Samenvatting 10de editie
H1’Wat is sociale psychologie?’
Psychologie: De wetenschap van het gedrag en innerlijke leven (gedachten en
gevoelens) van mensen
Sociale psychologie: de wetenschappelijke studie naar de wijze waarop de
aanwezigheid van anderen de gedachten, gevoelens en gedragingen van mensen
beïnvloed “fenomeen, sociale invloed’
Doel van de sociale psychologie is beschrijven/verklaren hoe de sociale
omgeving mensen beïnvloed
Sociologie richt zich op groepen, sociale psychologie op de invloed van de
omgeving naar het individu
Uitgangspunten: menselijk gedrag is verklaarbaar vanuit 3 uitgangspunten:
- Zelfachting - positieve gedachte over onszelf willen
- Accuraat waarnemen - het goed gezien (denken) te hebben
- Controle - het idee dat we controle hebben over onze omstandigheden
Empirische wetenschap: wetenschap gebaseerd op waarneembare dingen
Door experimenten en hypothesen
De studie van sociale invloed dus niet op basis van ‘gezond verstand’ maar
experimenten en hypothesen, betrouwbaarder dan mensen gewoon
vragen naar reden achter gedrag omdat dit veel onbewust gebeurt
Determinant: Bepalende factor in een ontwikkeling/toestand van menselijk
gedrag
Evolutionaire psychologie: wetenschappelijke verklaringen voor sociaal gedrag op
basis van erfelijke factoren die zich hebben ontwikkeld volgens natuurlijke
selectie
Construct: manier waarop men zijn/haar omgeving interpreteert, nodig om
invloed hiervan op gedrag te begrijpen, interpretatie van een situatie 3
Fundamentele attributiefout: de neiging om gedragingen van anderen toe te
schrijven aan hun persoonlijkheid of karakter en het daarmee te verklaren
(attributie) ook wel correspondentievertekening genoemd
Behaviorisme: psychologische stroming, al het gedrag zou verklaard kunnen
worden aan de hand van beloningen/straffen uit de omgeving, niet nodig om te
kijken naar subjectieve zaken als denken/voelen
Gestaltpsychologie: psychologische stroming, benadrukt het belang van
bestuderen van persoonlijke/subjectieve manier, object wordt geheel
waargenomen
Fenomenologie: filosofische stroming, hoe een object op iemand overkomt en dit
ervaart
, Sociale cognitie: selecteren, interpreteren onthouden en gebruiken sociale
informatie om te oordelen en te beslissen
Wijze waarop een individu een situatie construeert wordt grotendeels bepaald
door 2 fundamentele menselijke behoeften:
- Behoefte om goed gevoel over jezelf te hebben
- Behoefte om accuraat te zijn
Zelfverheffingsmotief: voorkeur die mensen hebben voor info die hen in een
positief daglicht stelt, info die hun zelfwaardering doet stijgen, bijvoorbeeld
rechtvaardigen eigen keuzes
Accuraatheidsmotief: Behoefte van mensen om beeld te creëren dat zo veel
mogelijke met de werkelijkheid overeenkomt
H2.1 en 2.4 ’Methodologie’
Hindsight bias: De neiging van mensen om hun vermogen om een uitkomst te
voorspellen te overdrijven nadat ze weten hoe de uitkomst is (vb. redenen
zoeken waarom Trump heeft gewonnen pas na winst).
Bystander effect: het effect dat hoe meer mensen bij elkaar zijn, hoe minder ze
geneigd zijn om een persoon in nood te helpen vanwege minder individuele
verantwoordelijkheid
Ontstaan in 1968 door moord in New York op Kitty Genovese, ‘spreiding
van verantwoordelijkheid’
Onderzoeksmeth Waarom? Nadelen
odes
Observationeel Iets beschrijven, gedrag Onderzoekt geen gedachten,
systematisch vastleggen, onderzoekt alleen openbaar
groep/cultuur begrijpen gedrag
Correlationeel 2 of meer variabelen meten, Niet hetzelfde als causaliteit, legt
relaties onderzoeken geen oorzaak-gevolg relaties
bloot
Experimenteel Causale vragen beantwoorden, Lastig om interne en externe
oorzaak-gevolg relaties vinden validiteit hoog te houden
Onafhankelijke variabele: variabele die de onderzoeker veranderd/varieert om
effect te onderzoeken (vb. aantal ooggetuigen bystander onderzoek is
onafhankelijke variabele)
Afhankelijke variabele: wordt gemeten om te kijken of de onafhankelijke invloed
heeft op de afhankelijke, deze hangt af van de onafhankelijke
Interne validiteit: De mate waarin je met zekerheid kunt concluderen dat de
onafhankelijke variabele de enige invloed is op de afhankelijke variabele
Randomisatie: het op basis van toeval indelen van de proefpersonen in de
verschillende groepen van een experiment
Externe validiteit: de mate waarin de resultaten van een onderzoek
gegeneraliseerd kunnen worden naar andere situaties en andere mensen
Generaliseerbaarheid over situaties: is de situatie in het experiment gelijk
aan de werkelijkheid?