- Vroedkundige begeleiding
Les 1
1. Geboortebeleving
De pasgeborene staat centraal. Geboorte is een traumatisch gebeuren.
2. Oriëntatie en definitie
De geboorte als crisis
• Hoe beleeft een foetus de uterus?
• De ‘eerste crisis’ in het leven: van een warme, veilige omgeving (intra-uterien) naar een
onzekere, bedreigende omgeving (extra-uterien) -> stress voor de pasgeborene
De neonatale periode
• Periode van de geboorte tot en met de 28ste dag (dag 0-28)
• Periode gaat gepaard met veel veranderingsprocessen die de overgang van het afhankelijke
intra-uteriene leven naar het meer onafhankelijke extra-uteriene leven mogelijk maakt.
Aanpassingsreactie:
A
P
R
A
G
Reactief Rustig normaal
Appearance (color)
Pulse (heart rate)
Grimace (reflex irritability)
Activity (tone)
Respiration
1
,Acrocyanose: blauwachtige kleur aan de extremiteiten
Rustperiode voor kind en moeder
➢ De neonatala periode
• oriëntering: eerste 15-30 minuten na de geboorte:
– sterk reactief en alert gedrag.
• daarna, een fase van een aantal uur (30-120 minuten):
– rustig en minder alert.
• na ongeveer zes uur:
– genormaliseerd gedrag;
→ eerste aanpassing aan extra-uterien leven voltooid.
➢ Aanpassingsreacties
• Reactie op nieuwe prikkels extra-uterien leven (koude, lucht, licht en geluid);
• Fysiologische veranderingen: wegvallen placentafunctie;
• Werking organen neonaat
o Circulatie: overschakeling foetale circulatie naar volwassen circulatie;
o Longen: nemen functie placenta over;
o Lever: begint te ontgiften, produceert gal, breekt bilirubine af, produceert
vitamine K afhankelijke stollingsfactoren en zet glucose om in glycogeen;
o Nieren: beginnen te ontgiften (neemt ruime tijd in beslag);
o Beenmerg: maakt erytrocyten aan;
o Metabool: labiele glucose- en calciumstofwisseling (treedt kortstondig op).
• De ontwikkeling van een nieuw evenwicht gedurende de eerste vier weken
o Adaptatie leidt naar nieuw evenwicht = homeostase;
o Homeostase leidt naar een nieuw biologisch ritme = homeokinese.
• Na 10 dagen
o Ademhaling en circulatie zijn zo goed als mogelijk aangepast aan extra-uterien
leven;
o Lichaamstemperatuur minder onderhevig aan veranderingen;
o Goede functionering lever (fysiologische geelzucht is overwonnen);
o Opname voeding op peil;
o Gewicht van bij de geboorte opnieuw bereikt (eerst een beetje afvallen want ze
eten nog niet zo veel)
o Normale ontlasting;
o Navelstomp afgevallen en ingedroogd.
3. Opvang neonaat
➢ Welke factoren beïnvloeden de conditie van een neonaat?
• Moeder: leeftijd, gewicht, kliniek, eetpatroon;
• Infectieziekten;
• Erfelijke aandoeningen;
• Inname van medicatie, drugs en/of alcohol; Roken;
o Vb Softenon (1 v/d merknamen v Thalidomide: zorgt voor onderontwikkelde/ontbrekende ledematen en
organen)
• Stress (cortisol stijgt);
2
, • Bestralingen;
• Meerlingzwangerschap;
• Traumata.
• Vermoedelijke bevallingsdatum;
• Met betrekking tot de vliezen: tijdstip van breken en aspect vruchtwater (vb meconiaal
vruchtwater);
• Ligging van het kind;
• Verloop van de arbeid;
• Met betrekking tot de bevalling: aard en verloop;
• Met betrekking tot de placenta: gewicht en uitzicht.
4. Het voorkomen van warmteverlies
Fysiologie van de thermoregulatie
Intra-uterien volgt de foetus de lichaamstemperatuur van de moeder -> extra-uterien moet de
neonaat zelf temperatuur reguleren. A terme na 1-2 dagen, SGA (small for gestational
age/dysmatuur) kan weken duren.
