Methoden van sociaal onderzoek zijn niet helemaal neutraal doordat ze nauw samenhangen met
verschillende visies op hoe sociale realiteit moet worden bestudeerd. Ten tweede is er de vraag hoe
onderzoeksmethoden en -praktijken aansluiten bij de bredere sociaal- wetenschappelijke onderneming.
Social survey research = gestructureerde interview methode
Theorie = een verklaring voor waargenomen regelmatigheden
Sociologische theorie = theorie met een hoger abstractieniveau (ook wel: ‘grote theorieën’)
Middelgrote theorieën zijn vaker en waarschijnlijker de focus van empirisch onderzoek.
Vertegenwoordigde pogingen om een beperkt aspect van het sociale leven te begrijpen en uit te
leggen. Opereren in gelimiteerd domein.
Empirisme (empiricism): benadering die suggereert dat kennis wordt opgedaan door ervaringen en
waarnemingen met zintuigen.
Naïef empirisme: overtuiging dat het verzamelen van ‘feiten’ op zichzelf al een legitiem doel is
Bryman over theorie: ‘er wordt onderzoek gedaan om vragen te beantwoorden die worden gesteld
vanuit theoretische overwegingen’.
Alternatief: theorie beschouwen als iets dat plaatsvindt na het verzamelen en analyseren van gegevens
die aan een project zijn gekoppeld.
Deductieve theorie: representeert de gangbare kijk op de aard van de relatie tussen theorie en sociaal
onderzoek, waarbij de onderzoeker uitput wat bekend is over een bepaald domein en over de
relevantie van theorie om een hypothese af te leiden die vervolgens aan empirisch onderzoek moet
worden onderworpen -> kwantitatief onderzoek!
Opstellen van ‘algemene wetten’ op basis van het analyseren van realiteit.
Inductie: manier van redeneren waarbij er op grond van een aantal specifieke waarnemingen tot
generalisatie wordt gekomen.
Verzamelen van zoveel mogelijk bewijsstukken om een opgestelde theorie aan te tonen.
Theorie
Inductie Deductie
Observatie/ bevindingen
Basale wetenschapsfilosofie
Epistemologie = kennistheorie
Ontologie = zijnsleer/ beschrijft eigenschappen -> het zijn van het geheel van dingen
(entiteiten)
Epistemologisch: de vraag wat gezien wordt als acceptabele kennis in een discipline. Tak van de
filosofie die de aard, oorsprong, voorwaarden voor en reikwijdte van kennis onderzoekt.
Positivisme: de opvatting dat alleen empirische wetenschappen geldige kennis opleveren.
Kennis wordt opgedaan door zintuigelijke feiten.
- sociale theorie heeft toetsbare wetten (oorzaak – gevolg)
- epistemologische positie die de toepassing van methoden van de natuurwetenschap op de
studie van sociale realiteit en daar buiten bepleit:
1.) alleen kennis die wordt bevestigd door zintuigelijke waarneming is rechtvaardig
, 2.) kennis wordt gevormd door het verzamelen van feiten die de basis vormen voor wetten
3.) wetenschap moet objectief worden uitgevoerd
Interpretivisme: contrasterende epistemologie met positivisme. Geloof dat het
onderzoeksobject van sociologie – de mens – fundamenteel verschilt van de
onderzoeksobjecten in de natuurwetenschappen.
Vb. foto van dalmatiër -> niet herkenbaar tot dat je weet wat er te zien is = betekenis maakt
feit.
