1. Een onderzoeker wil de voorspellende waarde van een instrument voor
geweldinschatting toetsen bij een groep patiënten met ernstige
persoonlijkheidsstoornissen. Ze vergelijkt de uitkomst van het instrument
met feitelijke recidive na drie jaar. Welke maat past het best bij een
retrospectieve analyse waarin men continu balanceert tussen sensitiviteit
en specificiteit?
A. NND
B. ROC
C. PPV
2. Stel dat een behandelaar bij een cliënt met een gemengd
delictverleden het risiconiveau verlaagt vanwege “klinisch aanvoelen”,
terwijl de actuariële score hoog blijft. Welke uitkomst is volgens de
wetenschap omtrent override het meest waarschijnlijk?
A. De override leidt vaak tot een slechtere voorspellende nauwkeurigheid.
B. De override zorgt meestal voor een betere nauwkeurigheid, aangezien
het klinisch oordeel leidend is.
C. De override heeft nooit effect op de uiteindelijke recidivekans.
3. Een reclasseringswerker wil een instrument inzetten dat naast
statische factoren óók expliciet behandelbare criminogene factoren en
beschermende componenten meet, zodat hij de cliënt kan begeleiden bij
re-integratie. Welk type instrument is dan het meest geschikt?
A. Ongestructureerd oordeel
B. Een 2e-generatie actuariële lijst
C. Een 4e-generatie lijst
4. In de praktijk worden bepaalde items binnen een risicotaxatie-
instrument anders beoordeeld wanneer de cliënt transgender is en zich
,tijdens eerdere delicten nog identificeerde als man. Welke benadering
wordt aangeraden?
A. De items één-op-één overnemen uit de mannelijke populatie, zonder
enige aanpassing.
B. Toepassen van een aangepaste scoringsrichtlijn, rekening houdend met
relevante dynamische factoren uit de huidige situatie.
C. Automatismen in scoringsregels uitschakelen en uitsluitend een
ongestructureerd oordeel hanteren.
5. Een forensisch psycholoog voert een risicotaxatie uit bij een oudere
man met vergevorderde dementie, die zijn partner eerder fysiek heeft
aangevallen. De psycholoog twijfelt of de leeftijd en cognitieve
achteruitgang het geweldsrisico kunnen verlagen. Welke factor is hier
volgens moderne risicotaxatiebenaderingen het meest kritisch om te
beoordelen?
A. De vraag of de stoornis het vermogen tot planning en doelbewuste
agressie vermindert.
B. Het feit dat leeftijd op zichzelf altijd het recidiverisico laat dalen tot nul.
C. Of er een lage base rate geldt in de populatie 65+, zodat geen
agressierisico kan bestaan.
6. Een instrument scoort hoog qua interne responsiviteit maar laag qua
externe responsiviteit. Waar wijst dat vooral op?
A. De methode past goed bij de leerstijl en persoonlijkheid van de cliënt,
maar is moeilijk praktisch uitvoerbaar in de huidige behandelomgeving.
B. Het instrument is alleen bruikbaar in groepsbehandeling.
C. De therapeutische setting sluit goed aan, maar de cliënt is niet
gemotiveerd voor behandeling.
7. Een behandelaar bespreekt met een cliënt de persoonlijke factoren die
direct aan de delictpleging hebben bijgedragen. Ze willen samen
achterhalen op welke momenten de cliënt afweek van niet-gewelddadige
strategieën. Waarin past dit het beste?
, A. Een statische scorebepaling
B. Een functieanalyse binnen delictanalyse
C. Het categorale eindoordeel “matig” of “hoog”
8. Een casus: Een 30-jarige man pleegt stelselmatig vernielingen, heeft
veel antisociale vrienden en gebruikt geregeld drugs. Hij wenst ambulante
hulp. Men zoekt een instrument dat specifiek ontwikkeld is voor
forensisch-ambulante inschattingen, gericht op zowel statische als
dynamische risicofactoren. Wat ligt voor de hand?
A. FARE-2
B. HCR-20
C. Static-99
9. Een behandelaar beoordeelt de potentiële triggers voor gewelddadig
gedrag bij een cliënt en concludeert dat alcoholinname en plotselinge
conflictsituaties een belangrijke ontremmende rol spelen. Hoe worden
dergelijke kortetermijnfactoren doorgaans genoemd?
A. Stabiele factoren
B. Acute factoren
C. Beschermende factoren
10. Wanneer men het recidiverisico van een forensisch psychiatrische
patiënt op gewelddadig gedrag ‘Laag’ noemt, kan dit in de praktijk een
probleem opleveren. Welk probleem wordt vaak genoemd?
A. Dat professionals vergeten dat “Laag” in sommige instrumenten alsnog
een aanzienlijke kans op recidive kan betekenen.
B. Dat er geen enkel toezicht meer nodig is in de praktijk.
C. Dat de AUC direct boven .80 ligt en men daarom geen behandeling
hoeft in te zetten.