De mens is een homeotherm wezen.
➢ Thermoregulatie of warmteregulatie
• = het onderhouden van een evenwicht tussen warmteproductie en warmteafgifte;
• Regeling: thermoregulatiecentrum in hersenen (hypothalamus = ’thermostaat’);
• Centrale temperatuursensoren in hypothalamus krijgen informatie via perifere
thermosensoren over:
o Perifere- of schiltemperatuur (uitwendig);
o Centrale- of kerntemperatuur (inwendig).
• Vergelijking met het setpoint (= gewenste instelwaarde).
• Lichaam met lichaamskern omgeven door een lichaamsschil;
• Lichaamskern:
o Organen en spieren bevinden zich hier -> produceren warmte;
o Circulatie neemt deze warmte op (organen met grote stofwisselingsactiviteit) en
staat deze af (organen met lage stofwisselingsactiviteit);
o Gelijkmatige verdeling warmte over lichaam.
➢ Stijging van lichaamstemperatuur: vasodilatatie, transpiratie, verhoogde warmteafgifte
➢ Daling van lichaamstemperatuur: vasoconstrictie, (verminderde zweetproductie, rillen ->
pasgeborene kan dit nog niet,) verhoogde warmteproductie
=> Dit zijn fysische processen -> fysische warmteregulatie
➢ Blijvende daling van de lichaamstemperatuur: opvoeren van stofwisselingsprocessen →
verhoogde warmteproductie
=> Dit zijn chemische processen -> Chemische warmteregulatie
Neutrale omgevingstemperatuur
• = de temperatuur waarbij de neonaat in staat is een normale lichaamstemperatuur te
handhaven zonder dat het lichaam extra warmte moet leveren:
o Warmte door basaal metabolisme = voldoende;
o Zuurstofverbruik is minimaal:
o energie kan maximaal gebruikt worden voor groei.
3
, • Lichaam kan beroep doen op vasodilatatie of vasoconstrictie;
• Verschillende omstandigheden: vervoer / verzorging.
• Voor voldragen neonaten: 32-34°C. (Het is van belang dat onder alle omstandigheden een neutrale
omgevingstemperatuur wordt gewaarborgd, dus ook tijdens vroedkundige en medische handelingen en gedurende het
transport)
Warmteproductie
➢ Verhoging basale stofwisselingsprocessen
• Energie in lichaam komt vrij als warmte;
• Hersenen en lever zorgen voor grootste deel warmteproductie door
o Complexe en hoge activiteit;
o Grote organen.
• Warmte komt vrij -> wordt afgevoerd naar rest lichaam;
• Spieren: bij bewegingen komt warmte vrij -> wordt afgevoerd naar rest lichaam;
• Opgelet:
o Brandstofverbruik neemt toe: aanvoer brandstof noodzakelijk -> risico
hypoglycaemie;
o Meer O2 wordt verbruikt: ademhaling versnelt.
➢ Verbranding van bruin vetweefsel
• = vorm van chemische thermoregulatie
• Bruine vetcellen aanwezig vanaf 26e-30e
zwangerschapsweek;
• Lokalisatie: tussen schouderbladen, rond (bij)nieren,
oksels en mediastinum (tussen de longen);
• Bevat veel mitochondriën (‘chemische fabrieken’);
• Alle energie die vrijkomt bij verbranding is warmte ->
wordt afgevoerd naar rest lichaam;
• Snel grote hoeveelheid warmteproductie;
• Veel O2 voor nodig.
• Bruin vetweefsel is lichaamsvet waarvan het de primaire functie is om het lichaam te voorzien van warmte. Bruin vet zorgt
voor een verhoogd metabolisme als het lichaam blootgesteld wordt aan kou: het verbrandt energie om warmte te
genereren.
• Voorwaarden
o Intact zenuwstelsel
o Aanwezigheid van bruin vetweefsel
o Aanwezigheid van voldoende zuurstof
• Non-shivering thermoregulatie: afbraak van bruin vetweefsel met warmteproductie als
gevolg.
4