1. Somatisch
2. Cognitief
3. Emotioneel
4. Gedragsmatig
5. Sociaal
Cognitief
Verwachtingen:
- Wat denkt u ervan?
- Wat denkt u dat ik voor u kan doen?
- Met welke verwachting komt u naar de fysiotherapie?
Verklaringen:
- Waar denkt u zelf aan?
- Waar denkt u dat de klachten vandaan komt?
- Wat is uw idee waar de klacht vandaan komt?
- Welke verklaring geeft u voor uw klachten?
- Denkt u zelf weleens “als het maar niet dit of dat is”?
Denken over klachten / ‘klachten verergerend’ denken (catastroferen)
- Als u die klachten heeft, wat vindt u daarvan? Wat denkt u dan?
- Hoe reageert u daarop?
Ideeën over eigen invloed op de klachten (self-efficacy)
- In hoeverre heeft u invloed op uw klachten?
- In hoeverre kunt u uw klachten positieve beïnvloeden?
- Heeft u invloed op uw klachten? Zo ja, hoe dan?
- Heeft u een manier om uw klachten in positieve zin te beïnvloeden? Zo ja, hoe dan?
- Wat denkt u zelf te kunnen doen om uw klacht te verminderen?
Emotioneel
- Nu u deze klacht heeft, hoe voelt u zich daaronder?
- Wat doen de klachten u emotioneel gezien?
- Wat voelt u erbij?
- Bent u weleens boos, bang of verdrietig vanwege uw klachten?
- (In hoeverre) brengen de klachten u uit evenwicht?
- (In hoeverre) bent u weleens onzeker?
- (In hoeverre) bent u weleens neerslachtig?
- (In hoeverre) bent u weleens angstig?
- Hoe gaat het met uw concentratie? Heeft u weleens problemen met concentreren?
Kunt u zich nog goed concentreren?
- (In hoeverre) bent u de laatste tijd emotioneler?
Gedragsmatig
Omgaan met de klacht:
- Wat doet u als u klachten heeft?
- Wat doet u om uw klacht te verminderen? In welke mate lukt dat?
-