1. Gegeven: in het KRS van Goolberg wordt er een pijn-schaal gebruikt van 0 tot 10 voor het meten van
pijn tijdens een training.
Stelling: op deze schaal mag er getraind worden tot een pijngrens van level 6.
2. Gegeven: een sporter wil wat spiermassa kweken en werkt daarom met herhalingen van 15.
Stelling: volgens het KRS van Goolberg is dit een goed aantal voor hypertrofie.
3. Gegeven: in het KRS van Goolberg zijn percentages weergegeven boven en beneden het gewenste
aantal herhalingen per trainingssysteem.
Stelling: deze percentages zijn bedoeld als rekenkundige richtlijn om het gewenste gewicht te zoeken
corresponderend met het gestelde aantal herhalingen.
4. Gegeven: bij actieve schouderrevalidatie van de 5 P’s wordt er altijd getraind van proximaal naar
distaal.
Stelling: om deze reden worden de pivoters getraind vóór de protectors.
5. De propellors zijn de spieren van de onderste extremiteit die de beweging voorbereiden zodat er een
efficiënte energie-transfer plaatsvindt naar de bovenste extremiteit.
6. Een squatoefening is een voorbeeld van een open kinematische keten.
7. Het principe van de “afnemende meeropbrengst” houdt in dat na een te lange periode rust de
effecten van de training verloren zullen gaan.
8. Gegeven: de rol van de actieve stabiliteit in de schouder is veel groter dan de passieve stabiliteit,
omdat de cavitas gleniodalis scapulae relatief klein en ondiep is.
Stelling: een nadeel hiervan is dat het caput humeri relatief makkelijk kan ontwrichten.
, Taak 2 – Capsulitis adhaesiva
9. Gegeven: volgens de poorttheorie kunnen occilerende tracties en translaties een pijndempende
werking hebben.
Stelling: deze theorie stelt dat de pijn dan afneemt doordat de Aδ-vezels de poort afsluiten voor de Aβ-
vezels en de C-vezels
10. Gegeven: het gewrichtskapsel van de schouder zorgt mede voor de remming van translaties.
Stelling: het lig. glenohumerale medium zorgt onder andere voor de remming van exorotatiebeweging.
11. Fysiotherapie is een vereiste als de beweeglijkheid bij een patiënt met capsulitis adhaesiva weer wil
toenemen.
12. Snelle oscillaties kunnen worden gebruikt voor het verbeteren van de mobiliteit van de schouder.
13. Om een correcte aspecifieke indirecte tractie van de schouder uit te voeren moet de fysiotherapeut
de schouder in laterale, ventrale en iets craniale richting bewegen.
14. Aδ-vezels zijn geleiden impulsen sneller dan C-vezels omdat ze in tegenstelling tot C-vezels niet
gemyeliniseerd zijn.
15. Oefeningen in een gesloten keten vergen meer stabiliteit dan oefeningen in een open keten.
16. De ruis bij responsiviteit van een meetinstrument is een synoniem voor niet-klinisch relevante
veranderingen.