- mensen interpreteren continu hun wereld
- mensen handelen op basis van hun interpretaties
- onderscheid mens en natuur
Epistemologie: gevolgen voor sociaal onderzoek:
Positivisme:
- kennis van de sociale wereld verklaart sociale feiten
-> onderzoek de sociale wereld met ‘natuurwetenschappelijke’ methoden
Interpretivism:
- kennis van de sociale wereld beschrijft/ begrijpt menselijke interpretaties
-> onderzoek de sociale wereld met interpretatieve methoden
Realisme (laten leiden door de werkelijkheid) heeft 2 kenmerken gemeen met positivisme:
1. Natuurwetenschappen en sociale wetenschappen hebben dezelfde soort benadering
2. Er is een realiteit die losstaat van onze beschrijvingen ervan
2 belangrijke vormen:
Empirisch realisme: beweert dat door het gebruik van geschikte methoden, de realiteit kan
worden begrepen (naïef realisme)
Kritisch realisme: we kunnen alleen de sociale wereld begrijpen als we de structuren van
werk identificeren die de discourses genereren. Het Kritisch Realisme wil de balans herstellen
tussen beschouwingen over het objectieve (de wetenschappelijke en enige waarheid) en over
het subjectieve (de verhalen)
Positivisme Interpretivisme
Mensen gaan om met sociale Sociale feiten Interpretaties
theorie
Toetsbaar Een interpretatie
Kennis van de sociale wereld Verklaart Beschrijft/ begrijpt
Kennis van de natuurlijke Hetzelfde Anders
wereld
Ontologie van sociale wereld: het centrale oriëntatiepunt is de vraag of sociale entiteiten kunnen
worden beschouwd als objectieve entiteiten die een realiteit hebben die extern is aan sociale actoren,
of dat ze kunnen en moeten worden beschouwd als sociale constructies opgebouwd uit de percepties
en acties van sociale actoren. Een ontologie fundeert een theorie over de werkelijkheid. Binnen een
wetenschappelijk kader maakt een ontologie een zinvolle meting van die werkelijkheid mogelijk
Objectivisme: ontologische benadering die impliceert dat sociale fenomenen ons confronteren
als externe effecten die buiten onze invloed liggen. (Kwantitatief)
- objecten in de sociale wereld: regels, organisaties en waardes
- sociale objecten staan los van sociale actoren
- sociale wereld is hetzelfde als de natuurlijke wereld (volgens dezelfde regels)
- captial + labor = profit
Constructionism: ontologische positie die claimt dat sociale fenomenen en hun betekenissen
continu worden volbracht door sociale actoren (Kwalitatief). Legt nadruk op feit dat kennis tot
stand komt door een actieve constructie.
- sociale objecten zijn niet tastbaar
, - sociale actoren staan niet los van regel, organisatie of waarde, maar (her) maken die
- sociale wereld is fundamenteel anders dan natuurlijke wereld
- vb. universiteit zonder leerlingen, is dat dan nog een universiteit? -> nee, alleen nog een
gebouw -> we construeren het sociale
Objectivisme Constructivism
Sociale object Tastbaar Niet tastbaar
Regel, organisatie, waarde Ding Mensenwerk
Actor <-> sociale wereld Onafhankelijk van elkaar Verbonden
Sociale wereld Zelfde als natuurlijke wereld Anders dan natuurlijke wereld
Ontologie: gevolgen voor sociaal onderzoek:
Objectivisme:
- gangbare concepten duiden de sociale wereld aan (e.g. staat, wetten, samenleving, geld)
-> onderzoek de eigenschappen en relaties van officiële organisaties
Constructionism:
- dagelijkse interactie schept de orde (e.g. machtsrelaties, vertrouwen)
-> onderzoek hoe mensen de sociale wereld (organisatie) maken
Dus relatie ontologie – epistemologie:
Kwantitatief onderzoek:
- objectivism + positivsm
-> onderzoek met ‘natuurwetenschappelijke’ methoden de eigenschappen en relaties van
officiële organisatie in de sociale wereld
Kwalitatief onderzoek:
- constructivsm + interpretivism
-> onderzoek met interpretatieve methoden hoe mensen de sociale wereld maken
Kwantitatief Kwalitatief
Hoofd oriëntatie op de rol Deductief; testen van theorie Inductief; generaliseren van
van theorie in relatie tot theorie
onderzoek
Epistemologische oriëntatie Natuurwetenschappelijk model, interpretivisme
positivisme
Ontologische oriëntatie Objectivisme Constructionism
Structuur onderdeel 3: kwalitatief, kwantitatief, of cartografisch onderzoek?
Cartografie: de wetenschap en techniek om informatie met een geografische component
inzichtelijk en aanschouwelijk te maken in analoge en digitale media met kaarten en andere
middelen.
- van de ruimtelijke wereld = landkaart
- van de sociale wereld = kaarten met gegevens en kleurtjes
Verschillen tussen strategieën
- kortweg: inhoud – proces
- kracht van strategieën: aannames
Cartografie in de sociale wereld
In kaart brengen van sociale fenomenen
- op basis van kwantitatieve of kwalitatieve data
Kortweg: inhoud simplistisch
- kwantitatief: meten is weten (lineair)
- kwalitatief: maar waarom? (ervaring)