examen
1. Wet financieel toezicht (Wft): Het overkoepelende wettelijk kader voor het toezicht op financiële
markten en instellingen in Nederland.
2. Autoriteit Financiële Markten (AFM): Toezichthouder op gedrag en transparantie binnen de
financiële sector.
3. De Nederlandsche Bank (DNB): Toezichthouder op de financiële stabiliteit en soliditeit van
instellingen.
4. Zorgplicht: De verplichting voor financiële ondernemingen om het klantbelang centraal te stellen
en passende producten te bieden.
5. Klantonderzoek (Customer Due Diligence, CDD): Het proces van identificatie, risicobeoordeling en
verificatie van klanten onder de Wwft.
6. UBO (Ultimate Beneficial Owner): De natuurlijke persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of
zeggenschap heeft over een rechtspersoon.
7. Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft): Wetgeving die
witwassen en terrorismefinanciering probeert te voorkomen door onder meer meldings- en
onderzoeksverplichtingen op te leggen.
8. Provisieverbod: Verbod op beloningen van aanbieders aan adviseurs bij complexe producten, ter
bevordering van onafhankelijk advies.
9. Kostentransparantie: Het inzichtelijk maken van alle directe en indirecte kosten die aan financiële
producten en diensten verbonden zijn.
10. Key Information Document (KID): Een gestandaardiseerd document dat consumenten helder
informeert over kosten en risico’s van beleggingsproducten.
11. Gedragscode: Interne regels binnen organisaties die medewerkers aansporen tot integer en
ethisch handelen.
12. Complexe financiële producten: Producten zoals hypotheken of beleggingsverzekeringen die
extra uitleg en zorgvuldigheid vergen.
13. Hypotheekrenteaftrek: De fiscale mogelijkheid om betaalde hypotheekrente af te trekken van het
belastbaar inkomen in box 1.
14. Box 1: Belastingcategorie voor inkomen uit werk en woning, waaronder salarissen en
hypotheekrenteaftrek.
15. Box 3: Belastingcategorie voor inkomen uit sparen en beleggen.
16. AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming): Europese regelgeving die de privacy en
bescherming van persoonsgegevens reguleert.
Pagina 1 van 11
, 17. Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid): Onafhankelijke instantie waar consumenten
terecht kunnen met klachten over financiële producten en diensten.
18. Prudentieel toezicht: Toezicht gericht op de financiële gezondheid en stabiliteit van financiële
instellingen.
19. Gedragstoezicht: Toezicht gericht op eerlijkheid, transparantie en zorgplicht bij financiële
ondernemingen.
20. Overlijdensrisicoverzekering (ORV): Een verzekering die uitkeert bij overlijden van de verzekerde
binnen de looptijd van de polis.
21. Arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV): Verzekering die inkomen biedt bij
arbeidsongeschiktheid door ziekte of ongeval.
22. Pensioengat: Het verschil tussen het gewenste en het verwachte pensioeninkomen.
23. Beleggingsfonds: Een fonds waarin meerdere beleggers geld samenbrengen om gespreid te
investeren.
24. Nominale rente: De rente zoals deze door een kredietverstrekker wordt genoemd, exclusief
kosten en bijkomende lasten.
25. Effectieve rente: De werkelijke kosten van een lening, inclusief alle bijkomende kosten.
26. Vermogenstoets: Een beoordeling van de financiële draagkracht van een klant, bijvoorbeeld bij
kredietaanvragen.
27. Integriteit: Het handelen in overeenstemming met ethische en wettelijke normen.
28. Ongebruikelijke transactie: Een transactie die volgens de Wwft moet worden gemeld omdat deze
afwijkt van normale transacties.
29. Financieel bijsluiter: Voorganger van het Key Information Document, bedoeld om transparantie
te bieden over financiële producten.
30. Polisvoorwaarden: De specifieke voorwaarden en afspraken die gelden bij een
verzekeringsproduct.
31. Algemene voorwaarden: Overkoepelende bepalingen die van toepassing zijn op alle producten of
diensten van een aanbieder.
32. Solvabiliteit: De mate waarin een financiële instelling in staat is om aan haar financiële
verplichtingen te voldoen.
33. Liquiditeit: De mate waarin een instelling snel aan haar kortetermijnverplichtingen kan voldoen.
34. Bedenktijd: De periode waarin een consument kosteloos van een financieel contract kan afzien.
35. Fraudevormen: Methoden zoals identiteitsfraude, phishing en verzekeringsfraude die integriteit
bedreigen.
36. Abonnementsmodel: Een beloningsstructuur waarbij de klant periodiek betaalt voor doorlopend
advies.
Pagina 2 van 11