugen, verwerken van informatie, aandacht en concentratie; chuncking, kracht
van het herhalen, mnemonische technieken, yerkes-dodson test, vergeetcurve.
Functies van het geheugen
- Encoding; opnemen van informatie
- Consolidation; verwerken, opbergen van informatie
- Retrieval; ophalen, terugvinden van informatie
Geheugen bestaat uit 3 componenten
- Zintuigelijke geheugen; visueel, auditief, tactiel
- Kortetermijngeheugen/werkgeheugen
- Langetermijngeheugen; geheugenspoor
Verwerken van informatie
- Betekenis van informatie; betekenisvolle, relevante informatie wordt beter opgeslagen
- Aandacht voor informatie; gerichte aandacht zorgt voor goede opslag informatie
- Herhaling van informatie; door herhaling gaat informatie van kortetermijngeheugen naar het
langetermijngeheugen
- Associëren, koppelen van de informatie; nieuwe kennis laat zich koppelen aan bestaande
kennis
Verschillende soorten aandacht
- Selectieve aandacht; voorrang kunnen geven aan belangrijke informatie.
- Gefocuste aandacht; doelbewust uitfilteren van prikkels om een taak goed te kunnen
volbrengen
- Verdeelde aandacht
- Volgehouden aandacht
Vergroten motivatie/concentratie
- Voorwaarden niveau; alle omgevingsvoorwaarden
- Instructie niveau
- Werkvorm niveau
- Leerling niveau; aandacht
, Yerkes-Dodson test
- Aandacht die geactiveerd wordt is afhankelijk van prikkel en emotie. Verveling is
onderprikkeling. De beste prestatie; optimaal stress niveau, optimal arousal. Arousal;
optimale alertheid brein.
Chuncking
- Chunck; patroon/betekenisvolle eenheid van informatie. Door verbinden van chuncks aan
associaties kun je beter onthouden.
Herhalen
- Actief ophalen van informatie uit geheugen.
Vergeeturve
- Het steeds minder onthouden naarmate de tijd verstrijkt. Gespreid leren beïnvloed de curve.
Vaker herhalen = beter onthouden = minder studiemomenten nodig. Hoe groter de afstand
van leermomenten, hoe groter het leereffect.
Mnemotechnieken
- Praktisch hulpmiddel voor effectief ophalen/borgen informatie in het brein. Onthouden door
zintuigelijke ervaringen. Werkt ondersteunend, organiserend, structurerend. Vergroot
geheugen capaciteit niet.
- Plaatsmethode, PQRST-methode, mindmap.
6 De student kan de sleutels tot het openen van hersenpoorten van leerlingen, hoe leerlingen
geprikkeld/uitgedaagd kunnen worden, herkennen/toepassen inde lespraktijk.
De sleutels
- Emotie
- Inspiratie
- Passie
- Flow
- Zintuigen
- Nieuwe stimuli
7 de student kan de koppeling tussen emoties en leren herkennen en beschrijven.
Cross-overeffect; de bevlogenheid van een docent die wordt overgebracht op leerlingen. Wanneer
leerlingen in een positieve stemming zijn, maakt hun brein dopamine aan. Dopamine zorgt voor
betere aandacht, plezierig gevoel. Dit heeft een positief effect op leer en geheugenprestaties.